Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:310

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2020
Datum publicatie
12-02-2020
Zaaknummer
7494124 CV EXPL 19-2342
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Derdenverzet ex artikel 376 Rv. Kantonrechter oordeelt dat eiseressen door het verstekvonnis niet in hun rechten worden benadeeld, en verklaart eiseressen niet-ontvankelijk. Verwijzing naar relevante rechtspraak van HR en andere gerechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 7494124 CV EXPL 19-2342

vonnis van: 17 januari 2020

fno.: 515

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

1 de besloten vennootschap [opposant 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [opposant 2] ,

wonende te [woonplaats]

opposanten,

nader te noemen: respectievelijk de BV en [opposant 2] ,

gemachtigde: mr. G.A. Offerhaus,

t e g e n

1 [geopposeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gemachtigde mr. R.A.M. Koolen,

2. de besloten vennootschap [geopposeerde 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gemachtigde mr. W. Albers,

3. [geopposeerde 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

gemachtigde mr. W. Albers,

geopposeerden,

nader te noemen: respectievelijk [geopposeerde 1] , [geopposeerde 2] en [geopposeerde 3] .

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

  • -

    dagvaarding in derdenverzet van 17 januari 2019, met producties;

  • -

    rolbeslissing van 19 april 2019;

  • -

    antwoord, met producties van [geopposeerde 1] ;

  • -

    antwoord, met producties van [geopposeerde 2] en [geopposeerde 3] ;

  • -

    instructievonnis;

  • -

    repliek met producties;

  • -

    rolmededeling van 28 juni 2019

  • -

    dupliek met producties van [geopposeerde 1] ;

  • -

    dupliek met producties van [geopposeerde 2] en [geopposeerde 3] ;

  • -

    akte uitlating producties van de BV en [opposant 2] ;

  • -

    dagbepaling vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.:

1.1.

[opposant 2] en [geopposeerde 3] zijn van 1982 tot 2010 gehuwd geweest buiten iedere gemeenschap van goederen en met een periodiek verrekenbeding waaraan tijdens het huwelijk geen uitvoering is gegeven.

1.2.

[opposant 2] is enig bestuurder en aandeelhouder van de BV, opgericht tijdens het huwelijk. [geopposeerde 3] is bestuurder en aandeelhouder van [geopposeerde 2] , eveneens tijdens het huwelijk opgericht.

1.3.

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2010 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

1.4.

Bij beschikking van deze rechtbank van 7 mei 2015 is een eindbeschikking gegeven inzake de afwikkeling van het huwelijks vermogen tussen [opposant 2] en [geopposeerde 3] , welke beschikking bij arrest van het gerechtshof van

1 augustus 2017 deels is vernietigd. Het door [geopposeerde 3] daartegen ingestelde cassatieberoep is verworpen.

1.5.

Bij dagvaarding van 18 november 2015 heeft [geopposeerde 1] [geopposeerde 2] gedagvaard. In de dagvaarding wordt vermeld dat [geopposeerde 1] met ingang van 1 januari 2011 in de functie van schoonmaakster in dienst is getreden van [geopposeerde 2] tegen een salaris van € 10,00 netto per uur. Het achterstallige salaris bedraagt volgens de dagvaarding € 91.584,00 netto. Bij de dagvaarding is als productie een door [geopposeerde 1] en [geopposeerde 2] ondertekende arbeidsovereenkomst van 12 november 2010 gevoegd en een brief van [geopposeerde 1] aan [geopposeerde 2] van 15 juni 2015 waarin zij [geopposeerde 2] sommeert € 91.584,00 netto aan haar te betalen.

1.6.

Na voorafgaand verlof is op verzoek van [geopposeerde 1] ten laste van [geopposeerde 2] op
23 november 2015 conservatoir beslag gelegd op de onroerende zaak aan de [adres 1] en [huisnummer] te [woonplaats] .

1.7.

Bij verstekvonnis van 11 december 2015 4620625 CV EXPL 15-32213 van de kantonrechter te Amsterdam is de vordering van [geopposeerde 1] tegen [geopposeerde 2] toegewezen, waarbij de wettelijke verhoging is beperkt tot 25%. [geopposeerde 2] is veroordeeld in de kosten van het geding en de veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Er is door [geopposeerde 2] geen verzet aangetekend tegen het vonnis.

1.8.

Op 14 december 2015 heeft op verzoek van de VvE van het flatgebouw [adres 2] te [woonplaats] de openbare executieveiling plaatsgevonden van de bedrijfsruimten [adres 1] en [huisnummer] . De netto opbrengst bedraagt € 131.363,50.

