Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3137

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
13/060607-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

14 mnd GEV voor diefstallen en opzetheling meerdere laptops (Macbooks) en telefoons. Mobiel banditisme. Vordering BP: zodanig nauw verband tussen opzetheling en daarvoor gepleegde diefstal dat sprake is van rechtstreekse schade door opzetheling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/060607-20

Datum uitspraak: 25 juni 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1998,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Justitieel Complex [locatie].

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2020. Verdachte was hierbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.E. Woudman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.D. Kupelian, naar voren hebben gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat de benadeelde partij, [persoon 6], en haar raadsman, mr. C.J.B. Rijser naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 29 februari 2020 tot en met 7 maart 2020, samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan diefstal of heling van meerdere laptops, telefoons en tassen van verschillende aangevers.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

3 Inleiding

Op 3 maart 2020 heeft aangever [persoon 1] aangifte gedaan van diefstal van zijn Macbook en oplader. Op het moment van de diefstal was aangever aan het werk in de winkel [naam winkel] in Amsterdam. De laptop en oplader bevonden zich in de personeelsruimte van de winkel, die ook wordt gebruikt als keuken en als magazijn. Van deze diefstal zijn camerabeelden beschikbaar. Op 7 maart 2020 hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], twee mannen zien lopen in de richting van de Prins Hendrikkade. De verbalisanten herkenden de twee mannen direct van de camerabeelden die zij op 3 maart 2020 hebben gezien. Zij zagen dat beide mannen dezelfde kleding droegen als op de beelden. Vervolgens hebben zij om assistentie gevraagd en de mannen staande gehouden. De mannen hadden twee rugzakken bij zich. Nadat de assistentie was gearriveerd en contact op was genomen met de officier van justitie, is besloten om ze, verdachte en medeverdachte [medeverdachte], aan te houden. Na onderzoek naar de rugtassen is gebleken dat verdachte vier laptops in zijn rugzak had. Medeverdachte [medeverdachte] had acht laptops in zijn tas. Onderzoek naar de laptops heeft meerdere eigenaren en dus ook aangiftes opgeleverd. De Macbook van aangever [persoon 1] is ook bij de laptops aangetroffen. Verdachte en medeverdachte hebben de diefstal van de laptop van aangever [persoon 1] bij de politie en bij de rechter-commissaris bekend.

4 Fouten in het vooronderzoek?

4.1

Standpunt van de raadsman

Tijdens het onderzoek zijn onherstelbare fouten gemaakt waardoor het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, of de betrokken bewijsmiddelen van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Er is misbruik gemaakt van de bevoegdheid tot staande houden. De bevoegdheid uit artikel 27 a eerste lid van het wetboek van Strafvordering (Sv) heeft als doel het vaststellen van de identiteit van de verdachte. In dit geval is de bevoegdheid enkel gebruikt om verdachten vast te houden tot assistentie en daardoor is sprake van misbruik van bevoegdheid (détournement de pouvoir). De raadsman heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van het hof
’s-Hertogenbosch van 12 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2472. Indien de rechtbank hier niet in meegaat, moet er tot bewijsuitsluiting worden overgegaan. De raadsman heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van het hof ’s-Hertogenbosch van 27 augustus 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BF8521. Uit deze uitspraak is gebleken dat het enkele feit dat agenten verdachten herkennen van een briefing van drie dagen eerder, onvoldoende is om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Sv. De verbalisanten hadden niet over mogen gaan tot het staande houden van verdachten.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

Het verweer moet worden verworpen. De staande houding heeft plaats gevonden op basis van herkenningen en vervolgens is verdachte buiten heterdaad aangehouden. Er is geen sprake van onregelmatigheden. Hierdoor kan niet worden gesproken van een vormverzuim.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank moet beoordelen of sprake is van vormverzuimen zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Daarvoor is naar vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een geschonden norm, die een belang van verdachte beoogt te beschermen. Die schending moet onherstelbaar zijn en verdachte moet daarvan nadeel hebben ondervonden. Bij de beoordeling welk rechtsgevolg aan dat vormverzuim moet worden verbonden, weegt de rechtbank vervolgens het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim, het nadeel dat daardoor voor verdachte is veroorzaakt en de overige omstandigheden van het geval. Mogelijke (rechts)gevolgen zijn – naast uitsluiting van het bewijs en niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie – strafvermindering, of de enkele constatering van het verzuim.

