Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3107

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
13/003111-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Groot aantal strafbare feiten. Eén vrijspraak vanwege onduidelijke camerabeelden. Geen ISD-maatregel, omdat een ISD-maatregel twee keer eerder niet tot gewenst resultaat heeft geleid, daarom onvoorwaardelijke gevangenisstraf en toewijzing VI.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13-003111-20 (zaak A); 13-295598-19 (zaak B); 13-261145-19 (zaak C); 13-

243519-19 (zaak D); 13-224020-19 (zaak E); 13-221246-19 (zaak F); 13-012251-19 (zaak G);

13-263222-19 (zaak H); 13-055318-20 (zaak I) (Promis)

Datum uitspraak: 24 juni 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in het Justitieel Complex [locatie te plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 10 juni 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J.M. Vreekamp en van wat verdachte naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan

Ten aanzien van zaak A

1. een winkeldiefstal van vier tandenborstels (t.w.v. € 139,96) bij Blokker op 4 januari 2020 te Amsterdam;

2. een winkeldiefstal bij Jumbo in de periode van 19 september 2019 t/m 2 januari 2020 te Amsterdam:

- op 19 september 2019 van onbekende goederen;

- op 31 december 2019 van scheermesjes (t.w.v. € 269,47);

- op 2 januari 2020 van batterijen (t.w.v. € 687,52);

3. een winkeldiefstal van scheermesjes (t.w.v. € 189,97) bij Etos op 28 december 2019 te Amsterdam;

4. een diefstal met braak van horloges bij [naam winkel] op 2 januari 2020 te Amsterdam;

Ten aanzien van zaak B

een winkeldiefstal van 31 blikjes Bacardi Rum/Cola bij Spar City [locatie] op 10 december 2019 te Amsterdam;

Ten aanzien van zaak C

een winkeldiefstal van potten koffie bij Albert Heijn op 31 oktober 2019 te Amsterdam;

Ten aanzien van zaak D

1. een winkeldiefstal van vijf pakken scheermesjes bij Albert Heijn op 10 oktober 2019 te Amsterdam;

2. een diefstal met braak van € 25,- en een Ipad bij De Pizzabakkers op 5 oktober 2019 te Amsterdam;

Ten aanzien van zaak E

1. een winkeldiefstal met bedreiging met geweld tegen [persoon 1] en [persoon 2] van meerdere tubes tandpasta bij Dirk van den Broek, door een mes te tonen, hiermee zwaaiden bewegingen te maken en te roepen “kom dan! kom dan!” en “niet komen, afstand, blijf weg” op 17 september 2019 te Amsterdam;

2. een winkeldiefstal van chocoladerepen bij Dirk van den Broek op 17 september 2019 te Amsterdam;

Ten aanzien van zaak F

een bedreiging met enige misdrijf van [persoon 3] door een mes te tonen, te zeggen “kom op!”, met het mespunt in de richting van [persoon 3] te wijzen en deze te achtervolgen op 13 september 2019 te Amsterdam;

Ten aanzien van zaak G

1. een diefstal met braak bij Swissotel op 17 februari 2018 te Amsterdam van:

- een laptoptas, een Egyptisch paspoort, een laptop met PlayStation, drie chargers, diverse Flash memories, twee powerbanks, diverse sleutels en een pen van [persoon 4] en

- een laptop, kleding en een parfumflesje van [persoon 5] ;

2. een vernieling van een ruit en een deur van Swissotel Amsterdam B.V. op 17 februari 2018 te Amsterdam;

Ten aanzien van zaak H

een winkeldiefstal van 12 flesjes deodorant bij Albert Heijn op 4 november 2019 te Amsterdam;

Ten aanzien van zaak I

een poging tot diefstal met braak bij Anne en Max op 17 september 2019 te Amsterdam;

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

De officier van justitie betrekt bij haar bewezenverklaringen de modus operandi, bij de inbraken gooit verdachte telkens een tegel of baksteen door de ruit en laat vervolgens een ravage achter. Verdachte steelt voor grote bedragen aan goederen en een groot aantal, bedoeld voor verkoop.

