Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3114

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3286
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De gemeente Amsterdam moet een man die een bijstandsaanvraag heeft gedaan alvast een voorschot betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/3286

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.A. van Hoof),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: J. ten Hoope).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en besluitvorming

1. Verzoeker heeft eerder op 17 maart 2020 een aanvraag gedaan om een bijstandsuitkering. Bij besluit van 15 april 2020 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat verzoeker geen volledige inlichtingen heeft gegeven zoals bedoeld in artikel 17 van de Participatiewet (Pw). Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze procedure is bekend onder zaaknummer AMS 20/2541.

1.1.

Verzoeker heeft op 24 april 2020 het formulier ‘verzoek om een briefadres’ ingediend bij verweerder. Op het formulier heeft verzoeker ingevuld dat hij twee dagen per week verblijft op het adres [adres 1] en vijf dagen per week op het adres [adres 2] . Hij vermeldt daarbij dat hij zich vanwege fiscale redenen niet kan inschrijven op bovenstaande adressen.

1.2.

Op 29 april 2020 heeft verzoeker nogmaals een aanvraag gedaan om een bijstandsuitkering. Bij zijn aanvraag heeft verzoeker als verblijfadres opgegeven: [adres 2] , alwaar hij samen met [naam] woont. Hij heeft daarbij vermeld dat zij de kosten van de huur, vaste lasten en boodschappen niet delen, dat zij niet samen eten en dat zij de taken van het huishouden niet verdelen of samen doen. Als postadres heeft verzoeker opgegeven: [adres 1] .

1.3.

Naar aanleiding van verzoekers aanvraag is verweerder een onderzoek gestart naar de juistheid van de door verzoeker verstrekte gegevens. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de rapporten van 6 mei 2020 en 20 mei 2020. In het rapport is verwezen naar een telefoongesprek van 9 april 2020 tussen verweerder en de heer [naam] waarin de heer [naam] zou hebben verklaard dat verzoeker bij hem logeert, dat het klopt dat aan hem betalingen zijn gedaan, dat deze betalingen een tegemoetkoming zijn voor de kosten van levensonderhoud, dat zij samen eten, dat verzoeker geen huurcontract heeft en dat verzoeker nog wel even mag blijven. Uit dit telefoongesprek leidt verweerder af dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Verder is gebleken dat de opgave van verzoeker dat hij niets deelt met de heer [naam] niet strookt met de overgelegde bankafschriften, waarop overschrijvingen te zien zijn naar de rekening van de heer [naam] .

2. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen, omdat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Gebleken is dat verzoeker een gezamenlijke huishouding voert met de heer [naam] , bij wie hij in huis woont.

3. Verzoeker voert aan dat hij een spoedeisend belang heeft omdat hij niet beschikt over middelen om in zijn bestaan te voorzien. Ten onrechte wordt hem verweten dat hij onvoldoende informatie heeft verstrekt over zijn gezamenlijke huishouding. Hij heeft immers uit eigen beweging alle bankafschriften en andere documenten verstrekt en hem is nooit gevraagd om andere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft niet gemotiveerd waaruit blijkt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Hij betwist dit dan ook. Aan het telefoongesprek van 9 april 2020 tussen verweerder en de heer [naam] kan niet de waarde worden gehecht die verweerder er aan geeft. Dit omdat de telefoonnotitie niet op ambtseed is opgemaakt en ook niet eerder is opgenomen in een rapport dat op ambtseed is opgemaakt. Evenmin is duidelijk geworden welke vragen precies zijn gesteld tijdens het telefoongesprek. Hij verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van beroep (CRvB) van 8 januari 2013.1 Er is verder nooit met verzoeker gesproken over een mogelijke gezamenlijke huishouding en er is ook geen huisbezoek afgelegd. Het is hem niet duidelijk waaruit het onderzoek heeft bestaan. Bovendien is de omstandigheid dat verzoeker wel eens samen eet met de heer [naam] te duiden als een sociale activiteit en niet als een element van zorg. Hij verwijst naar uitspraken van de Centrale Raad van 8 maart 20162 en 9 juli 2019.3 Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft verzoeker nog een verklaring van de heer [naam] van 20 mei 2020 en afschriften van zijn creditcardrekening overgelegd.

Beoordeling voorzieningenrechter

4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

5. De voorzieningenrechter overweegt dat de in dit geding te beoordelen periode loopt van 29 april 2020 (datum melding) tot en met 20 mei 2020 (datum afwijzing aanvraag).

6. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Pw is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.

7. Niet in geschil is dat verzoeker en de heer [naam] in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

8. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

8.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de afgelegde verklaringen van de heer [naam] tijdens het telefoongesprek van 9 april 2020, zoals neergelegd in rechtsoverweging 1.3., onvoldoende om te oordelen dat verzoeker en de heer [naam] wederzijdse zorg voor elkaar dragen. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat de omstandigheid dat verzoeker en de heer [naam] (mogelijk) samen wel eens eten volgens vaste rechtspraak4 te duiden is als een sociale activiteit en niet als een element van zorg. Daarbij blijkt uit de ingebrachte bankafschriften over de periode van 29 januari 2020 tot en met 29 april 2020 dat verzoeker op 29 januari 2020, 12 februari 2020, 25 februari 2020 en 29 maart 2020 verschillende bedragen heeft overgemaakt naar de heer [naam] . De overmakingen zien dan ook op de periode van 29 januari 2020 tot en met 29 maart 2020 en dus niet op de te beoordelen periode van 29 april 2020 tot en met 20 mei 2020. Anders dan verweerder heeft geoordeeld, leidt de voorzieningenrechter hieruit af dat verzoeker op de datum van melding, te weten 29 april 2020, over dit punt het aanmeldformulier juist heeft ingevuld. Het voorgaande komt ook overeen met de verklaring van verzoeker ter zitting dat hij op dit moment geen bedragen overmaakt aan de heer [naam] , omdat hij hiervoor niet de middelen heeft. Anders dan verweerder heeft geoordeeld, vormen de verklaringen van de heer [naam] daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van verweerder dat sprake is van wederzijdse zorg.

9. De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande tot de slotsom dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek om een voorlopige voorziening toewijzen en bepalen dat aan verzoeker een voorschot moeten worden verstrekt naar de voor hem geldende bijstandsnorm tot zes weken na de datum van bekendmaking van het besluit op bezwaar. De voorzieningenrechter ziet ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 525,- per punt en wegingsfactor 1). Indien aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Verweerder zal ook het griffierecht aan verzoeker moeten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

-bepaalt dat verweerder met ingang van 29 april 2020 aan verzoeker een voorschot dient te verstrekken naar de voor hem geldende bijstandsnorm tot zes weken na de datum van bekendmaking van het besluit op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in te proceskosten begroot op € 1.050,-;

-bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,- aan hem dient te vergoeden

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.A. Super, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:CRVB:2013:BY7959.

2 ECLI:NL:CRVB:2016:788.

3 ECLI:NL:CRVB:2019:2228.

4 uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:788.