Staande houding

Uit het proces-verbaal van bevindingen van aanhouding van 7 maart 2020 is gebleken dat de verbalisanten zijn overgegaan tot het staande houden en vervolgens tot het buiten heterdaad aanhouden van verdachte op basis van herkenningen van de camerabeelden van de diefstal op 3 maart 2020. Zij herkenden verdachten onder meer aan hun kleding omdat zij deze kleding ook aanhadden op de beelden van de diefstal op 3 maart. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor wel degelijk sprake is van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Sv waardoor de verbalisanten mochten overgaan tot het staande houden van verdachten. Er is geen sprake van een situatie zoals in de door de raadsman aangehaalde uitspraken. Er is daarom geen sprake van misbruik van bevoegdheden. Het verweer wordt verworpen.

5 Waardering van het bewijs

5.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De ten laste gelegde diefstal in vereniging van de goederen kan op grond van de bewijsmiddelen in het procesdossier worden bewezen. Wel moet verdachte worden vrijgesproken van de diefstal van de Chinese laptop. Het gaat om meerdere diefstallen. Ook al zijn niet van alle diefstallen beelden beschikbaar, het is, gelet op de gebruikte modus operandi en het schakelbewijs in de zaken waar die beelden wel beschikbaar zijn, duidelijk dat deze goederen ook door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn gestolen.

5.2

Standpunt van de verdediging

Gelet op het onder 4 gevoerde verweer met betrekking tot het vormverzuim, moet vrijspraak volgen wegens gebrek aan bewijs. Indien de rechtbank daar anders over denkt, is in die gevallen waar geen camerabeelden beschikbaar zijn, onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring van diefstal te komen.

5.3

Oordeel van de rechtbank

Diefstallen

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] goederen heeft gestolen van aangevers [persoon 2], [persoon 1], [persoon 3], [persoon 4] en [persoon 5]. Van deze diefstallen is aangifte gedaan en de laptops en de telefoon zijn in de rugtassen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen. Ook zijn van deze diefstallen camerabeelden beschikbaar en op basis van die beelden zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte] door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] herkend. Verdachte heeft daarnaast bekend de diefstal van goederen van aangever [persoon 1] te hebben gepleegd. Omdat de tassen van [persoon 4] en [persoon 5] beiden op hetzelfde moment van het voetbalveld zijn gestolen, is de rechtbank in dit geval van oordeel dat bij die twee laptops sprake is geweest van één wilsbesluit, oftewel voortgezette handeling van diefstal. Dit betekent dat de rechtbank uitgaat van vier diefstallen.

Opzetheling

Daarnaast heeft verdachte zich samen met medeverdachte schuldig gemaakt aan opzetheling van goederen van aangevers [persoon 6], [persoon 7], [persoon 8], [persoon 9], [persoon 10], [persoon 11], [persoon 12], [persoon 13] en [persoon 14]. De aangevers hebben aangifte gedaan van diefstal van (hun tassen met) goederen. De laptops, de iPad en de telefoons zijn aangetroffen in de rugtassen van verdachte en medeverdachte. In deze gevallen kan geen diefstal bewezen worden verklaard wegens gebrek aan bewijs. Wel vindt de rechtbank dat opzetheling bewezen kan worden verklaard en dat verdachte en medeverdachte wisten dat zij goederen voorhanden hadden die van diefstal afkomstig zijn. Uit de verhoren van verdachte en medeverdachte bij de politie en bij de rechter-commissaris is gebleken dat zij wisselend hebben verklaard over de aankoopbedragen van de goederen. Zo is 800 euro genoemd als prijs die is betaald voor alle elektronische goederen. Ook is 1200 euro en 270 euro genoemd. Door medeverdachte [medeverdachte] is bij de politie verklaard dat één laptop tussen de 50 en 150 euro heeft gekost. Deze bedragen staan niet in een enigszins redelijke verhouding tot de waarde van de goederen. Verdachte heeft desgevraagd geen enkele nadere uitleg willen geven over hoe hij en zijn medeverdachte aan de goederen zijn gekomen. De rechtbank oordeelt daarom dat het niet anders kan dan dat zij wisten gestolen goederen voorhanden te hebben.