1.9.

Op 16 december 2015 is het vonnis van 11 december 2015 namens [geopposeerde 1] aan [geopposeerde 2] betekend. Er is bevel gedaan om € 114.570,65 te betalen.

1.10.

Op 11 februari 2016 is door de BV een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Amsterdam tot verdeling van de executieopbrengst van de veiling.

1.11.

Uit de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2016 in de zaak met rekestnummer HA RK 16-90, de voorlopige staat van verdeling, blijkt dat de BV bij brief van 23 maart 2016 een concurrente vordering per 31 maart 2016 heeft ingediend van € 234.609,85 te vermeerderen met 2,5 % rente over
€ 226.283,68 vanaf 1 april 2016 ter zake van een aan [geopposeerde 2] verstrekte geldlening. [geopposeerde 1] heeft een vordering ingediend voor € 121.097,00. Daarnaast zijn door Van Diepen van der Kroef Advocaten, de VvE en [geopposeerde 3] vorderingen ingediend.

1.12.

Bij notariële akte van 17 november 2016 is de loonvordering van [geopposeerde 1] op [geopposeerde 2] zoals beschreven in het verstekvonnis van 11 december 2015 overgedragen aan [geopposeerde 3] en heeft [geopposeerde 3] deze aanvaard.

1.13.

Groot & Evers Gerechtsdeurwaarders heeft de executieopbrengst ten bedrage van € 74.031,47 in bewaring van afdracht van gelden ten laste van [geopposeerde 3] door Aeagon.

1.14.

Bij voorlopige staat van verdeling van 11 april 2019 is de vordering van [geopposeerde 1] opgenomen van € 120.556,38 ter zake van achterstallig loon over de periode
1 januari 2011 tot 1 juni 2015. [opposant 2] heeft een vordering ingediend van € 538.757,07 ter zake van een drietal tussen haar en [geopposeerde 3] gevoerde procedures.

1.15.

Na de inleidende rangregelingen bij de rechtbank Amsterdam, zijn inmiddels bij de rechtbank Noord-Holland twee renvooiprocedures aanhangig tussen onder meer de BV en [geopposeerde 1] , [geopposeerde 2] en [geopposeerde 3] .

1.16.

[geopposeerde 1] is de huidige echtgenote van [geopposeerde 3] . Zij zijn op [datum huwelijk] 2016 met elkaar getrouwd.

De vordering

2. De BV en [opposant 2] vorderen om het verstekvonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 11 december 2015 onder zaaknummer 4620625 CV EXPL 15-32213 tussen [geopposeerde 1] als eiseres en [geopposeerde 2] als gedaagde te vernietigen, met veroordeling van [geopposeerde 1] , [geopposeerde 2] en [geopposeerde 3] in de kosten van dit geding. De BV en [opposant 2] stellen daartoe, kort weergegeven en voor zover hier van belang, dat de stellingen van [geopposeerde 1] waarmee [geopposeerde 1] het verstekvonnis heeft verkregen feitelijke grondslag ontberen. [geopposeerde 1] , [geopposeerde 2] en [geopposeerde 3] spannen samen om de BV en [opposant 2] te benadelen. Met dit verstekvonnis trachten zij het verhaal van de BV voor haar vordering op [geopposeerde 2] te verijdelen en tegelijkertijd ook het verhaal van [opposant 2] voor haar vorderingen op [geopposeerde 3] . Zij maken, op naam van [geopposeerde 1] , in de beide rangregelingsprocedures aanspraak op voldoening bij voorrang aan het op haar naam verkregen verstekvonnis, waardoor de vorderingen van de BV op [geopposeerde 2] en van [opposant 2] op [geopposeerde 3] niet of nauwelijks batig gerangschikt kunnen worden. Volgens de BV en [opposant 2] is er geen sprake geweest van een arbeidsovereenkomst tussen [geopposeerde 1] en [geopposeerde 2] en heeft [geopposeerde 1] nooit gewerkt als door haar wordt gesteld.

Het verweer

3. [geopposeerde 1] , [geopposeerde 2] en [geopposeerde 3] betwisten de vordering tot vernietiging van het verstekvonnis. Voor zover nodig zullen deze verweren bij de beoordeling de verweren aan de orde komen.

