Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3159

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
13/650182-19 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verdachte is veroordeeld voor een poging tot verkrachting, diefstal met geweld en het voorhanden hebben en vervaardigen van kinderpornografisch materiaal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/650182-19 (Promis)

Datum uitspraak: 26 juni 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in Penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

De verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

12 juni 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. de Graaf en van wat door de raadsvrouw van verdachte mr. C.H. van Keulen en door de verdachte naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de vordering van het slachtoffer [slachtoffer 1] , vertegenwoordigd door mr. M.M. de Boer en van de vordering van het slachtoffer [slachtoffer 2] , wettelijk vertegenwoordigd door [persoon 1] , en ter zitting vertegenwoordigd door mw. S.L. Speelman.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt kort samengevat beschuldigd van

1. poging tot verkrachting van [slachtoffer 1] op 12 april 2019 te Amsterdam,

subsidiair de aanranding van [slachtoffer 1] op 12 april 2019 te Amsterdam, en

2. de diefstal met geweld van [slachtoffer 1] op 12 april 2019 te Amsterdam,

Subsidiair de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] op 12 april 2019 en de diefstal van [slachtoffer 1] op 12 april 2019 te Amsterdam, en

3. het in bezit hebben en vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen in de periode van 6 juni 2018 tot en met 19 april 2019.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de feiten wettig en overtuigend bewezen. Aangeefster [slachtoffer 1] is glashelder over hetgeen haar in de nacht van 12 april 2019 is overkomen. Ook uit het opgevraagde 112-gesprek blijkt duidelijk hoe groot de angst en paniek bij aangeefster is geweest. De kern van haar aangifte komt ook in deze eerste melding duidelijk naar voren: het roepen van verdachte dat hij haar wil neuken, het gebruik van de elektrische fiets, het van de fiets af slaan, het afpakken van de telefoon en het signalement. Ook de taxichauffeur bevestigt haar verhaal. De aangifte is betrouwbaar en komt authentiek over. Haar lezing wordt ondersteund in het dossier door andere bewijsmiddelen.

Verdachte is bij de politie in beeld gekomen door de modus operandi van de dader. Deze modus operandi komt op opmerkelijk veel punten overeen met de verkrachting uit 2013 waar verdachte voor is veroordeeld, namelijk de manier van in de nachtelijke uren benaderen, het achtervolgen op de fiets, het gebruik van een elektrische fiets, het met fiets en al ten val brengen, de geuite bewoordingen en het pleeggebied. De directe link met verdachte is de weggenomen telefoon van aangeefster. Na het feit is een nieuwe simkaart in de telefoon van aangeefster gedaan. Dit nieuwe nummer, [telefoonnummer 1] (hierna: # [telefoonnummer 1] ), wordt daarna gebeld door het nummer [telefoonnummer 2] (hierna: # [telefoonnummer 2] ). Dit laatste nummer kan gelinkt worden aan verdachte. Daar komt bij dat de telefoon van aangeefster bij de ex-schoonmoeder van verdachte is aangetroffen. Verdachte heeft deze telefoon aan zijn zoontje die bij de ex-schoonmoeder van verdachte woont gegeven. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze telefoon in een café heeft gekocht, maar beantwoordt daar verder geen vragen over. De officier van justitie is dan ook van mening dat deze verklaring als niet betrouwbaar terzijde kan worden geschoven.

Verdachte is ook te linken aan de plaats delict. Volgens de historische gegevens straalt het telefoonnummer van verdachte op 12 april 2019 om iets na 01.00 uur een mast op de [adres 1] in Amsterdam Noord aan. De GPS-coördinaten van zijn telefoon zijn ook in die buurt. De telefoon van verdachte is van 03.13 uur tot 03.18 uur (vlak na het incident) op een afstandsduur van 3 minuten fietsen vanaf de plaats delict aanwezig. Met een elektrische fiets is deze afstandsduur nog korter. De GPS-coördinaten zijn door de politie opgezocht en blijken een plek in de bosschages te zijn. Verdachte was dus voor het incident in Amsterdam Noord en vlak na het incident in de directe nabijheid van de plaats delict en zat kennelijk verscholen in de bosjes. Uit het dossier blijkt ook dat verdachte de beschikking had over een elektrische fiets en dat hij daar gebruik van maakte. Opvallend is nog dat verdachte in een Opname Vertrouwelijke Communicatie-gesprek (OVC-gesprek) met zijn schoonzus bespreekt dat hij het meisje van wie de telefoon is heeft gezien die nacht. Door midden in de nacht achter aangeefster aan te fietsen, te zeggen dat hij haar wil neuken, haar ten val te brengen, haar vast te grijpen, met haar in een worsteling te raken en haar bij haar heupen/billen aan te raken, is sprake van gedrag dat naar de uiterlijke verschijningsvorm een poging tot verkrachting is. Het gedrag is door de bewoordingen en handelingen van verdachte overduidelijk op een seksueel delict gericht. Verdachte heeft eerder laten zien wat zijn bedoeling met dergelijke handelingen was en hoe bij hem de uitvoering van een dergelijke verkrachting eruit ziet. Ook de ten laste gelegde diefstal met geweld kan wettig en overtuigend bewezen worden.

Bij verdachte zijn drie telefoons in beslag genomen. Op de Samsung telefoon zijn, naast privéfoto’s van verdachte, 34 foto’s aangetroffen die als kinderporno zijn aangemerkt. De foto’s lijken heimelijk te zijn genomen en de foto’s zijn duidelijk gericht op de billen en/of het kruis van de kinderen. Een tweetal foto’s laat de onbedekte vagina van een jong meisje zien. De Hoge Raad is zeer duidelijk. De seksuele gedraging kan uit foto’s worden afgeleid, ook als kinderen zich daar niet bewust van zijn of zij niet bewust geposeerd hebben. Gelet hierop kan ook het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen worden.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van alle feiten. De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2 nu het vermeende daderschap van verdachte niet zonder meer kan worden gebaseerd op de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] . Zij geeft slechts een summier signalement dat niet overeenkomt met het signalement van verdachte. Door aangeefster is verklaard dat de dader misschien begin twintig zou zijn. Verdachte was ten tijde van het delict een stuk ouder, namelijk 28 jaar. Ook de door de aangeefster beschreven jas komt niet overeen en is ook niet aangetroffen bij verdachte. De inbeslaggenomen jas betreft immers een donkere jas zonder bontkraag.