Verdachte wordt vrijgesproken van het onderdeel dat ziet op diefstal of heling van de laptop met serienummer [serienummer] omdat dit de laptop is van aangever [persoon 9] waardoor één gedraging twee keer ten laste is gelegd (ne bis in idem-beginsel).

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

in de periode van 29 februari 2020 tot en met 7 maart 2020 te Amsterdam, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander, meerdere goederen en tassen en laptops en telefoons, te weten

- een tas met inhoud, waaronder een Macbook Pro, van [persoon 2], en

- een Apple Macbook van [persoon 1], en

- een Apple Macbook Air van [persoon 3], en

- een tas met inhoud, waaronder een iPhone en een Toshiba Notebook van [persoon 4] en

- een tas met inhoud, waaronder een laptop Dell van [persoon 5] en 100 euro,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen

en

in de periode van 29 februari 2020 tot en met 7 maart 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, goederen, te weten

- een Macbook van [persoon 6], en

- een Macbook van [persoon 7], en

- een Macbook air Notebook van [persoon 8], en

- een Apple Macbook van [persoon 9], en

- een iPad pro van de echtgenoot van [persoon 10], en

- een iPhone van [persoon 11] en

- een Macbook van [persoon 12], en

- een laptop van [persoon 13], en

- een Sony Experia mobiele telefoon van [persoon 14],

voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader telkens ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 Bewijs

Dit vonnis betreft een zogenaamd verkort vonnis. De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld

8 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

9 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10 Motivering van de straf

10.1

Eis van de officier van justitie

Verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden voor de ten laste gelegde diefstallen.

10.2

Strafmaatverweer van de verdediging

Er moet een straf worden opgelegd gelijk aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten. Mocht de rechtbank dat onvoldoende vinden dan moet het strafdeel dat langer is dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten voorwaardelijk worden opgelegd.

10.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich in een zeer korte periode van zo’n tien dagen, samen met medeverdachte [medeverdachte] op zeer brutale wijze schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen van tassen met persoonlijke goederen. Bij deze strooptocht zijn veel waardevolle items gestolen. Ook heeft verdachte zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan opzetheling van dezelfde soort waardevolle en persoonlijke spullen. Het gaat dan vooral om Macbooks, laptops en telefoons die in de hedendaagse samenleving van zeer grote waarde zijn, gelet op de persoonlijke informatie die hierop wordt opgeslagen en de essentiële noodzaak hiervan voor studie gerelateerde of professionele werkzaamheden. Dit soort feiten brengt dan ook, naast veel ergernis en geregel, veel schade toe aan de slachtoffers die gedwongen worden in korte tijd een nieuwe laptop of telefoon aan te schaffen. Daarnaast speelt mee dat de op deze apparatuur opgeslagen informatie, veelal van grote persoonlijke waarde, verloren kan gaan, hetgeen ook gevolgen kan hebben voor studie- en werkprestaties. Verdachte heeft zich totaal niet bekommerd om de gevolgen voor de veelal kwetsbare slachtoffers, zoals jonge scholieren en studenten. Hij heeft enkel en alleen gehandeld uit eigengewin. Verdachte en zijn mededader zijn bij het plegen van de diefstallen steeds geraffineerd te werk gegaan. Zo is gebruik gemaakt van afleidingsmanoeuvres, is één van hen op de uitkijk gaan staan en is gewacht op momenten van onoplettendheid van de eigenaren. Dat ook is gestolen van kinderen die tijdens hun schoolpauze aan het voetballen waren, toont voor de rechtbank de brutaliteit van het handelen aan. Deze diefstallen vertonen duidelijk kenmerken van wat het Openbaar Ministerie mobiel banditisme noemt.1 Bij mobiel banditisme is sprake van het doelbewust in georganiseerd verband in korte tijd plegen van diefstallen van verhandelbare goederen, die niet bestemd zijn voor eigen gebruik, maar bedoeld om vervolgens in het buitenland te verkopen. Er is sprake van een professionele handelwijze. Deze vorm van zakkenrollerij is daardoor, gelet op de ernst en de omvang, niet te vergelijken met normale zakkenrollerij. De rechtbank bestraft het bewezenverklaarde dan ook zwaarder.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten in Nederland. Dit strafblad geeft dus geen reden tot een hogere of lagere straf.