De beoordeling

4. Bij de beoordeling van de vordering geldt tot uitgangspunt dat op grond van het bepaalde in artikel 376 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) derden als de BV en [opposant 2] bevoegd zijn zich te verzetten tegen een vonnis dat hun rechten benadeelt, indien zij noch in persoon, noch wettelijk zijn vertegenwoordigd, of indien noch degenen die zij vertegenwoordigen, in het rechtsgeding zijn opgeroepen, of door voeging of tussenkomst partij zijn geweest. De vraag is derhalve of het vonnis de rechten van eisers benadeelt. Alleen dan staat voor de BV en [opposant 2] het rechtsmiddel van derdenverzet open.

5. De vraag is wat als grond voor de nadelige inwerking van het vonnis op rechten van een derde dient te worden aangenomen. Het strookt met het restrictieve karakter van het rechtsmiddel derdenverzet om benadeling in rechten door het vonnis pas dan aan te nemen, indien die benadeling hieruit voortvloeit dat het vonnis krachtens de wet in die zin ook tegenover de derde werking heeft dat ingevolge de wet het vonnis mede voor de derde bepaalt wat een hem toekomend recht inhoudt dan wel in elke mate hij dat recht kan uitoefenen. Wanneer een vonnis inzake een rechtsverhouding tussen andere personen mede de betekenis, die het recht van een derde voor deze derde heeft, beïnvloedt enkel vanwege de feitelijke afhankelijkheid van dat recht van die rechtsverhouding, dan is er dus geen sprake van benadeling van dat recht door het vonnis in de zin van artikel 376 Rv. De derde heeft dan wel belang bij wat de rechtsverhouding tussen die andere personen inhoudt en de derde kan vanwege een vonnis omtrent die verhouding in dat belang worden geschaad, maar die omstandigheid alleen is niet voldoende om het rechtsmiddel van derdenverzet te kunnen inzetten.

6. Een vonnis kan een werking van diverse aard hebben: het vonnis kan een verklaring – in

de zin van constatering – bevatten over wat rechtens ten aanzien van het voorgelegde geschil geldt, de declaratiore werking van het vonnis. Het vonnis kan ook een ontstaan, verandering of opheffing van een rechtsverhouding meebrengen, de constitutieve werking van het vonnis, en/of een veroordeling tot een doen of nalaten inhouden de condemnatoire werking van het vonnis, waaraan de wet de bevoegdheid tot het nemen van executiemaatregelen verbindt. Het uitgangspunt is dat een vonnis slechts werking (rechtsgevolgen) heeft voor hen die als partij bij het betrokken vonnis zijn aan te merken. Dit uitgangspunt komt tot uitdrukking in de regeling van het gezag van gewijsde in artikel 236 Rv. In lid 1 van dat artikel is bepaald dat de beslissingen, die in een vonnis met kracht van gewijsde voorkomen en de rechtsbetrekking in geschil betreffen, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Doordat in lid 2 van hetzelfde artikel is bepaald dat onder partijen mede te begrijpen zijn de rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel, wordt het uitgangspunt al enigszins ingeperkt. Van die inperking is ook sprake daar waar uit de wet volgt dat het door een vonnis ontstaan, veranderen of vervallen van een rechtsverhouding tussen andere personen voor derden gevolgen heeft of dat verhaal op goederen van een derde c.q. executiemaatregelen krachtens een vonnis jegens derden mogelijk is. Maar zolang uit de wet niet het tegendeel voortvloeit, heeft een vonnis voor hen, die tegenover dat vonnis de positie van derde innemen, geen rechtsgevolgen en is er dus geen sprake van een inwerking op hun rechten uit dien hoofde. Zo besliste de Hoge Raad in een arrest van 1 december 1939 (NJ 1940,455) dat een borg niet gebonden is aan een arrest, waarin een schuldenaar jegens de hoofdschuldeiser tot betaling van schadevergoeding is veroordeeld, en bijgevolg de borg niet het rechtsmiddel van derdenverzet tegen dat arrest kan inzetten. De Hoge Raad overweegt onder meer:

“dat zeker uit de regeling in de wet volgt, dat de borgtocht afhankelijk is van de hoofdverbintenis, (…), maar dit geenszins meebrengt, dat de borg wat aangaat de vraag, of die voor het bestaan van zijn betalingsplicht vereischte omstandigheid inderdaad aanwezig is, tegen zich zou moeten laten gelden een beslissing, welke is genomen in een geding, waarin hij niet partij is geweest;

(...)