Specifiek ten aanzien van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde heeft de officier betoogd dat verdachte op camerabeelden is herkend door verbalisanten. Met name de herkenning van verbalisant [verbalisant] is redengevend, omdat hij heeft verklaard verdachte al langer te kennen en hem heeft herkend aan de hand van gezichtskenmerken. Ook is relevant dat de kleding van de persoon op de camerabeelden overeenkomt met de kleding die verdachte die dag kennelijk heeft gedragen. Dit feit kan derhalve ook worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft de winkeldiefstallen in zaak A onder 1 en 3, zaak B, zaak C, zaak D onder 1, zaak E onder 2 en zaak H bekend.

Ten aanzien van de in zaak A onder 2 ten laste gelegde diefstallen bij Jumbo en de in zaak D onder 2 ten laste gelegde diefstal met braak bij De Pizzabakkers heeft verdachte verklaard dat het zou kunnen dat hij deze feiten heeft gepleegd, maar dat hij het zich niet kan herinneren. Ten aanzien van de herkenningen in zaak D heeft verdachte bovendien verklaard dat verbalisanten hem vaker onterecht herkennen. Verdachte heeft het feit in zaak A onder 4 ontkent.

Ten aanzien van de in zaak E onder 1 ten laste gelegde diefstal gevolgd van bedreiging met geweld heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij tandpastatubes heeft gestolen en vervolgens een mes heeft laten zien. Verdachte heeft dit mes laten zien om zichzelf te beschermen tegen aangever en zijn collega.

In zaak F heeft verdachte verklaard dat hij achter aangever is aangegaan en hem heeft geprobeerd bang te maken. Verdachte ontkent echter dat hij een mes heeft getrokken. Hij heeft verklaard dat hij een pijpje, bedoeld voor drugsgebruik, dat omwikkeld was met aluminiumfolie, in zijn jaszak had en dat aangever dit wellicht voor een mes heeft aangezien. Hij deed wel alsof hij iets bij zich had om aangever bang te maken.

Ten aanzien van zaak G heeft verdachte bekend dat hij een ruit heeft ingegooid en een deur heeft geforceerd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij goederen uit een kamer heeft meegenomen.

Ten aanzien van zaak I heeft verdachte verklaard dat hij zich hieraan niet schuldig heeft gemaakt. De op de toonbank aangetroffen dactyloscopische sporen zouden daar terecht kunnen zijn gekomen doordat hij eerder een keer in de koffiezaak is geweest om bijvoorbeeld een rietje te vragen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Betrouwbaarheid herkenningen

De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met de beoordeling van herkenningen. Dit geldt te meer, indien herkenningen het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van een verdachte bij het ten laste gelegde feit kan worden afgeleid.

Voor een beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenningen aan de hand van foto’s en/of bewegende beelden is onder meer van belang in hoeverre op deze afbeeldingen voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Een mogelijke gezichtsherkenning heeft daarbij de hoogste diagnostische waarde. Eerst dient te worden onderzocht wat de kwaliteit van de afbeeldingen of bewegende beelden is en de mate waarin persoonskenmerken zichtbaar zijn. Voorts is van belang hoe goed de verbalisant de herkende kent. Daarbij geldt dat de visuele kennis waardevoller is als deze is ontstaan uit ontmoetingen in levende lijve dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Daarbij is ook de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Bovendien is het aantal onafhankelijke herkenningen door verbalisanten van belang. Tot slot kan worden gekeken naar feiten en omstandigheden die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar maken.

In de onderhavige zaken zijn de bewegende camerabeelden niet meer beschikbaar. De rechtbank heeft geen kennis kunnen nemen van de bewegende beelden en daarom niet kunnen toetsen of de beelden van voldoende kwaliteit zijn om daar een betrouwbare herkenning op te kunnen baseren.

Ten aanzien van zaak A onder 1 en 3, zaak B, zaak C, zaak D onder 1, zaak E onder 2 en zaak H

Op grond van de bekennende verklaringen en de aangiftes is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de winkeldiefstallen die in bovengenoemde zaken ten laste zijn gelegd.

