Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3135

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2136 en AWB - 20_2819
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De gemeente Amsterdam mocht een urgentieverklaring weigeren voor een moeder met drie kinderen, die had aangegeven ernstige gezondheidsklachten te hebben sinds er zendmasten geplaatst zijn op het dak van haar flat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 20/2136 (voorlopige voorziening) en AMS 20/2819 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster en eiseres, hierna: verzoekster

(gemachtigde: mr. S.S.M. van Beek),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn).

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een urgentieverklaring afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 11 mei 2020 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Vanwege de maatregelen rondom het coronavirus heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 17 juni 2020 via een videoverbinding. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Aanleiding van deze procedure

2. Verzoekster is een alleenstaande vrouw van 37 jaar met drie kinderen. Verzoekster woont sinds 2016 samen met haar kinderen in een vierkamerwoning op het adres [adres] , een woning met lift. Verzoekster heeft het gebruik van een lift nodig vanwege beperkte mobiliteit wegens de neurologische aandoening multiple sclerosis. Op 6 december 2019 heeft verzoekster een urgentieverklaring aangevraagd, omdat zij en haar zoontje ernstige gezondheidsklachten ervaren sinds er nieuwe zendmasten op het dak van de flat zijn geplaatst.

3. Met het besluit van 26 maart 2020 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster afgewezen, omdat er geen sprake is van een acuut woonprobleem. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

4. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de Geneeskundige en Gezondheidsdienst Amsterdam (GGD) om advies gevraagd. De GGD-arts concludeert op 1 mei 2020 dat gezien de onduidelijkheid over de relatie tussen de zendmast en de klachten van verzoekster er op basis van de beschikbare gegevens geen grond is gevonden voor een indicatie voor een medische verhuisurgentie.

Standpunt van verweerder

5. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verzoekster heeft volgens verweerder geen urgent huisvestingsprobleem, omdat zij sinds 2016 de beschikking heeft over een geschikte woonruimte. Er is ook geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem door een medische oorzaak. Uit het door de GGD uitgebrachte advies van 1 mei 2020 komt naar voren dat er uit de medische informatie geen medische objectiveerbare verklaring kan worden gevonden voor de klachten van verzoekster. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule. Uit de beschikbare informatie van de Rijksoverheid over het 5G netwerk (voor zover dit is uitgerold) blijkt dat er geen gezondheidsschade te verwachten valt. Dit geldt ook voor de 3G en 4G netwerken. Dat verzoekster nadelige gevolgen ervaart rechtvaardigt geen toepassing van de hardheidsclausule, aldus verweerder.

Standpunt van verzoekster

6. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door haar ervaren problemen geen acuut huisvestingsprobleem opleveren. In september 2019 zijn er zendmasten/antennes boven haar woning geplaatst en als gevolg hiervan ondervindt zij medische klachten. Het GGD-advies van 1 mei 2020 geeft volgens verzoekster een veel genuanceerder beeld. Uit dit advies volgt volgens haar dat er nog veel onduidelijk is over het syndroom elektrische hypersensitiviteit. Dat de GGD daarom niet tot een positief advies kan komen wil niet zeggen dat er geen verband kan zijn en dat deze aandoening in zijn geheel niet zou bestaan. Er is -simpelweg- hierover te weinig bekend. Verweerder had haar het voordeel van de twijfel moeten geven en een urgentieverklaring moeten verlenen. Verder heeft verzoekster aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen urgentieverklaring kan worden verleend op grond van de hardheidsclausule. Verweerder miskent de ernst van de problemen die verzoekster ondervindt. Haar hele leven is ontwricht. Er wordt geen recht gedaan aan de problemen die zij ervaart. Ook heeft verweerder volgens verzoekster bij de besluitvorming niet kenbaar rekening gehouden met de belangen van het kind. Haar kinderen zijn voor hun welbevinden en gezondheid afhankelijk van haar en ook voor wat betreft het hebben van een dak boven het hoofd. Verweerder heeft zich volgens verzoekster er onvoldoende van vergewist wat de afwijzing van de urgentieaanvraag voor gevolgen heeft voor haar en haar kinderen.

Is er aanleiding voor een urgentieverklaring op medische gronden?

7.1.