Van belang is dat een groot deel van de overtuiging van het Openbaar Ministerie dat verdachte de dader is en waarop ook het onderzoek geënt is, de aanname is dat de dader een e-bike heeft. Aangeefster heeft verklaard dat zij dacht dat de dader op een e-bike reed. Dit is echter nooit komen vast te staan. Ook op de camerabeelden is niet te zien dat de mogelijke dader op een e-bike reed. Er is geen verdikking zichtbaar bij het achterspatbord of de bagagedrager die deze aanname kan dragen. Alle aanwijzingen dat verdachte gebruik maakt van een e-bike zijn gebruikt om - bij afwezigheid van direct (forensisch) bewijs - de zaak rond te krijgen. Ook de enkele vondst van een voorwiel van een elektrische fiets in het huis van verdachte zegt niet meer dan dat verdachte de beschikking had over een e-bike. Er is echter geen directe link tussen de fiets van de dader en verdachte. Dat verdachte in een OVC-gesprek met zijn familie heeft verzocht om een aantal e-bikes weg te stoppen, was omdat verdachte in paniek was en vreesde dat hij ten onrechte in verband zou worden gebracht met de aan hem ten laste gelegde feiten.

Het dossier biedt verder geen enkel forensisch bewijs dat verdachte kan linken aan het incident met aangeefster. Wat aan mogelijk bewijs overblijft, zijn de coördinaten van de telefoon van verdachte in de buurt van de plaats delict en het aantreffen van de telefoon van aangeefster in de directe omgeving van verdachte. De telefoon van verdachte wordt aan de hand van GPS coördinaten tussen 03.13 tot 03.18 uur aan de [adres 2] gelokaliseerd. Dat is op ongeveer 2,3 kilometer afstand van de plaats delict aan de [straatnaam 3] . De vermelde GPS coördinaten kunnen 10 tot 100 meter afwijken van de werkelijke locatie. De coördinaten geven alleen aan dat verdachte ten tijde van het delict in de buurt was van de plaats delict. Volgens verdachte was hij die nacht bij zijn goede vriendin [persoon 4] , woonachtig aan de [adres 3] . Dit kan ook kloppen, gelet op de GPS gegevens van zijn telefoon. Daaruit blijkt dat de telefoon zich in de nacht van 11 op 12 april 2019 tussen 23:51:29 en 02:43 uur aan de [adres 4] bevond. Volgens verdachte en mevrouw [persoon 4] is verdachte die nacht ergens tussen 03.00 en 03.30 uur per scooter vanaf de [adres 3] vertrokken naar het huis van zijn moeder aan de [adres 5] . Dit adres ligt op loopafstand van de [straatnaam 1] . De gevonden telecomgegevens passen om die reden evengoed bij het scenario dat verdachte die nacht is langs geweest bij zijn goede vriendin en dat hij die nacht via de [straatnaam 2] die op de [straatnaam 1] uitkomt, is afgereisd naar de woning van zijn moeder.

Ten aanzien van de wijze waarop de telefoon van aangeefster bij de zoon van verdachte terecht is gekomen, heeft verdachte verklaard dat hij de telefoon die dag in een café heeft gekocht voor € 100,-. Dit heeft verdachte ook verklaard tegenover de Pro Justitia rapporteurs.

De raadsvrouw is voorts van mening dat er geen sprake is van bruikbaar schakelbewijs. Er zijn wel overeenkomsten tussen de onderhavige zaak en de zaak waar verdachte eerder voor is veroordeeld. Het kan echter niet zo zijn dat op basis van deze overeenkomsten het niet anders kan zijn dan dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft gepleegd. Er is hier namelijk geen sprake van een specifieke modus operandi. Bij verkrachtingszaken is vaker sprake van een slachtoffer dat door de dader op de fiets wordt achtervolgd en van de fiets wordt getrokken. Er zijn ook omstandigheden die significant anders zijn in vergelijking met de eerdere zaak. In die zaak was de plaats delict een verlaten plek met bosjes waar verdachte het slachtoffer in de bosjes heeft getrokken. Daar is hier geen sprake van. Ook heeft de dader in de onderhavige zaak het slachtoffer niet onmiddellijk betast, wat verdachte in de zaak uit 2013 wel heeft gedaan. Van bruikbaar schakelbewijs is geen sprake. Gelet op het gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient verdachte te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Indien verdachte wel verantwoordelijk kan worden gehouden voor het aanvallen van aangeefster [slachtoffer 1] resteert de vraag of het dossier voldoende ondersteuning biedt dat verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft verricht. De verdediging is van mening dat het dossier in beginsel voldoende steun biedt aan de verklaring van aangeefster dat de dader seksueel getinte opmerkingen heeft gemaakt. Dit geldt echter niet zonder meer voor de vermeende handeling waarbij de dader haar in de bil zou hebben geknepen. Immers is aangeefster er blijkens haar aangifte niet zeker van of deze handeling heeft plaatsgevonden. De taxichauffeur heeft ook niet verklaard dat aangeefster daarover iets tegen hem heeft gezegd. In de 112-melding spreekt zij met name over de aanval en niet zozeer over seksuele handelingen van de dader. De seksueel getinte opmerkingen en het eventueel knijpen in de bil leveren geen poging verkrachting op. Er is nog geen begin van uitvoering van een verkrachting. Het vastpakken van aangeefster waardoor zij ten val kwam hetgeen uitmondde in een worsteling betreft nare geweldshandelingen maar deze zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm niet zonder meer gericht op een verkrachting. Deze handelingen hadden ook plaats kunnen vinden als het voornemen gericht was op het wegnemen van de telefoon. Gelet hierop dient verdachte vrij te worden gesproken van de poging verkrachting bij gebrek aan een begin van uitvoering van dit delict.