Ten aanzien van zaak A onder feit 2

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de winkeldiefstallen bij Jumbo. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op respectievelijk 19 september 2019, 31 december 2019 en 2 januari 2020 is namens supermarkt Jumbo, vestiging [vestiging 1] , aangifte gedaan van winkeldiefstal. De dader wordt door het personeel herkend, omdat deze man 13 september 2019 is aangehouden vanwege een incident in de supermarkt waarbij hij een mes heeft getoond. Uit de politiesystemen blijkt dat het om verdachte gaat.

Van de drie diefstallen zijn camerabeelden bekeken waarop verdachte door verbalisanten wordt herkend aan verschillende onderscheidende persoonskenmerken, zoals zijn tengere postuur en zijn kalende hoofd. Verdachte heeft bovendien ter terechtzitting verklaard dat hij regelmatig op [vestiging 1] komt.

De kwaliteit van de stills van de camerabeelden in deze zaak is voldoende om duidelijke, specifieke persoonskenmerken te kunnen onderscheiden. Tevens is het gezicht van verdachte zichtbaar. De rechtbank acht op grond van het voorgaande de herkenning door verbalisant betrouwbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aanwezig die deze herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar maken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich aan het ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt.

Ten aanzien van zaak A onder 4

Zoals hiervoor overwogen zijn in de onderhavige zaak de bewegende camerabeelden niet meer beschikbaar. Op basis van de stills in het dossier kan de rechtbank de betrouwbaarheid van de herkenning van verdachte niet toetsen aan de eigen waarneming. De stills van deze camerabeelden in het dossier zijn te onduidelijk om daar een betrouwbare herkenning op te kunnen baseren. De rechtbank zal de herkenningen van de verbalisanten daarom niet gebruiken voor het bewijs.

Het feit kan daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen reden waarom verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van zaak D onder 2

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met braak en inklimming bij De Pizzabakkers. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 12 oktober 2018 wordt namens De Pizzabakkers aangifte gedaan van diefstal met braak. Op de camerabeelden is te zien dat een man een steen door de ruit gooit, dat hij door de ingegooide ruit het pand betreedt en vervolgens een iPad en een wisselkistje pakt en de zaak weer verlaat. Verdachte heeft zowel tegenover de politie als ter terechtzitting verklaard dat het zou kunnen dat hij het is geweest. Verdachte is door vijf verbalisanten herkend op de camerabeelden. Alle verbalisanten hebben verklaard verdachte ambtshalve te kennen. Zij noemen allen specifieke onderscheidende persoonskenmerken waaraan zij verdachte herkennen op de beelden. De stills zijn voldoende duidelijk en het gezicht is zichtbaar. De herkenningen kunnen worden gebezigd voor het bewijs. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich aan het ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt.

Ten aanzien van zaak E onder 1

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met bedreiging met geweld bij Dirk van den Broek [adres 1] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 17 september 2019 heeft de filiaalmanager van Dirk van den Broek op het [adres 1] aangifte gedaan van diefstal gevolgd van bedreiging met geweld. De aangever heeft verklaard dat verdachte een mes heeft getrokken, hiermee heeft gewezen en gezwaaid in de richting van zowel aangever als een collega van hem. Aangever heeft verklaard dat hij bang was. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tandpastatubes heeft gestolen en vervolgens een mes heeft getrokken.

De rechtbank is van oordeel dat door het trekken van een mes, hier vervolgens mee zwaaien en daarbij roepen “kom dan, kom dan” een bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden verricht dat bij aangever en zijn collega in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat aangever geweld zou gaan gebruiken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich aan het ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt.

De rechtbank maakt uit de verklaring van verdachte op dat hij zich beroept op noodweer, De beoordeling van dit verweer komt aan de orde onder rubriek 6, de strafbaarheid van het feit.