Strafverzwarend weegt mee dat sommige diefstallen zijn gepleegd in onoverzichtelijke ruimtes en er studenten en scholieren, kwetsbare slachtoffers, bij betrokken zijn. Ook weegt strafverzwarend mee dat sprake is van medeplegen bij de opzetheling en dat zowel bij de diefstallen als bij de opzetheling sprake is van zeer waardevolle spullen. Tot slot weegt de rechtbank ook de proceshouding van verdachte mee. Verdachte heeft nauwelijks openheid van zaken willen geven.

De rechtbank is van oordeel dat een flinke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank zoekt bij de op te leggen straf aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en houdt rekening met de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarbij neemt de rechtbank drie maanden gevangenisstraf per diefstal als uitgangspunt en twee maanden voor de opzetheling. Voor een voorwaardelijk deel ziet de rechtbank geen aanleiding.

De rechtbank legt verdachte alles afwegend dus een gevangenisstraf van veertien maanden op.

11 Vorderingen van de benadeelde partijen

11.1

Vordering van [persoon 3]

De benadeelde partij, [persoon 3], vordert € 1.170,16 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze schade bestaat uit € 1.070,16 aan materiële schade en € 100,- aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft bepleit dat het niet nodig is geweest om een nieuwe laptop aan te schaffen. De laptop die is aangetroffen bij verdachte en medeverdachte is teruggegeven aan de benadeelde partij. Daarom had de nieuw aangeschafte laptop ook kunnen worden geretourneerd. De rechtbank begrijpt dat de raadsman erop doelt dat geen sprake is van rechtstreekse schade waardoor de vordering die ziet op de aanschafkosten voor een nieuwe laptop moeten worden afgewezen.

De rechtbank oordeelt het volgende. Het staat vast dat aan de benadeelde partij door de bewezenverklaarde diefstal rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat een laptop in de huidige tijd van onmisbare waarde kan zijn en dat het bezit en gebruik hiervan voor studie of professionele werkzaamheden vaak noodzakelijk is. De rechtbank vindt het daarom aannemelijk dat de benadeelde partij na de diefstal meteen een nieuwe laptop heeft moeten kopen. Er is dus ook sprake van rechtstreekse schade. Doordat de laptop is gestolen, heeft de benadeelde partij een nieuwe laptop moeten kopen. Dat de gestolen laptop later is teruggevonden en teruggegeven, maakt dat niet anders. De schade is geleden.

[persoon 3] heeft zich als gevolg van de diefstal ziek gemeld. Op basis van de door [persoon 3] overgelegde salarisspecificatie van maart 2020 stelt de rechtbank de schade als gevolg van inhouding wachturen vast op een bedrag van € 89,76. De rechtbank is van oordeel dat de vordering die ziet op het ziektegeld ad € 22,42 niet kan worden afgeleid uit genoemde salarisspecificatie. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van deze kosten niet-ontvankelijk in de vordering.

De benadeelde partij wordt daarnaast niet-ontvankelijk verklaard in de vordering ten aanzien van de immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij heeft aangegeven paniek, gevoelens van onveiligheid en vertrouwensproblemen te hebben ervaren. Ook heeft hij twee keer een therapeut bezocht. Voor het aannemen van psychisch leed moet aannemelijk worden gemaakt dat er sprake is van geestelijk letsel. Enkel psychisch onbehagen is geen geestelijk letsel als bedoeld in de wet. Geestelijk letsel kan in een rapportage worden vastgesteld door een deskundige. Door de benadeelde partij zijn geen stukken van een deskundige bijgevoegd ter onderbouwing van het door hem gestelde letsel. De vordering is daarom onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij kan zich eventueel wenden tot de burgerlijk rechter.

De rechtbank wijst de vordering daarom gedeeltelijk toe, voor een bedrag van € 1.047,74 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2020, het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarbij geldt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] beiden hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. Dit betekent dat zij samen, en ieder afzonderlijk, verantwoordelijk zijn voor het betalen van het totaalbedrag en dat zij hier dus ook afspraken over kunnen maken.

De rechtbank zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen als extra waarborg voor betaling. De rechtbank verklaart verdachte ook hiervoor hoofdelijk aansprakelijk.