Ook van de subsidiair ten laste gelegde ontucht dient verdachte te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Het is onduidelijk of het aanraken van de bil dan wel het knijpen in de bil daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De handelingen waarbij aangeefster van de fiets is getrokken en of naar de grond is gewerkt, hebben geen seksuele context en kunnen ook verricht zijn om het mogelijk te maken de telefoon zich wederrechtelijk toe te eigenen. De seksueel getinte opmerkingen zijn naar de mening van de raadsvrouw onvoldoende om van ontuchtige handelingen te spreken en leveren ook geen feitelijkheid op waarbij aangeefster is gedwongen tot het dulden van enige ontuchtige handelingen.

Indien er sprake is van daderschap van verdachte en het alternatieve scenario terzijde wordt geschoven, refereert de raadsvrouw zich ten aanzien van de onder 2 primair ten laste gelegde diefstal met geweld aan het oordeel van de rechtbank.

Indien verdachte wordt vrijgesproken van het onder 2 primair ten laste gelegde dient verdachte ook te worden vrijgesproken van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit. Aangeefster heeft verklaard dat zij van haar fiets is getrokken, al dan niet duwend of trappend, en dat er een worsteling heeft plaatsgevonden waarbij aangeefster door de dader aan haar armen is vastgepakt. Mochten deze handelingen bewezen worden verklaard dan meent de raadsvrouw dat dit handelen naar uiterlijke verschijningsvorm niet gericht is op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit betwist verdachte ten stelligste dat hij de desbetreffende foto’s die op zijn Samsung Galaxy zijn aangetroffen heeft vervaardigd. Verdachte leende zijn telefoon geregeld aan anderen uit. Het is goed mogelijk dat één van deze personen de foto’s heeft gemaakt en daar verantwoordelijk voor te houden is. Indien voorwaardelijk opzet voldoende is ten aanzien van het bezit dan is de raadsvrouw van mening dat van de 34 foto’s bij ten minste 32 afbeeldingen geen sprake is van een onmiskenbare seksuele strekking. Het betreffen vooral foto’s van minderjarige meisjes in hun badkleding, zonder dat sprake is van een bepaalde pose die zonder meer een seksuele lading heeft. Die 32 afbeeldingen zijn geen afbeeldingen zoals bedoeld in artikel 240b Sr en daarvan dient verdachte dan ook te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de andere twee foto’s, waarop de vagina van zijn nichtje te zien is, is de raadsvrouw van mening dat ook deze twee foto’s geen onmiskenbare seksuele strekking hebben. Het nichtje was zich aan het omkleden op het moment dat de foto’s zijn gemaakt. Dat omkleden vond plaats in een natuurlijke omgeving, zonder dat sprake lijkt te zijn van een compositie met als doel het opwekken van een seksuele prikkeling. Ook ten aanzien van deze foto’s dient verdachte te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van kinderpornografische afbeeldingen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Bewijsoverweging feit 1 en feit 2

Op 12 april 2019 heeft aangeefster [slachtoffer 1] aangifte gedaan van poging tot verkrachting en de diefstal van haar telefoon. In haar aangifte heeft zij verklaard dat zij op de fiets naar huis reed. Rond 03.00 uur ’s nachts merkte zij dat zij door iemand werd achtervolgd. Zij zag een jongen met een capuchon over zijn hoofd, een licht bontkraagje en een telefoon in zijn hand. Aangeefster hoorde dat de jongen op een gegeven moment zei ‘ik wil je in je kont neuken’ of ‘wil je in je kont geneukt worden’. Aangeefster fietste snel door, maar de jongen kon haar goed bijhouden zonder schijnbaar moeite daarvoor te doen. Aangeefster dacht daarom dat de jongen op een elektrische fiets fietste. Aangeefster werd vervolgens ingehaald en de jongen zei opnieuw: ‘ik wil je in je kont neuken’ en ‘mag ik op je afrukken’. De jongen heeft aangeefster daarna vastgepakt en gegrepen waardoor zij naar de grond viel. De jongen rende naar aangeefster toe waarna aangeefster en de jongen hebben geworsteld. De jongen probeerde aangeefster bij haar billen te grijpen. Zij voelde dat de jongen haar aanraakte bij haar linkerheup ter hoogte van haar bil. Toen aangeefster een taxi aan zag komen rijden, heeft de jongen haar telefoon gepakt en is er meteen vandoor gegaan.

De vraag die de rechtbank als eerste moet beantwoorden is de vraag of verdachte degene was die aangeefster op 12 april 2019 heeft aangevallen.