Ten aanzien van zaak F

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [persoon 3] . De rechtbank overweegt daarover als volgt. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij aangever [persoon 3] bang heeft willen maken, maar hij ontkent dat hij daarbij een mes heeft getrokken. Zowel aangever als een onafhankelijke getuige hebben verklaard dat zij hebben gezien dat verdachte een mes uit zijn jaszak pakte en daarmee in de richting van [persoon 3] heeft gewezen. Zowel aangever als getuige hebben hierover direct na het incident een verklaring afgelegd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan deze verklaringen te twijfelen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich aan het ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt.

Partiële vrijspraak ten aanzien van zaak G

Op grond van de bekennende verklaring van verdachte, de aangiftes en de camerabeelden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij het Swissotel een ruit heeft ingegooid, een deur heeft geforceerd en goederen uit een hotelkamer heeft weggenomen.

Ten aanzien van de diefstal uit de bagageruimte overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft over de diefstal van goederen uit de bagageruimte niets verklaard. Ook op de camerabeelden is niet omschreven dat verdachte in de bagageruimte is gezien of dat hij daar goederen heeft weggenomen. Het enkele feit dat verdachte die dag in datzelfde hotel andere goederen heeft weggenomen, acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan de diefstal uit de bagageruimte. Verdachte zal derhalve van dit deel van tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van zaak I

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal met braak bij koffiezaak Anne & Max. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 19 september 2019 heeft de heer [persoon 6] namens Anne & Max aangifte gedaan van diefstal met braak. Op camerabeelden is te zien dat een persoon een steen door de ruit gooit en door de geforceerde ruit de koffiezaak betreedt. Verdachte loopt naar de kassa en probeert de kassalade open te krijgen. Op een vitrinekast naast de kassa wordt later een dactyloscopisch spoor, te weten een handpalmafdruk, gevonden. Dit spoor is vergeleken met de databank en komt overeen met het spoor van verdachte. Uit het onderzoek blijkt dat deze mate van overeenkomst tussen het aangetroffen spoor en dat van een willekeurig ander persoon verwaarloosbaar klein is.

Het alternatieve scenario van verdachte inhoudende dat zijn handpalmafdruk op een ander moment op de vitrinekast terecht is gekomen, is erg laat, namelijk pas ter terechtzitting, voorgesteld. De rechtbank verwerpt dit verweer omdat het scenario niet concreet of aannemelijk is gemaakt. Het blijft bij een mogelijkheid die verder niet is onderbouwd. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich aan het ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen - waaruit de redengevende feiten en omstandigheden blijken - bewezen dat verdachte

Ten aanzien van zaak A

1.

op 4 januari 2020 te Amsterdam vier tandenborstels (merk Oral B, totale waarde 139,96 euro) die aan een ander toebehoorden, te weten aan Blokker (vestiging [vestiging 2] ), heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

op tijdstippen in de periode van 19 september 2019 tot en met 2 januari 2020 te Amsterdam

- op 19 september 2019, tot op heden onbekende goederen en

- op 31 december 2019, verpakkingen scheermesjes (merk Gilette, totale waarde 269,47 euro) en

- op 2 januari 2020, verpakkingen batterijen (totale waarde 687,52), die aan een ander toebehoorden, te weten aan Jumbo (vestiging [vestiging 1] ), telkens heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.

op 28 december 2019 te Amsterdam verpakkingen scheermesje (totale waarde 189,97), die aan een ander toebehoorden, te weten aan Etos (vestiging [vestiging 3] ), heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Ten aanzien van zaak B

op 10 december 2019 te Amsterdam, 31 blikjes Bacardi Rum/Cola, die aan een ander toebehoorden, te weten aan Spar City [locatie] (gelegen aan het [adres 2] ), heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Ten aanzien van zaak C

op 31 oktober 2019 te Amsterdam potten koffie, die aan een ander toebehoorden, te weten aan winkelbedrijf Albert Heijn (vestiging [vestiging 4] ), heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Ten aanzien van zaak D

1.

op 10 oktober 2019 te Amsterdam 5 pakken (Gillette) scheermesjes, die aan een ander toebehoorden, te weten aan winkelbedrijf Albert Heijn, vestiging [vestiging 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

op 5 oktober 2018 te Amsterdam een wisselkistje met daarin een geldbedrag van ongeveer € 25 en een iPad die aan een ander toebehoorden, te weten aan De Pizzabakkers vestiging [vestiging 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