11.2

Vordering van [persoon 12]

De benadeelde partij, [persoon 12], vordert € 2.077,71 aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft ook hier bepleit dat het niet nodig is geweest om een nieuwe laptop aan te schaffen. De laptop die is aangetroffen bij verdachte en medeverdachte is teruggegeven aan de benadeelde partij. Daarom had de nieuw aangeschafte laptop ook kunnen worden geretourneerd. De rechtbank begrijpt dat de raadsman erop doelt dat geen sprake is van rechtstreekse schade waardoor de vordering die ziet op de aanschafkosten voor een nieuwe laptop moeten worden afgewezen.

De rechtbank oordeelt het volgende. Het staat vast dat aan de benadeelde partij doordat haar tas met spullen is gestolen, rechtstreekse schade is toegebracht. Omdat de rechtbank in dit geval geen diefstal bewezen heeft verklaard, maar de ten laste gelegde opzetheling, is het de vraag of ook bij de opzetheling sprake is van rechtstreekse schade. De concrete omstandigheden van het geval zijn volgens de Hoge Raad bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door die helingshandeling rechtstreeks schade heeft geleden (ECLI:NL:HR:1998:ZD0985).

De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde opzetheling van de laptop en de kort daarvoor gepleegde diefstal daarvan in zodanig nauw verband staan tot elkaar dat de door verdachte gepleegde opzetheling rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt. Een laptop wordt in de huidige tijd van onmisbare waarde geschat en het bezit en gebruik hiervan voor studie of professionele werkzaamheden is noodzakelijk. De rechtbank vindt het daarom aannemelijk dat de benadeelde partij na de diefstal meteen een nieuwe laptop heeft moeten kopen. Dat de gestolen laptop door verdachte is geheeld en later is teruggevonden en teruggegeven, maakt dat niet anders. De schade is door de benadeelde partij geleden.

Dit is anders ten aanzien van de andere schadeposten. De kosten voor de aanschaf van een nieuwe rugtas, agenda en USB-stick leveren geen rechtstreeks geleden schade door de bewezenverklaarde opzetheling van de laptop. Deze schade is wel geleden door de diefstal van de rugtas, maar dat is in dit geval niet bewezenverklaard. Omdat deze spullen ook niet bij verdachte zijn aangetroffen en dus niet zijn geheeld, kan niet van een zodanig nauw verband worden gesproken waardoor sprake is van rechtstreekse schade. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van deze kosten daarom af.

De rechtbank wijst de vordering daarom gedeeltelijk toe voor het deel dat ziet op de aanschaf van een nieuwe laptop, voor een bedrag van € 1.967,99, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2020, het moment waarop de schade is ontstaan. Verdachte is hiervoor hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal daarnaast hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen als extra waarborg voor betaling.

11.3

Vordering van [persoon 7]

De benadeelde partij, [persoon 7], vordert € 1.900,23 aan materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft ook hier bepleit dat het niet nodig is geweest om een nieuwe laptop aan te schaffen. De laptop die is aangetroffen bij verdachte en medeverdachte is teruggegeven aan de benadeelde partij. Daarom had de nieuw aangeschafte laptop ook kunnen worden geretourneerd. De rechtbank begrijpt dat de raadsman erop doelt dat geen sprake is van rechtstreekse schade waardoor de vordering die ziet op de aanschafkosten voor een nieuwe laptop moeten worden afgewezen.

De rechtbank oordeelt het volgende. Het staat vast dat aan de benadeelde partij doordat haar tas met spullen is gestolen, rechtstreekse schade is toegebracht. Omdat de rechtbank in dit geval geen diefstal bewezen heeft verklaard, maar de ten laste gelegde opzetheling, is het de vraag of ook bij de opzetheling sprake is van rechtstreekse schade. De concrete omstandigheden van het geval zijn volgens de Hoge Raad bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door die helingshandeling rechtstreeks schade heeft geleden (ECLI:NL:HR:1998:ZD0985).

De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde opzetheling van de laptop en de kort daarvoor gepleegde diefstal daarvan in zodanig nauw verband staan tot elkaar dat de door verdachte gepleegde opzetheling rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt. Een laptop wordt in de huidige tijd van onmisbare waarde geschat en het bezit en gebruik hiervan voor studie of professionele werkzaamheden is noodzakelijk. De rechtbank vindt het daarom aannemelijk dat de benadeelde partij na de diefstal meteen een nieuwe laptop heeft moeten kopen. Dat de gestolen laptop door verdachte is geheeld en later is teruggevonden en teruggegeven, maakt dat niet anders. De schade is door de benadeelde partij geleden.