Betrouwbaarheid van aangeefster en het signalement van de dader

De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn, of dat er overtuigende redenen zijn om aan de betrouwbaarheid daarvan te twijfelen. Daarbij gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Aangeefster heeft in haar aangifte verklaard wat haar is overkomen, maar zij heeft ook een signalement van de dader gegeven, namelijk: Geen Westerse achtergrond, Turks of Marokkaans, jong, onder de 30 en niet onder de 20 jaar, een lichte kleur jas, grijs of zandkleurig met een heel dun bontkraagje om de capuchon. Zij dacht ook dat de dader op een elektrische fiets reed omdat hij haar makkelijk kon bijhouden. Hetzelfde signalement heeft zij ook gegeven in haar 112-melding en aan de politie op de plaats delict, kort na het incident. Aangeefster heeft ook steeds verklaard dat zij niet zeker wist wat de kleur van de jas van de dader was omdat het allemaal heel snel was gegaan. Aangeefster was zichtbaar en in de 112 melding hoorbaar overstuur. In alle verklaringen van aangeefster heeft zij consistent verklaard. Deze verklaringen komen betrouwbaar op de rechtbank over. De verklaring van de taxichauffeur, dhr. [persoon 5] , ondersteunt de verklaringen van aangeefster. De taxichauffeur heeft verklaard dat aangeefster overstuur was en vertelde dat haar telefoon was weggenomen en dat ‘hij’ was weggefietst. Zij heeft in zijn taxi de politie gebeld. De taxichauffeur heeft de dader niet goed kunnen zien, maar hij noemt als signalement van de dader: Een tengere man, hij droeg een pet of een capuchon en zijn jas was lichtgrijs of beigekleurig. De rechtbank is van oordeel dat verdachte past in het signalement dat door de aangeefster en de taxichauffeur is gegeven. Weliswaar was verdachte ten tijde van het feit 28 jaar, maar door de Pro Justitia rapporteurs is opgeschreven dat verdachte jonger overkomt dan zijn kalenderleeftijd. Ook dit past in de beschrijving die aangeefster bij de politie geeft, waar zij zegt dat de dader onvolwassen over kwam. Op de ter zitting getoonde beelden van de Carpet Right is het slachtoffer te zien met daar vlak achter rijdend een persoon met (schijnbaar) een donkere jas. Omdat op deze beelden geen andere fietsers of personen te zien zijn, is aannemelijk dat de persoon in beeld de dader is en dat deze een donkerkleurige jas droeg. Anders dan de verdediging, hecht de rechtbank dan ook niet zoveel waarde aan de omschrijving van de kleur van de jas door aangeefster, te meer aangezien aangeefster zelf zegt dat zij de kleur niet goed kon zien omdat het donker was. De rechtbank gaat er op grond van de beelden van uit dat de dader een donkerkleurige jas droeg met een capuchon. De bij verdachte thuis aangetroffen jas voldoet aan deze kenmerken. Weliswaar had deze jas geen bontkraag op de capuchon, maar er bevonden zich wel drukkers op de capuchon waarmee een bontkraag aan de capuchon kon worden bevestigd. Bovendien zijn er in de telefoon van verdachte foto’s van verdachte aangetroffen waarop hij een donkerkleurige jas draagt met een capuchon met een bontkraag.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij in de periode rond van de ten laste gelegde feiten kon beschikken over een elektrische fiets en daar ook geregeld gebruik van maakte.

Samengevat: de rechtbank acht de verklaringen van aangeefster op zichzelf betrouwbaar en ziet geen reden om die niet voor het bewijs te gebruiken. Daarbij past verdachte in het opgegeven signalement van de dader.

De telefoon van aangeefster

Naar aanleiding van de diefstal van de telefoon van aangeefster heeft de politie een technische actie aangevraagd op het Imeinummer [nr] toebehorend aan de iPhone 6 van aangeefster. Uit het dossier blijkt ten aanzien van de telefoon van aangeefster het volgende:

- Op 12 april 2019 om 22.22 uur is er met deze telefoon ingelogd op het draadloze netwerk met de naam “ [naam 1] ”. Om 22.50 uur is op de telefoon een GPS locatie opgeslagen met breedtegraad [breedtegraad] en lengtegraad [lengtegraad] . Dit is de [adres 6] waar [persoon 3] , de schoonzus van verdachte, staat ingeschreven.

- Op 14 april 2019 is er een simkaart in de telefoon geplaatst voorzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: # [telefoonnummer 1] ). Dit nummer is op deze datum gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: # [telefoonnummer 2] ). Dit laatste telefoonnummer staat op naam van de schoonzus van verdachte [persoon 3] . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dit nummer van zijn schoonzus heeft overgenomen, dit gebruikt en daarvoor betaalt. De simkaart behorend bij het nummer # [telefoonnummer 2] is ook aangetroffen in de bij verdachte inbeslaggenomen iPhone 6. In de telefoon van verdachte staat in zijn contactenlijst bij het nummer # [telefoonnummer 1] ‘ [naam 2] me mooi zoon’. Vast staat dat de zoon van verdachte [naam 2] heet. Verdachte heeft ter zitting op vragen geantwoord dat hij degene was die op 14 april 2019 de simkaart # [telefoonnummer 1] in de iPhone 6 heeft gedaan die hij later aan zijn zoon [naam 2] heeft gegeven.

- Op 22 mei 2019 is een gesprek tussen verdachte en zijn schoonzus [persoon 3] opgenomen in de penitentiaire inrichting waar verdachte is gedetineerd. In dit OVC-gesprek heeft verdachte het volgende gezegd: “En daarin word ik daarvan verdacht, vanwege die toestel. Ik heb bij jou gebeld thuis met dat nummer? Dat had ik nooit moeten doen. Met het nummer dat ik van jou had, dat ik in die iPhone had gedaan, dat nieuwe nummer voor [naam 2] , daar heb ik mee naartoe gebeld en dat hebben ze opgepikt” en “ze hebben het toestel gevonden. Da’s haar toestel. Van de eh twaalfde. Dat is die iPhone die ik heb gevonden. Ja, da’s van dat meisje. Dus dat meisje heb ik wel echt in het echt gezien. Maar niet bij NDSM wat er wordt geluld. Bij de brug…heb ik dat toestel gevonden. ” en “we gaan zeggen dat ik het dan heb gekocht van eh iemand”

- de telefoon van aangeefster is ook daadwerkelijk in het huis waar [naam 2] woont bij de ex-schoonmoeder van verdachte aangetroffen en in beslaggenomen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de telefoon van iemand in een café heeft gekocht. Deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig. Nog afgezien van het late stadium waarin verdachte met deze verklaring komt, heeft verdachte hierover desgevraagd geen enkele verifieerbare informatie willen geven. Bovendien heeft verdachte in het OVC-gesprek gezegd dat hij het slachtoffer heeft gezien en dat hij gaat zeggen dat hij het van iemand heeft gekocht.

Samengevat concludeert de rechtbank dat verdachte de telefoon van aangeefster in zijn bezit heeft gehad vanaf het moment dat de telefoon van aangeefster is weggenomen.