Ten aanzien van zaak E

1.

op 17 september 2019 te Amsterdam meerdere tubes tandpasta, die aan een ander toebehoorden, te weten aan Dirk van den Broek, vestiging [adres 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [persoon 1] en [persoon 2] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, door:

- dreigend aan die [persoon 1] en [persoon 2] een schilmes te tonen en voor te houden en daarbij die [persoon 1] de woorden toe te voegen: "Kom dan! Kom dan!" en

- die [persoon 2] de woorden toe te voegen: "Niet komen, niet komen, afstand, blijf weg" en

- met de mespunt in de richting van die [persoon 1] en [persoon 2] te wijzen en

- met dat mes stekende en zwaaiende bewegingen te maken in de richting van die [persoon 1] en [persoon 2] ;

2.

op 17 september 2019 te Amsterdam meerdere chocoladerepen, die aan een ander toebehoorden, te weten aan Dirk van den Broek, vestiging [vestiging 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Ten aanzien van zaak F

op 13 september 2019 te Amsterdam [persoon 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door

- dreigend aan die [persoon 3] een mes te tonen en daarbij die [persoon 3] de woorden toe te voegen: "Kom op!" en/of

- met het mespunt in de richting van die [persoon 3] te wijzen en

- met dat mes die [persoon 3] te achtervolgen en achterna te rennen;

Ten aanzien van zaak G

1.

op 17 februari 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het Swissotel (gevestigd [adres 3] ) heeft weggenomen een laptop en kleding en een parfumflesje toebehorende aan [persoon 5] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en inklimming, te weten het ingooien en verbreken van een raam en een binnendeur in voornoemd pand;

2.

op 17 februari 2018 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een raam en een hotelkamerdeur, toebehorende aan Swissotel Amsterdam BV, heeft vernield en beschadigd;

Ten aanzien van zaak H

op 4 november 2019 te Amsterdam, 12 flesjes deodorant, die aan een ander toebehoorden, te weten aan Albert Heijn, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Ten aanzien van zaak I:

op 17 september 2019 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om enig geldbedrag, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan koffiezaak Anne & Max ( [adres 4] ), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak, naar voornoemde koffiezaak is gegaan en een raam van voornoemde koffiezaak heeft ingegooid en op de kassa in voornoemde koffiezaak heeft geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

Ten aanzien van zaak E onder 1

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een mes heeft getrokken ter bescherming van zichzelf, omdat aangever en zijn collega achter hem aankwamen.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Het beroep op noodweer slaagt niet.

Ten aanzien van alle bewezen geachte feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest.

7.2.

Standpunt van verdachte

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat aan hem geen ISD-maatregel moet worden opgelegd. Hij heeft eerder een ISD-maatregel opgelegd gekregen en dat heeft niet gewerkt. De beloofde behandelingen kwamen niet van de grond alsmede de plaatsing in een begeleid wonen traject. Dit resulteerde in een kale detentie.

Verdachte heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft een zwakke gezondheid, waardoor hij het zwaar heeft in detentie. Hij krijgt niet de juiste voeding, komt niet buiten en neem geen deel aan arbeid en sport. Binnen detentie brengt hij daarom bijna al zijn tijd op cel door. Dit heeft een negatief effect op zijn gezondheid.