Dit is anders ten aanzien van de andere schadeposten. De kosten voor de aanschaf van een nieuwe hoes, harde schijf en € 50,- leveren geen rechtstreeks geleden schade door de bewezenverklaarde opzetheling van de laptop. Deze schade is wel geleden door de diefstal van de rugtas, maar dat is in dit geval niet bewezenverklaard. Omdat deze spullen ook niet bij verdachte zijn aangetroffen en dus niet zijn geheeld, kan niet van een zodanig nauw verband worden gesproken waardoor sprake is van rechtstreekse schade. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van deze kosten daarom af.

De rechtbank wijst de vordering daarom gedeeltelijk toe voor het deel dat ziet op de aanschaf van een nieuwe laptop, voor een bedrag van € 1.644,39, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2020, het moment waarop de schade is ontstaan. Verdachte is hiervoor hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal daarnaast hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen als extra waarborg voor betaling.

11.4

Vordering van [persoon 6]

De benadeelde partij, [persoon 6], vordert € 3.989,40 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze schade bestaat uit € 3.389,40 aan materiële schade en € 600,- aan immateriële schade. Daarnaast heeft de benadeelde partij gevorderd dat de door haar gemaakte proceskosten worden vergoed, voor een bedrag van € 290,40.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering ten aanzien van de materiële schade toe te wijzen, verminderd met een afschrijvingspercentage van 25% en vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij moet ten aanzien van de immateriële schade (al dan niet gedeeltelijk) niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard omdat onvoldoende is onderbouwd dat psychisch letsel door het strafbare feit is veroorzaakt.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade die ziet op de Louis Vuitton tas en de Louis Vuitton portemonnee, niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat deze schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd. De raadsman heeft zich ten aanzien van de overige materiële schade, de immateriële gelede schade en ten aanzien van de gemaakte proceskosten, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank oordeelt het volgende. Het staat vast dat aan de benadeelde partij doordat haar tas met spullen is gestolen, rechtstreekse schade is toegebracht. Omdat de rechtbank in dit geval geen diefstal bewezen heeft verklaard, maar de ten laste gelegde opzetheling, is het de vraag of ook bij de opzetheling sprake is van rechtstreekse schade. De concrete omstandigheden van het geval zijn volgens de Hoge Raad bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen de helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door die helingshandeling rechtstreeks schade heeft geleden (ECLI:NL:HR:1998:ZD0985).

De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde opzetheling van de laptop en de kort daarvoor gepleegde diefstal daarvan in zodanig nauw verband staan tot elkaar dat de door verdachte gepleegde opzetheling rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt. Een laptop wordt in de huidige tijd van onmisbare waarde geschat en het bezit en gebruik hiervan voor studie of professionele werkzaamheden is noodzakelijk. Dat de gestolen laptop door verdachte is geheeld en later is teruggevonden en teruggegeven, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft op grond van hetgeen is aangevoerd door de benadeelde partij en door haar raadsman geen reden om te twijfelen aan de verklaring dat de laptop stuk is en ziet hetgeen zij hebben aangevoerd als voldoende onderbouwing. Benadeelde partij heeft daarom schade geleden.

Dit is anders ten aanzien van de andere schadeposten. De schadeposten die zien op de Louis Vuitton tas en de Louis Vuitton portemonnee leveren geen rechtstreeks geleden schade door de bewezenverklaarde opzetheling van de laptop. Deze schade is wel geleden door de diefstal van de tas met inhoud, maar dat is in dit geval niet bewezenverklaard. Omdat deze spullen ook niet bij verdachte zijn aangetroffen en dus niet zijn geheeld, kan niet van een zodanig nauw verband worden gesproken waardoor sprake is van rechtstreekse schade. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van deze kosten daarom af.

De rechtbank wijst de vordering daarom gedeeltelijk toe voor het deel dat ziet op de kosten van de laptop, verminderd met een afschrijvingspercentage van 25%, voor een bedrag van € 899,25 (€ 1.199 maal 0,75), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 maart 2020, het moment waarop de schade is ontstaan. Verdachte is hiervoor hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal daarnaast hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen als extra waarborg voor betaling.

