Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3084

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
Parketnummer 13/751086-19
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Onderzoek heropend ten behoeve van nadere vragen met betrekking tot artikel 12 OLW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751086-19

RK nummer: 20/1113

Datum uitspraak: 19 juni 2020

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 februari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 8 augustus 2019 door de Sąd Okręgowy w Gdańsku, Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats], Polen, op [geboortedag] 1987,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 juni 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting, via een videoverbinding, verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een

  • -

    Sentence of the Regional Court Gdansk-South in Gdansk dated 10 April 2014 in case X K 92/14, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden voorwaardelijk, omgezet op 15 maart 2016 (zaaknummer: XI Ko 3206/15);

  • -

    Sentence of the Regional Court Gdansk-South in Gdansk dated 22 May 2014 in case II K 366/12, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 9 maanden;

  • -

    Default Sentence of the Regional Court Gdansk-South in Gdansk dated 5 June 2014 in case II K 463/14, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaren en 3 maanden;

  • -

    Default Sentence of the Regional Court Gdansk-South in Gdansk dated 31 July 2014 in case II K 448/14, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden;

  • -

    Default Sentence of the Regional Court Gdansk-South in Gdansk dated 28 October 2014 in case II K 497/14, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaren. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 2 jaren, 11 maanden en 29 dagen.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Op grond van de in onderdeel D van het EAB verstrekte gegevens stelt de rechtbank vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van vonnissen, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid.

Uit het EAB, aangevuld met nadere informatie van 3 april 2020 en 28 april 2020 leidt de rechtbank – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende af:

ten aanzien van het vonnis met kenmerk X K 92/14:

de dagvaarding is naar Pools recht geacht te zijn uitgereikt aan de opgeëiste persoon op

13 maart 2014 op het bij de autoriteiten bekende adres. Deze is onbestelbaar geretourneerd. De opgeëiste persoon werd niet vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat en heeft niet tijdig verzet of hoger beroep aangetekend;

ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 366/12:

de oproeping voor de afsluitende zitting is naar Pools recht geacht te zijn uitgereikt aan de opgeëiste persoon op 25 april 2014 op het bij de autoriteiten bekende adres. Deze is onbestelbaar geretourneerd. De opgeëiste persoon, alsmede zijn advocaat, waren aanwezig op de terechtzitting van 14 februari 2013 waar getuigen zijn gehoord en op de terechtzittingen van 16 april 2013 en 27 juni 2013 bij de behandeling van de ‘merits of the case’. De opgeëiste persoon was niet verschenen op de afsluitende zitting op 22 mei 2014. Op deze terechtzitting alsmede tijdens de procedure in hoger beroep heeft de advocaat namens hem de verdediging gevoerd;

ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 463/14:

de dagvaarding is naar Pools recht geacht te zijn uitgereikt aan de opgeëiste persoon op

22 mei 2014 op het bij de autoriteiten bekende adres. Deze is onbestelbaar geretourneerd. De opgeëiste persoon werd niet vertegenwoordigd door een advocaat. Het vonnis, gewezen bij verstek, mede bevattende informatie over verzet of hoger beroep, is op 5 juli 2014 betekend. De opgeëiste persoon heeft tegen het vonnis geen hoger beroep ingesteld;

ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 448/14:

de dagvaarding is naar Pools recht geacht te zijn uitgereikt aan de opgeëiste persoon op

20 juni 2014 op het bij de autoriteiten bekende adres. Deze is onbestelbaar geretourneerd. De opgeëiste persoon werd niet vertegenwoordigd door een advocaat. Het vonnis, gewezen bij verstek, mede bevattende informatie over verzet of hoger beroep, is op 27 augustus 2014 betekend. De opgeëiste persoon heeft tegen het vonnis geen hoger beroep ingesteld;

ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 497/14:

de dagvaarding is naar Pools recht geacht te zijn uitgereikt aan de opgeëiste persoon op

6 oktober 2014 op het bij de autoriteiten bekende adres. Deze is onbestelbaar geretourneerd. De opgeëiste persoon werd niet vertegenwoordigd door een advocaat. Het vonnis, gewezen bij verstek, mede bevattende informatie over verzet of hoger beroep is op 7 november 2014 uitgereikt aan een volwassen huisgenoot. De opgeëiste persoon heeft geen hoger beroep ingesteld.

Voorts blijkt uit de aanvullende informatie van 28 april 2020 dat geen van de vonnissen nog voor een verzetprocedure of hoger beroep vatbaar is.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat overlevering ten aanzien van het vonnis met kenmerk X K 92/14 dient te worden geweigerd, nu de dagvaarding niet in persoon is betekend, de opgeëiste persoon niet is vertegenwoordigd door een advocaat, het vonnis niet is betekend en geen verzet of hoger beroep mogelijk is.

Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 366/12 acht de officier van justitie de overlevering toelaatbaar aangezien de opgeëiste persoon aanwezig was op zittingen waar de zaak inhoudelijk is behandeld.

Ten aanzien van de overige vonnissen acht de officier van justitie de overlevering eveneens toelaatbaar omdat de vonnissen in persoon zijn betekend (“the person was served with the decision”), anders dan de dagvaardingen die zijn ‘geacht’ te zijn betekend.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich met betrekking tot het vonnis met kenmerk X K 92/14 aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 366/12 heeft de raadsman aangevoerd dat weliswaar in 2013 zittingen zijn geweest waarop behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden, maar dat de opgeëiste persoon voor de afsluitende zitting op 22 mei 2014 geen oproeping heeft ontvangen. De overlevering dient daarom ook met betrekking tot dit vonnis te worden geweigerd.

Met betrekking tot de overige vonnissen heeft de raadsman opgemerkt dat de oproepingen niet in persoon zijn betekend. Hoe de betekening van de vonnissen heeft plaatsgevonden is niet duidelijk geworden, aldus de raadsman die tevens heeft opgemerkt dat de opgeëiste persoon in 2014 in Nederland was, zodat hij een en ander niet persoonlijk in ontvangst heeft kunnen nemen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat overlevering ten behoeve van het vonnis met kenmerk X K 92/14 dient te worden geweigerd op de door de officier van justitie genoemde gronden.

Met betrekking tot het vonnis met kenmerk II K 366/12 overweegt de rechtbank als volgt. In de brief van 3 april 2020 heeft de Poolse uitvaardigende autoriteit het volgende gesteld:

At the trial closing the court proceeding, the accused person’s defence counsel appeared and the defence counsel did defend him at the trial and was also present at the appellate trial, supporting the appeal lodged for his benefit.

Hieruit volgt dat kennelijk sprake is van een behandeling in hoger beroep waar de advocaat van de opgeëiste persoon de verdediging heeft gevoerd. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt niet of de opgeëiste persoon een dagvaarding voor deze zitting heeft ontvangen dan wel zijn advocaat door de opgeëiste persoon bepaaldelijk is gevolmachtigd. Nadere informatie hierover is noodzakelijk. De behandeling zal daarom worden heropend om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende autoriteit.

Ten aanzien van de vonnissen met de kenmerken II K 463/14 en II K 448/14 staat in het EAB vermeld dat de vonnissen zijn betekend (“served”). Artikel 12, sub c, OLW eist niet dat het vonnis aan de verdachte in persoon is betekend (Rb. Amsterdam 3 augustus 2012, LJN BY2002), maar wel dat de verdachte het vonnis daadwerkelijk kende en in de gelegenheid was daartegen tijdig een rechtsmiddel aan te wenden (Rb. Amsterdam 2 oktober 2012, LJN BY2664). Nu niet is gebleken aan wie en op welke wijze de vonnissen zijn betekend, zal de behandeling ook ten behoeve van het verkrijgen van nadere informatie hierover, worden heropend.

De rechtbank is van oordeel dat overlevering ten behoeve van het vonnis met kenmerk

II K 497/14 dient te worden geweigerd. Gebleken is dat dit vonnis is betekend aan een huisgenoot. De rechtbank refereert in dit verband aan de uitspraak van het Europese Hof van 24 mei 2016 in de zaak Dworzecki (C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346).

4 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] met betrekking tot de vonnissen met de kenmerken X K 92/14 en II K 497/14.

HEROPENT en SCHORST de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verkrijgen van de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten:

ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 366/12:

  • -

    Is in hoger beroep sprake geweest van een inhoudelijke behandeling van de strafzaak en, zo ja:

  • -

    heeft de opgeëiste persoon een dagvaarding in persoon ontvangen?

  • -

    heeft een advocaat tijdens die behandeling de verdediging gevoerd en, zo ja:

  • -

    was die advocaat door de opgeëiste persoon bepaaldelijk gevolmachtigd?

  • -

    is de uitspraak betekend en, zo ja, aan wie en op welke wijze en, zo nee:

  • -

    heeft de opgeëiste persoon recht op een onvoorwaardelijke verzetsgarantie?

Ten aanzien van de vonnissen met de kenmerken II K 463/14 en II K 448/14:

- aan wie zijn de vonnissen betekend en op welke wijze heeft dat plaatsgevonden?

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen dag en tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. M.T.C. de Vries, voorzitter,

mrs. E. de Rooij en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 19 juni 2020.

De oudste rechter is buiten staat te tekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.