Verdachte heeft de rechtbank verzocht hem een kans te geven en derhalve een voorwaardelijke straf aan hem op te leggen. Hij heeft hiertoe verklaard dat hij bij zijn moeder kan verblijven en zal zich aan de voorwaarden houden.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan een groot aantal strafbare feiten. Een groot aantal van deze feiten zijn vermogensfeiten, namelijk 10 winkeldiefstallen, 2 diefstallen met braak en inklimming, een diefstal met geweld en een poging tot diefstal met braak en inklimming. Daarnaast heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan een vernieling en een bedreiging. Verdachte heeft met zijn gedrag veel overlast en hinder veroorzaakt bij de betrokken bedrijven, daarnaast heeft hij getoond geen enkel respect te hebben voor andermans eigendommen en ook nog flinke materiële schade veroorzaakt. Met het aanwenden van geweld bij verschillende diefstallen heeft hij daarnaast gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht bij de betrokken personen en de samenleving in het algemeen. Verdachte heeft daarbij enkel gehandeld uit geldelijk gewin om in zijn eigen drugsverslaving te kunnen voorzien.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 20 maart 2020. Uit het 32 pagina tellende strafblad van verdachte blijkt dat hij zich in het verleden veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, met name vermogensdelicten.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 31 maart 2020, opgesteld door mevrouw D. de Vries. Hieruit blijkt dat de gezondheidstoestand van verdachte slecht is maar ook blijkt dat verdachte buiten detentie slecht voor zichzelf zorgt. Verdachte is in september 2019 vrijgekomen. Sindsdien is zijn conditie achteruit gegaan, mede doordat hij bij zijn vrijlating zijn medicatie niet innam en doordat hij kort nadat hij is vrijgekomen is teruggevallen in drugsgebruik. Indien verdachte opnieuw vrijkomt wordt de kans op recidive onverminderd hoog geacht.

Ook volgt uit het rapport dat in het verleden is gebleken dat reclasseringstoezicht niet werkbaar is, omdat verdachte niet op afspraken kwam of niet traceerbaar was. Dit is opnieuw gebleken toen verdachte in september 2019 vrij is gekomen en werd aangemeld voor een begeleid wonen voorziening. Hij is tot twee keer toe opgeroepen voor een intake, maar dit kon niet doorgaan omdat hij niet kwam, of weer gedetineerd was, of niet traceerbaar was.

Uit het meest recente advies van [naam arts] , arts, medisch adviseur Dienst Justitiële Inrichtingen, van 21 april 2020 blijkt onder meer het volgende. Verdachte lijdt aan een chronische ontsteking van het darmstelsel. Daarnaast is onder andere sprake van verslavingsproblematiek. De huidige gezondheidstoestand van verdachte is niet goed. Verdachte heeft dagelijks veel buikpijn, klachten van verstopping en de voedingstoestand is slecht. De ingestelde medicamenteuze therapie heeft tot nu enige verbetering gebracht, met name in de bloedwaarden. Verdachte wordt op dit moment echter wel detentiegeschikt geacht. De continuïteit in de zorg en behandeling is van groot belang. In2019 werd deze verbroken tijdens het verblijf van betrokkene in de vrije maatschappij.

ISD-maatregel

In januari 2019 is aan verdachte een ISD-maatregel opgelegd. Verdachte is op 5 september 2019 door [naam arts] , arts, medisch adviseur Dienst Justitiële Inrichtingen, detentieongeschikt verklaard. Veroordeelde lijdt aan de ziekte van Crohn en zijn gezondheidstoestand ging op de ISD-afdeling fors achteruit. Mede vanwege zijn gezondheidstoestand kon geen goede invulling worden gegeven aan de ISD-maatregel. De gezondheidssituatie van verdachte was voor de rechtbank op 11 september 2020 reden om het recidiverisico, zoals dat bij de oplegging van de ISD-maatregel werd ingeschat, naar beneden bij te stellen.

Gebleken is dat verdachte al snel na het opheffen van de ISD-maatregel opnieuw is vervallen in het plegen van strafbare feiten en zijn drugsverslaving.

Aan verdachte is reeds twee keer eerder de ISD-maatregel opgelegd, zonder gewenst resultaat. Verdachte heeft verklaard dat hij geen vertrouwen heeft in een ISD-maatregel. De rechtbank acht het zeer waarschijnlijk dat het opleggen van een ISD-maatregel in dit geval zal resulteren in een kale detentie. De rechtbank is van oordeel dat de ISD-maatregel hier niet voor is bedoeld. Ondanks het feit dat verdachte voldoet aan zowel de harde en zachte criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel, zal de rechtbank deze maatregel niet aan verdachte opleggen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Oriëntatiepunten

De rechtbank heeft gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS- oriëntatiepunten) van de rechtelijke macht. Voor een ‘eenvoudige winkeldiefstal’ met veelvuldig recidive is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van één maand onvoorwaardelijk. Voor een gevangenisstraf gevolgd van bedreiging met geweld met recidive is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden onvoorwaardelijk. Voor een inbraak in een bedrijfspand met recidive is het uitgangspunt 10 weken gevangenisstraf, in het geval van veelvuldig recidive zelfs een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. De rechtbank neemt al het voorgaande als uitgangspunt bij het bepalen van de straf.