GPS coördinaten

De volgende vraag die beantwoord moet worden, is of verdachte te plaatsen is op de plaats en het tijdstip (rond 3 uur) van het delict. De politie heeft onderzoek gedaan naar waar de iPhone van verdachte was op het tijdstip van het ten laste gelegde. Uit dit onderzoek blijkt dat de telefoon op 11 april 2019 van 23.51 uur tot 12 april 02.34 uur uitstraalde in de omgeving van de [adres 7] . Volgens coördinaten die waren opgeslagen in de iPhone van verdachte (breedtegraad [breedtegraad] en lengtegraad [lengtegraad] ) bevond deze zich op 12 april 2019 van 3:13 uur tot 3:18 uur in een park aan de [straatnaam 1] , ter hoogte van het adres [adres 2] te Amsterdam, op 7 minuten fietsafstand vanaf het plaats delict. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet in het park is geweest, maar wel daar in de buurt was, omdat hij onderweg was van de [adres 3] naar de [adres 5] . Daarbij zou hij de kortste route hebben genomen en over een brug zijn gegaan die uitkwam bij de [school 1] en de school [school 2] . De rechtbank leidt daaruit af dat het niet anders kan dan dat verdachte, volgens zijn verklaring, de volgende route heeft gereden:

[route]

Deze route is blijkens Google Maps minimaal 250 meter verwijderd van de plaats in het Noorderpark waar de iPhone van verdachte zich volgens de coördinaten in deze telefoon bevond van 3:13 uur tot 3:18 uur.

[route]

Aangezien de locatiebepaling aan de hand van de GPS van een mobiele telefoon een maximale afwijking kent van 100 meter (hetgeen blijkt uit het rapport ‘Informatie over locatiebepaling’, dat is gepubliceerd op de website van het NFI), kan de verklaring van verdachte over waar hij zich op dat moment bevond niet kloppen. Gelet hierop acht de rechtbank het alternatieve scenario van verdachte, dat hij bij zijn vriendin was en tussen 3.00 uur en 3.30 uur naar het adres van zijn moeder is gegaan, niet aannemelijk.

De verdediging heeft aangevoerd dat het ontbreken van forensisch (DNA)bewijs moeilijk te rijmen is met een daderschap van verdachte. De rechtbank verwerpt dit verweer. Dat er geen DNA materiaal van verdachte is aangetroffen op de kleding en het lichaam van aangeefster bewijst geenszins dat verdachte niet degene is geweest die haar heeft aangevallen.

Gelet op de omstandigheden dat verdachte past in het opgegeven signalement, dat de telefoon van aangeefster bij de zoon van verdachte is teruggevonden en dat de telefoon van verdachte om 3:13 uur op zeven fietsminuten van de plaats delict is gelokaliseerd, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte degene is geweest die aangeefster heeft aangevallen.

Bewezen verklaarde feiten

Nu resteert de vraag aan welke strafbare feiten verdachte zich op 12 april 2019 schuldig heeft gemaakt. Verdachte wordt er primair van verdacht dat hij geprobeerd heeft aangeefster te verkrachten. De raadsvrouw heeft bepleit dat hier geen sprake van was nu er geen begin van uitvoering heeft plaatsgevonden. De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft aan aangeefster kenbaar gemaakt wat hij wilde gaan doen. Hij heeft haar midden in de nacht op de fiets achtervolgd. Hij heeft meerdere keren gezegd ‘ik wil je in je kont neuken’, ‘mag ik op je afrukken’ en ‘wil je in je kont geneukt worden’. Deze woorden duiden naar algemeen spraakgebruik op de intentie tot geslachtsgemeenschap met penetratie.1 Vervolgens is verdachte gewelddadig geworden door aangeefster van de fiets te trappen en heeft hij aangeefster aangeraakt bij haar heupen en heeft hij haar omarmd. Er was daarmee wel degelijk sprake van een begin van uitvoering. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewoordingen en de handelingen van verdachte geconcludeerd kan worden dat deze gericht waren op een seksueel delict zijnde verkrachting. De rechtbank kent hierbij gewicht toe aan het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijke verkrachting waarbij hij het slachtoffer op de fiets heeft achtervolgd, haar van haar fiets heeft geduwd en in de bosjes heeft verkracht. Ook neemt de rechtbank mee in haar overweging dat op de telefoon van verdachte meerdere foto’s zijn aangetroffen waarop de billen van vrouwen te zien zijn terwijl zij fietsen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte vaker achter vrouwen aanfietste en foto’s van hun billen maakte. De verklaring van verdachte dat deze foto’s zijn gemaakt door andere, door hem niet nader aangeduide personen aan wie hij de telefoon zou hebben uitgeleend, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Deze foto’s in samenhang bezien met de seksuele uitlatingen en handelingen van verdachte op 12 april 2019 wijzen erop dat verdachte door is gegaan met gedrag waar hij eerder voor is veroordeeld en waarvoor hij nog onder behandeling was. De rechtbank is dan ook van overtuigd dat verdachte de opzet had om aangeefster te verkrachten en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot verkrachting.

De rechtbank vindt ook de onder 2 tenlastegelegde diefstal van de telefoon bewezen. Verdachte heeft de telefoon van aangeefster op zijn vlucht meegenomen toen aangeefster naar de taxi rende. Aangeefster heeft verklaard dat hij de telefoon uit haar hand heeft losgepeuterd.

3.3.2

Bewijsoverweging feit 3

Bij verdachte zijn drie telefoons in beslag genomen. Op de in beslag genomen Samsung Galaxy S8 zijn 34 fotobestanden aangetroffen van jonge meisjes, waarvan 16 unieke afbeeldingen. Er is sprake van een reeks van afbeeldingen, waarbinnen een samenhang bestaat wat betreft inhoudelijke kenmerken en/of de wijze van totstandkoming en waarbij een aantal afbeeldingen een onmiskenbare seksuele (kinderpornografische) strekking heeft. De aangetroffen afbeeldingen zijn heimelijk tot stand gekomen. Er is ingezoomd op de billen of het kruis van de meisjes. Uit de foto’s blijkt duidelijk dat de interesse van de maker ligt bij de geslachtsdelen/billen van de meisjes. De hoofden van de meisjes zijn niet te zien op de foto’s. De gehele serie afbeeldingen kan vanwege dit onderlinge verband als kinderpornografisch worden aangemerkt.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zijn telefoon geregeld aan anderen uit heeft geleend en dat deze personen de foto’s wellicht hebben gemaakt. Dit acht de rechtbank echter niet aannemelijk nu er naast deze 34 fotobestanden ook veel afbeeldingen van verdachte zelf zijn aangetroffen. Dit zijn onder andere selfies, maar ook foto’s van zijn zoon [naam 2] . Bovendien heeft verdachte niet willen verklaren wie de personen zouden zijn aan wie hij zijn telefoon heeft uitgeleend.