Ten aanzien van de gevorderde proceskosten oordeelt de rechtbank dat kosten van rechtsbijstand in aanmerking komen voor vergoeding op grond van artikel 592a Sv. Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De kosten worden aan de hand van het liquidatietarief (begroot conform het ‘Salarissen in rolzaken kanton’), uitgaande van de hoogte van de vordering, bepaald op € 400,- (twee punten à € 200,-, waarvan één voor het opstellen en indienen van het voegingsformulier en één voor de behandeling ter zitting). De rechtbank verklaart verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ook ten aanzien van deze kosten hoofdelijk aansprakelijk.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 56, 57, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

voortgezette handeling van diefstal door twee of meer verenigde personen

en

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

en

medeplegen van opzetheling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Vordering benadeelde partij [persoon 3]:

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [persoon 3] tot een bedrag van € 1.047,74 (duizendzevenenveertig euro en vierenzeventig cent) aan vergoeding, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 29 februari 2020, het moment dat de schade is ontstaan tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.

Verklaart verdachte met medeverdachte [medeverdachte] hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van het toegewezen bedrag. Verdachte moet het bedrag betalen, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten die al door de benadeelde partij zijn gemaakt en voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen worden gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [persoon 3], aan de Staat
€ 1.047,74 (duizendzevenenveertig euro en vierenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 29 februari 2020, het moment dat de schade is ontstaan tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald, te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Wanneer er niet kan worden betaald, kan gijzeling worden toegepast voor 20 dagen. Toepassing van die gijzeling maakt niet dat de betalingsverplichting komt te vervallen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [persoon 12]:

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [persoon 12] tot een bedrag van € 1.967,99 (negentienhonderdzevenenzestig euro en negenennegentig cent) aan vergoeding, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 maart 2020, het moment dat de schade is ontstaan tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.

Verklaart verdachte met medeverdachte [medeverdachte] hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van het toegewezen bedrag. Verdachte moet het bedrag betalen, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten die al door de benadeelde partij zijn gemaakt en voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen worden gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [persoon 12], aan de Staat € 1.967,99 (negentienhonderdzevenenzestig euro en negenennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 maart 2020, het moment dat de schade is ontstaan tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald, te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Wanneer er niet kan worden betaald, kan gijzeling worden toegepast voor 29 dagen. Toepassing van die gijzeling maakt niet dat de betalingsverplichting komt te vervallen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [persoon 7]:

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [persoon 7] tot een bedrag van € 1.644,39 (zestienhonderdvierenveertig euro en negenendertig cent) aan vergoeding, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 maart 2020, het moment dat de schade is ontstaan tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.

Verklaart verdachte met medeverdachte [medeverdachte] hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van het toegewezen bedrag. Verdachte moet het bedrag betalen, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten die al door de benadeelde partij zijn gemaakt en voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen worden gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [persoon 7], aan de Staat
€ 1.644,39 (zestienhonderdvierenveertig euro en negenendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 maart 2020, het moment dat de schade is ontstaan tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald, te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Wanneer er niet kan worden betaald, kan gijzeling worden toegepast voor 26 dagen. Toepassing van die gijzeling maakt niet dat de betalingsverplichting komt te vervallen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Vordering benadeelde partij [persoon 6]:

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [persoon 6] tot een bedrag van € 899,25 (achthonderdnegenennegentig euro en negenendertig cent) aan vergoeding, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 maart 2020, het moment dat de schade is ontstaan tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.

Verklaart verdachte met medeverdachte [medeverdachte] hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van het toegewezen bedrag. Verdachte moet het bedrag betalen, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten die al door de benadeelde partij zijn gemaakt en voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen worden gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige materieel gevorderde af.

Verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het immaterieel gevorderde niet-ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van kosten door de benadeelde partij gemaakt ten aanzien van de proceskosten, te weten € 400,- (vierhonderd euro).

Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [persoon 6], aan de Staat € 899,25 (achthonderdnegenennegentig euro en negenendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 maart 2020, het moment dat de schade is ontstaan tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald, te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Wanneer er niet kan worden betaald, kan gijzeling worden toegepast voor 17 dagen. Toepassing van die gijzeling maakt niet dat de betalingsverplichting komt te vervallen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P. Bleeker, voorzitter,

mrs. A. Fase en E.J. Weller, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2020.

[... 1]

1 Zie de richtlijn voor strafvordering mobiel banditisme (2019R010), online te raadplegen via https://wetten.overheid.nl/BWBR0042162/2019-05-01#Circulaire.divisie_2.