Bij het vaststellen van de duur van de straf weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat sprake is van een groot aantal feiten in een korte tijd en met de hoge waarde van de door verdachte weggenomen goederen. Hierdoor heeft verdachte veel schade toegebracht aan de benadeelden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met het opheffen van de ISD-maatregel in september 2019 een kans heeft gekregen om een positieve draai aan zijn leven te geven en te laten zien dat hij zich aan de gestelde voorwaarden kon houden. Verdachte heeft die kans kennelijk niet benut, nu hij vrijwel direct daarna weer de fout in is gegaan en een groot aantal strafbare feiten heeft gepleegd. De rechtbank is er dan ook niet van overtuigd dat de situatie nu is veranderd en dat verdachte nu wel de motivatie heeft zich aan voorwaarden te houden zonder in zijn oude gewoontes terug te vallen. De rechtbank zal daarom geen voorwaardelijk deel aan verdachte opleggen en volstaan met een volledig onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij

In zaak I vordert de benadeelde partij [persoon 6] € 1.572,84 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt, omdat de gevorderde schade op de juiste wijze is onderbouwd.

Verdachte heeft verklaard het verzochte bedrag te betalen indien het feit bewezen wordt verklaard.

De rechtbank maakt uit de aangifte (die is gedaan door de heer [persoon 6] namens Anne en Max) op dat schade is geleden door de niet natuurlijke persoon Anne en Max. De schadevergoeding is echter aangevraagd door de natuurlijke persoon de heer [persoon 6] . Het verzoek tot schadevergoeding bevat geen informatie over de relatie tussen de natuurlijke en de niet natuurlijke persoon (bijvoorbeeld een uitdraai van de Kamer van Koophandel). De rechtbank kan daardoor niet vaststellen dat de verzoeker schade heeft geleden door het in zaak I bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9 Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

Bij onherroepelijk geworden arresten van de meervoudige strafkamer van het Hof Amsterdam van 6 september 2016 en 9 juni 2016, onder parketnummer 23/001261-16 respectievelijk 23/003818-15 is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden respectievelijk twee weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr.

Verdachte is bij besluit van 23 november 2017 op grond van artikel 6:2:10 Sv voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden herroepen als verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt (artikel 6:2:11 lid 1 onder a Sv).

Bij de stukken in zaak I bevindt zich de op 30 september 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaken met parketnummers 23/001261-16 en 23/003818-15, met v.i.-zaaknummer 99/000356-20.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling van 275 dagen.

Gelet op de vordering tot het opleggen van de ISD-maatregel heeft de officier van justitie gevorderd de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af te wijzen. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe te wijzen.

De verdachte heeft verzocht de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke gedeeltelijk toe te wijzen.

Zoals naar voren is gekomen in dit vonnis, is gebleken dat verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaken bewezenverklaarde strafbare feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel moet worden ondergaan.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57, 63, 285, 310, 311, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart het in zaak A onder 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige aan hem ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A onder 1 en 3, zaak B, zaak C, zaak D onder 1, zaak E onder 2 en zaak H:

telkens: diefstal

Ten aanzien van zaak A onder 2:

diefstal, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van zaak D onder 2:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van zaak E onder 1:

diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken;

Ten aanzien van zaak F

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van zaak G onder 1 en 2:

eendaadse samenloop van:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming, meermalen gepleegd,

en

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen;

Ten aanzien van zaak I:

poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart [persoon 6] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Wijst toe de vordering strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 275 (tweehonderdvijfenzeventig) dagen, alsnog wordt ondergaan.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Thomas, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en J.M.R. Vastenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juni 2020.

[...]