Uit de beschrijving van de afbeeldingen blijkt dat deze gemaakt zijn in de huiselijke/ familiekring. Vijf series zijn of lijken gemaakt te zijn rondom een zwembad en de zesde serie is gemaakt in een binnenruimte. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij geregeld in de weekenden met zijn familie op een camping in [plaatsnaam] was. Hier was ook een zwembad aanwezig. Op de foto’s die zijn aangetroffen op de telefoon van verdachte zijn ook foto’s aangetroffen van zijn zoon [naam 2] in het zwembad. Dit overtuigt de rechtbank in haar oordeel dat verdachte degene is geweest die de kinderpornografische afbeeldingen heeft gemaakt. Daar komt nog bij dat op twee foto’s de vagina van een meisje te zien is dat het nichtje van verdachte blijkt te zijn. Verdachte heeft ter zitting verklaard haar ook wel eens te hebben omgekleed. Verdachte was daardoor in de gelegenheid om de foto’s van haar te maken. Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat verdachte de kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit heeft gehad en dat hij deze zelf heeft vervaardigd.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II bewezen dat verdachte

1.

op 12 april 2019 te Amsterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, opzettelijk achter die [slachtoffer 1] is aangefietst en tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "Ik wil je in je kont neuken" en "Wil je in je kont geneukt worden?" en die [slachtoffer 1] op de fiets heeft ingehaald en heeft gezegd: "Ik wil je in je kont neuken" en "Mag ik op je afrukken?" en die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en die [slachtoffer 1] heeft geduwd of getrapt en naar de grond gewerkt en aan die [slachtoffer 1] heeft getrokken (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] met haar fiets ten val is gekomen) en op die [slachtoffer 1] is afgerend en met die [slachtoffer 1] heeft gevochten en

die [slachtoffer 1] bij de arm en handen heeft vastgepakt en heeft geprobeerd die [slachtoffer 1] bij de kont te grijpen en die [slachtoffer 1] bij de heup/bil heeft aangeraakt;

2.

op 12 april 2019 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte

achter die [slachtoffer 1] is aangefietst en die [slachtoffer 1] (op de fiets) heeft ingehaald en die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of getrapt en naar de grond gewerkt en aan die [slachtoffer 1] heeft getrokken (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] met haar fiets ten val is gekomen) en op die [slachtoffer 1] is afgerend en met die [slachtoffer 1] heeft gevochten en die [slachtoffer 1] bij de arm en handen heeft vastgepakt en de telefoon uit de handen van die [slachtoffer 1] heeft losgepeuterd;

3.

in de periode van 6 juni 2018 tot en met 19 april 2019 te Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem, en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen op een mobiele telefoon

34 kinderpornografische foto's en kinderpornografische afbeeldingen, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken heeft vervaardigd en in bezit gehad,

welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

een of meer personen die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hadden bereikt, waarbij de nadruk ligt op de geslachtsdelen en billen en (waarna) door het camerastandpunt, de (onnatuurlijke) pose van deze personen en de uitsnede van de foto's/afbeeldingen nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel en billen in beeld gebracht worden (waarbij) die foto's/afbeeldingen (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking hebben en strekken tot seksuele prikkeling

(bestandsnaam [bestandsnaam] pvb p. 89 en

bestandsnaam [bestandsnaam] pvb p. 90 en

bestandsnaam sectors [bestandsnaam] pvb p. 91 en

bestandsnaam sectors [bestandsnaam] pvb p. 91 en

bestandsnaam sectors [bestandsnaam] pvb p. 91 en

bestandsnaam sectors [bestandsnaam] pvb p. 92.).

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS-maatregel) met dwangverpleging.

7.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit de rapportages blijkt dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking. Door de Pro Justitia rapporteurs wordt geadviseerd dat de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, slechts in verminderende mate kunnen worden toegerekend aan verdachte. Verdachte maakt bezwaar tegen oplegging van de TBS-maatregel met dwangverpleging. Hij zegt niet mee te zullen werken aan de behandeling. Desondanks zal de verdediging zich refereren aan het oordeel van de rechtbank of de TBS-maatregel met dwangverpleging geboden is indien het onder 1 ten laste gelegde feit bewezen wordt.

Indien slechts de feiten onder 2 en 3 bewezen worden, verzet de verdediging zich tegen oplegging van de TBS-maatregel met dwangverpleging. Het geweldsaspect voor feit 2 is flinterdun. Bovendien heeft verdachte nauwelijks soortgelijke veroordelingen. Ten aanzien van feit 3 heeft te gelden dat, bij een veroordeling, het slechts gaat om twee afbeeldingen die eventueel kinderpornografisch van aard zijn. In de visie van de verdediging staat de maatregel dan niet in redelijke verhouding tot de ernst van het gevaar dat verdachte betekent voor de samenleving. Wellicht dat een minder ingrijpende straf of maatregel dan ook tot de mogelijkheden behoort. Er kan dan ook volstaan worden met een gevangenisstraf zodat verdachte na afloop van de gevangenisstraf verder kan gaan met de TBS-maatregel met voorwaarden.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich op 12 april 2019 schuldig gemaakt aan een poging tot verkrachting en een diefstal met geweld. Verdachte heeft geprobeerd midden in de nacht een jonge hem onbekende vrouw te verkrachten puur en alleen om aan zijn seksuele lusten te voldoen zonder rekening te houden met de gevolgen voor het slachtoffer. Hij heeft het slachtoffer eerst op de fiets achtervolgd waarbij hij seksuele uitlatingen deed. Het slachtoffer heeft dit als zeer beangstigend ervaren. Het slachtoffer heeft geprobeerd hard weg te fietsen, maar zij kon niet ontkomen aan verdachte. Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer van haar fiets geduwd of getrapt waardoor zij ten val is gekomen en gewond is geraakt. Er heeft daarna een worsteling plaatsgevonden waarbij verdachte het slachtoffer geprobeerd heeft te verkrachten. Het slachtoffer probeerde nog 112 te bellen, maar dit werd door verdachte tegengehouden. Dat het bij een poging is gebleven is geenszins te danken aan verdachte, maar aan het daadkrachtige dappere optreden van het slachtoffer zelf. Zij zag een taxi aan komen rijden en heeft de taxi kunnen stoppen. Verdachte is er toen vandoor gegaan met de telefoon van het slachtoffer.