dat in het algemeen van de omstandigheid, dat aan een geding is voorafgegaan een procedure over gelijk geschil tusschen andere partijen, invloed kan uitgaan op den afloop van dat tweede geding en zelfs de Rechter vrij is feitelijke vermoedens te putten uit hetgeen in het eerste proces is geschied of beslist; dat echter degenen, die geen partij was in dat proces, in het tegen hem aangespannen geding alle gelegenheid heeft om materiaal aan te voeren, ten einde de Rechter te weerhouden om waarde te hechten aan wat in het eerste is voorgevallen en, gelukt dit niet, hij voorts steeds recht heeft tot het leveren van tegenbewijs;

dat dan ook het bestaan van de uitspraak in het eerste proces ten hoogste een benadeeling van de belangen van den derde – hier van de borg – kan opleveren, doch niet een benadeling van in zijn rechten, als vereischt is voor de ontvankelijkheid van het instellen van het middel van derden-verzet;”

7. Het arrest is voorzien van een annotatie van E.M. Meijers. Hij komt tot de conclusie dat met deze beslissing het gebied, waarop het derdenverzet toepassing kan vinden, wederom enger is geworden. Ook in zijn visie blijven slechts over de vonnissen waarbij kracht van gewijsde zich ook tot derden uitstrekt, de constitutieve vonnissen, wier werking niet tot partijen bepaald is en als laatste de vonnissen wier executoriale kracht ten nadele van rechten van derden kunnen uitgeoefend worden als b.v. het tegen de huurder verkregen vonnis, dat kan worden geëxecuteerd op alle goederen, waarop de verhuurder voorrecht heeft, ook al zouden zij niet aan de huurder toebehoren. De latere rechtspraak van de Hoge Raad (o.a. HR 28-11-2014, ECLI:NL:HR:2014:3452) geeft geen aanleiding de conclusie van Meijers dat het rechtsmiddel derdenverzet slechts in de drie door hem omschreven situaties voor toepassing in aanmerking komt, bij te stellen. Ook de rechtbank Rotterdam in het vonnis van 09-12-2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9449 bevestigt deze lijn. Het recente vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2019 ECLI:NL:RBMNE:2019:6055 die tot een afwijkend oordeel komt, maakt het vorenstaande niet anders.

8. Door de BV en [opposant 2] is in dit geding niet gesteld en ook overigens is niet gebleken dat zij door het verstekvonnis van 11 december 2015 in hun rechten worden benadeeld in bovengenoemde zin. Zowel in de dagvaarding als in de conclusie van repliek wordt door hun slechts gesteld dat zij in hun belangen worden geschaad door de executie van het vonnis. Niet onaannemelijk is dat de BV en [opposant 2] nadeel zullen ondervinden van de tenuitvoerlegging van het vonnis. [geopposeerde 3] en [geopposeerde 2] verhalen zich immers op dezelfde vermogensbestanddelen en de BV en [opposant 2] zullen dus executie-opbrengsten moeten delen of zelfs mislopen, zoals zij terecht betogen. Dit nadeel is echter feitelijk van aard en staat niet gelijk aan een benadeling van een recht in bovenbedoelde zin. Dit zou anders zijn indien het ging om verhaal op goederen uit de gemeenschap van goederen tussen [geopposeerde 3] en [opposant 2] , nu daarbij immers verhaal wordt gehaald op rechten van [opposant 2] uit die gemeenschap (HR 11 juli 2003, NJ 2004, 570), maar daarvan is hier geen sprake.

9. Hieruit volgt dat de BV en [opposant 2] niet bevoegd zijn om derdenverzet tegen het vonnis van de kantonrechter van 11 december 2015 in te stellen en zij niet ontvankelijk zullen worden verklaard. De overige (inhoudelijke) stellingen van partijen over de arbeidsovereenkomst kunnen dan ook niet aan de orde komen.

10. Bij deze uitslag worden de BV en [opposant 2] veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor de hoogte van het te hanteren tarief wordt aansluiting gezocht bij het liquidatietarief. Voor het belang wordt aansluiting gezocht bij de veroordeling in het verstekvonnis. Er is, gelet op de samenhang in de conclusies van [geopposeerde 1] enerzijds en [geopposeerde 2] en [geopposeerde 3] anderzijds, geen aanleiding om een afzonderlijke proceskostenveroordeling uit te spreken.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. verklaart de BV en [opposant 2] niet-ontvankelijk in het derdenverzet tegen het verstekvonnis van 11 december 2015 4620625 CV EXPL 15-32213;

II. veroordeelt de BV en [opposant 2] hoofdelijk in de proceskosten die aan de zijde van [geopposeerde 1] , [geopposeerde 2] en [geopposeerde 3] tot op heden begroot worden op € 1.442,00 aan salaris van de gemachtigden, voor zover van toepassing, inclusief btw;

III. veroordeelt de BV en [opposant 2] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 120,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat de BV en [opposant 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.