Aan verweerder komt bij de aan hem verleende bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring beoordelings- en beleidsruimte toe. Dit leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend moet toetsen. Het beleid in de gemeente Amsterdam is zeer strikt in het toekennen van voorrang op andere woningzoekenden. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft geoordeeld, is het restrictieve beleid dat verweerder in dat kader voert niet onredelijk.1 Het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring in relatie tot het geringe aantal beschikbare woningen is daarbij doorslaggevend.

7.2.

Niet is in geschil dat verzoekster sinds 2016 met haar drie kinderen in een vierkamerwoning woont. Dit betekent dat sprake is van een algemene weigeringsgrond.2

Maar omdat de aanvraag van verzoekster ook ziet op een urgentieverklaring op medische gronden, heeft verweerder de GGD om een medisch advies gevraagd.

7.3.

Niet is in geschil dat op het dak van het wooncomplex waar verzoekster woont antennes en masten van telecomproviders staan die straling afgeven. Uit metingen, verricht door drie verschillende bedrijven, blijkt dat het stralingsniveau (ver) onder de Nederlandse norm ligt.

7.4.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een bestuursorgaan, als door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, dit advies mag betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, mits het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.3 Hiervan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake. Uit het GGD-advies blijkt dat de GGD-arts de aangeleverde medische en overige informatie heeft bestudeerd en intercollegiaal heeft besproken. Uit deze informatie komt naar voren dat verzoekster elektrische hypersensitiviteit ervaart na aanleg van een (5G) zendmast op het dak van haar woning. De GGD-arts concludeert dat uit de overgelegde medische informatie naar voren komt dat geen duidelijke, medisch objectiveerbare verklaring kan worden gevonden voor haar klachten. Over het syndroom elektrische hypersensitiviteit zijn geen wetenschappelijk onderbouwde adviezen en richtlijnen voorhanden. Mogelijk is een en ander stress gerelateerd. De GGD-arts heeft de beschikbare medische informatie in zijn beoordeling betrokken en op basis daarvan geconcludeerd dat er geen grond is gevonden voor een indicatie voor een medische verhuisurgentie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht verweerder het bestreden besluit voor wat betreft de medische situatie van verzoekster baseren op het GGD-advies en heeft verweerder op basis daarvan kunnen besluiten om geen urgentieverklaring om medische redenen te verstrekken. De omstandigheid dat over het syndroom elektrische hypersensitiviteit geen wetenschappelijk onderbouwde adviezen en richtlijnen voorhanden zijn maakt niet dat aan verzoekster het voordeel van de twijfel had moeten worden gegeven door haar een urgentieverklaring te verlenen.

Is er aanleiding voor een urgentieverklaring op grond van de hardheidsclausule?

8.1.

Op grond van de hardheidsclausule is verweerder, indien toepassing van de Huisvestingsverordening 2016 zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien weigering daarvan leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.4 Ook bij de besluitvorming omtrent de toepassing van de hardheidsclausule komt verweerder beoordelings- en beleidsruimte toe, waardoor de voorzieningenrechter het bestreden besluit ook op dit punt terughoudend dient te toetsen. Een beroep op de hardheidsclausule kan slechts bij uitzondering slagen, waarbij het aan verzoekster is om aannemelijk te maken dat er sprake is van omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule nopen.

8.2.

De voorzieningenrechter gaat er van uit dat verzoekster zich in een lastige situatie bevindt, gelet op de door verzoekster ervaren problemen. De door verzoekster geschetste omstandigheden zijn echter niet dusdanig schijnend of bijzonder, dat verweerder op grond van de hardheidsclausule moest afwijken van het beleid en gehouden was alsnog een urgentieverklaring te verstrekken. Daarbij komt dat de door verzoekster aangevoerde gronden al zijn beoordeeld bij de beantwoording van de vraag of verzoekster in een urgentiecategorie valt. Verweerder heeft ook voldoende rekening gehouden met de belangen van haar kinderen. De kinderen gaan alle drie naar school, wonen bij hun moeder (verzoekster) in een grote vierkamerwoning en zij zijn niet bekend met ernstige medische klachten of andere problemen.

Conclusie

9. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wijst de voorzieningenrechter af, omdat bij deze uitspraak op het beroep wordt beslist.

10. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.G.J. Geerlings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:628.

2 Artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening 2016.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2204.

4 Artikel 2.6.11, eerste lid, van de Huisvestingsverordening 2016.