Verdachte heeft door zijn handelen van het slachtoffer een onbevangen leven afgenomen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zedenmisdrijven langdurig psychische schade ondervinden. Het slachtoffer heeft gebruik gemaakt van haar spreekrecht en heeft ter terechtzitting verteld dat dit ook bij haar het geval is. Hetgeen haar door verdachte is aangedaan is bijzonder indringend en beïnvloedt nog dagelijks haar leven. Zij heeft zich lange tijd onveilig gevoeld, en eigenlijk is dat nog steeds zo. Het leven van het slachtoffer is door de poging tot verkrachting blijvend beïnvloed. Daarnaast brengen feiten zoals de onderhavige niet alleen bij de direct betrokkenen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg, maar tevens in de gehele maatschappij. Dit feit heeft in april 2019 voor veel onrust gezorgd in Amsterdam Noord. Studenten durfden niet meer alleen te fietsen, een informatieavond van de gemeente over de aanpak van zedenfeiten bleek noodzakelijk en veel media aandacht was het gevolg.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het in bezit hebben en vervaardigen van kinderpornografisch materiaal. Het vervaardigen en in bezit hebben van kinderporno is moreel buitengewoon verwerpelijk en maatschappelijk zeer ongewenst, omdat bij de vervaardiging van deze afbeeldingen kinderen (seksueel) worden misbruikt en geëxploiteerd. Gelet op de ernstige gevolgen voor de slachtoffers van wie de naaktfoto’s zijn gemaakt, acht de rechtbank het vervaardigen van dit soort kinderpornografische beelden een ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer. Ook het bezit van deze beelden, met de wetenschap dat deze elke keer bekeken (kunnen) worden levert een ernstige schending op. Dat verdachte ook kinderpornografische afbeeldingen van zijn nichtje heeft gemaakt, rekent de rechtbank verdachte extra aan. De verdachte heeft bij dit seksuele misbruik kennelijk niet stilgestaan bij de gevolgen en zich slechts bekommerd om zijn eigen behoeftebevrediging.

Uit het strafblad van 24 februari 2020 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld. Zijn meest recente veroordeling is een veroordeling door het Gerechtshof Amsterdam van 2 september 2016 voor onder andere verkrachting. Bij deze veroordeling is een TBS-maatregel met voorwaarden opgelegd, die ten tijde van de delicten nog niet was beëindigd.

7.3.1

Terbeschikkingstelling

De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport van 5 maart 2020, opgemaakt door psychiater M.D. van Ekeren en GZ-psycholoog K.M. ten Brinck, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum. Hieruit komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een licht verstandelijke beperking. Hij is vanaf de lagere schoolperiode bekend met zeer ernstige leer- en gedragsproblemen. Gezien de weigering van verdachte om aan het onderzoek mee te werken heeft geen seksuele anamnese kunnen plaatsvinden. Er is geen enkel zicht verkregen op de seksuele belevingswereld, mogelijke seksuele preoccupaties of andere seksuele drijfveren bij verdachte. Het is aldus niet mogelijk gebleken te onderzoeken of er sprake is van een seksuele stoornis (parafilie).

Verdachte heeft een gebrekkig overzicht op zijn situatie. Hij lijkt een nauwelijks ontwikkeld reflectief vermogen te hebben en hij geeft blijk van een zeer gebrekkig zicht op zijn eigen functioneren. Hij heeft uiterst oppervlakkige schematische opvattingen over situaties en personen. Hij schetst het gedrag van anderen vanuit zijn eigen standpunt en geeft geen blijk van een vermogen zich in te leven in motivaties of gedachten van anderen. Verdachte mist hiermee belangrijke cognitieve, emotionele en sociale vaardigheden om zich zelfstandig staande te houden. Er is sprake van ernstige emotionele disregulatie. Verdachte reageert steeds heftig, sterk impulsief, heeft een gebrekkige frustratietolerantie en hij heeft zeer beperkt vermogen om spanningen adequaat te reguleren. Ook is er sprake van een beperkte, lacunaire gewetensfunctie.

De tenlastegelegde feiten kunnen, indien bewezen, slechts in verminderde mate worden toegerekend. Verdachte is als gevolg van de ernstig intellectuele beperking en de daarmee gerelateerde gebrekkige ontwikkeling van de psychische functies in zijn functioneren sterk afhankelijk van zijn omgeving. Hij heeft door zijn beperkingen een voortdurend regulerende, structurerende en steunende omgeving nodig. Een goede ondersteuning en begeleiding toegespitst op de verstandelijke beperking is naar verwachting als blijvende prothese noodzakelijk voor een stabiel functioneren van verdachte. Indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht, is gelet op de aanwezige pathologie, de doorwerking en het recidivegevaar vanuit de pathologie, een TBS-maatregel met dwangverpleging aangewezen. Een eerste fase van klinische behandeling zal gevolgd moeten worden door een goede inbedding in een blijvend zorgkader binnen de zorg voor verstandelijk beperkten.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het voortgangsverslag van Reclassering Nederland van 16 september 2019, opgemaakt door [persoon 6] . Hierin wordt geadviseerd om, bij een veroordeling, de TBS-maatregel met voorwaarden om te zetten naar de TBS-maatregel met dwangverpleging.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over.

Verdachte dient op grond van het vorenstaande ter beschikking te worden gesteld en van overheidswege te worden verpleegd, mede aangezien de bewezen geachte feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Omdat de maatschappij moet worden beschermd tegen verdachte en zelfs de eerdere maatregel niet afdoende is gebleken, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de algemene veiligheid van personen op dit moment eist dat de maatregel van terbeschikkingstelling en het daarbij te geven bevel dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd wordt opgelegd. De duur van die maatregel is niet in tijd beperkt. De door verdachte begane misdrijven waren gericht tegen en veroorzaakten gevaar voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De terbeschikkingstelling kan dan ook de duur van vier jaren te boven gaan.

7.3.2

Gevangenisstraf

In aanmerking genomen dat de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht en de strafbaarheid van verdachte niet is uitgesloten, acht de rechtbank naast de TBS-maatregel met dwangverpleging oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen. De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden passend en geboden. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen ruimte voor een lagere gevangenisstraf zoals bepleit door de raadsvrouw. De aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde zou door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend worden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte al eerder voor een verkrachting is veroordeeld.

8 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK Jas (5735636)

2. 1.00 STK Sjaal (5735664)

3. 1.00 STK Rok H&M (5735789)

4. 1.00 STK Zaktelefoon, APPLE IPHONE 6 (5741679)

5. 1.00 STK Zaktelefoon, SAMSUNG S8 (5741682)

6. 1.00 STK Zaktelefoon, NOKIA (5741686)

7. 1.00 STK Creditcard, MASTERCARD (5741711)

8. 1.00 STK Handschoen, THE NORTH FACE (5741701)

9. 1.00 STK Handschoen, FOREST WIND GLO (5741703

10. 1.00 STK Has (5741706)

8.1

Verbeurdverklaring

De voorwerpen onder 4 en 5 behoren aan verdachte toe. Nu met behulp van deze voorwerpen het onder 3 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

8.2

Teruggave

Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen onder 1, 2, 3, 6, 7, 8, 9 en 10 zal een last worden gegeven tot teruggave aan de beslagenen.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 896,83 aan vergoeding van materiële schade en € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is onderbouwd met stukken en rechtspraak. De raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. M.M. de Boer, heeft de vordering op de zitting van 12 juni 2020 nader toegelicht.

9.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig toewijsbaar is, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

9.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien vrijspraak is verzocht. Subsidiair wordt verzocht een aantal posten te matigen, dan wel af te wijzen. Ten aanzien van de immateriële schade wordt verzocht deze te matigen naar € 2.500,- omdat de aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam niet geheel overeenkomt met de onderhavige zaak. Daarnaast wordt verzocht ten aanzien van de materiële kosten de kosten voor de reparatie en het fietsslot in mindering te brengen op de vordering aangezien er geen sprake is van rechtstreekse schade.

9.3

Oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.

De vordering is ten aanzien van de kosten voor reparatie en het fietsslot, te weten € 28,95 betwist. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting verklaard dat zij in eerste instantie een fiets had gekocht die kapot bleek te zijn. Vervolgens heeft zij een andere fiets moeten kopen, nadat zij eerst de reparatie van de eerste fiets heeft moeten betalen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat sprake is van een voldoende rechtstreeks verband met het strafbare feit en zal de vordering tot materiële schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van in totaal € 896,83, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2019.

Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2019.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9.4

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 en 2 bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.896,83 (drieduizend achthonderdzesennegentig euro en drieëntachtig eurocent).

10. Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 2] , wettelijk vertegenwoordigd door [persoon 1] , vordert € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is onderbouwd met rechtspraak. De vordering is door mw. mr. S.L. Speelman op de zitting van 12 juni 2020 nader toegelicht.

10.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu onduidelijk is of er schade is. Het slachtoffer heeft geen weet van het feit en heeft dus niet bewust iets naars meegemaakt. Onduidelijk of en zo ja wat de gevolgen zijn als ze hier in de toekomst mogelijk van hoort.

10.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard aangezien vrijspraak is verzocht en omdat het toekomstige schade betreft.

10.3

Oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer.

De vordering is ter terechtzitting betwist. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partij is ten aanzien van de immateriële schadevergoeding aansluiting gezocht bij hetgeen is overwogen in de ‘Amsterdamse zedenzaak’ door het Hof en de Hoge Raad (ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8885 en ECLI:NL:HR:2014:2668). De benadeelde partij is in zoverre ontvankelijk in de vordering, aangezien dit immateriële schade betreft die door het kind rechtstreeks is geleden door het door verdachte gepleegde feit. Door het maken en bezitten van afbeeldingen van seksuele gedragingen met een kind is inbreuk gemaakt op het recht op het privéleven van het kind dat wordt beschermd in artikel 8 lid 1 van het EVRM. Het op deze grond gevorderde bedrag met als ondergrens € 500,- en bovengrens € 8.000,- komt voor toewijzing in aanmerking. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden dat het gaat om (mogelijke) toekomstige schade en vanwege het feit dat de rechtbank niet het vermoeden heeft dat verdachte het kinderpornografisch materiaal heeft verspreid, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op

€ 500,-.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10.4

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro).

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 240b, 242 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en 2

de meerdaadse samenloop van poging tot verkrachting en diefstal, vooraf gegaan en vergezeld van geweld

ten aanzien van feit 3.

een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele

gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft

bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen en in bezit

hebben

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Verklaart verbeurd:

4. 1.00 STK Zaktelefoon, APPLE IPHONE 6 (5741679)

5. 1.00 STK Zaktelefoon, SAMSUNG S8 (5741682)

Gelast de teruggave aan de beslagenen van:

1. STK Jas (5735636)

2. 1.00 STK Sjaal (5735664)

3. 1.00 STK Rok H&M (5735789)

6. 1.00 STK Zaktelefoon, NOKIA (5741686)

7. 1.00 STK Creditcard, MASTERCARD (5741711)

8. 1.00 STK Handschoen, THE NORTH FACE (5741701)

9. 1.00 STK Handschoen, FOREST WIND GLO (5741703

10. 1.00 STK Has (5741706)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 896,83 (achthonderdzesennegentig euro en drieëntachtig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 3.000,- (drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 3.896,83 (drieduizend achthonderdzesennegentig euro en drieëntachtig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat €500,- (vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. P.L.C.M. Ficq en N.J. Koene, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2020.

1 ECLI:NL:GHAMS:2018:3054