Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3079

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
17-07-2020
Zaaknummer
C/13/645275 / HA ZA 18-292
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht, Vraag of assuradeuren vermeld als verzekeraar op polisblad beurspolis als verzekeraars aan te spreken zijn. Uitleg polisblad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2020/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/645275 / HA ZA 18-292

Vonnis van 17 juni 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE KOEWEIDE BEHEER B.V.,

gevestigd te Gastel,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRANSACTA MIERLO B.V.,

gevestigd te Mierlo,

eiseressen,

advocaat mr. P.J.M. Brouwers te Maastricht,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht, zijnde de rechtsopvolger van GENERALI SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CORINS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SOMPO JAPAN CANOPIUS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. de vennootschap naar Belgisch recht

AXA BELGIUM N.V.,

gevestigd te Brussel, België,

5. de vennootschap naar Duits recht

GREAT LAKES INSURANCE SE,

gevestigd te München, Duitsland,

6. de vennootschap naar Engels recht

TOKIO MARINE KILN SYNDICATES LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

7. de rechtspersoon naar Engels recht

LIBERTY MANAGING AGENCY LTD,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

8. de rechtspersoon naar Engels recht

HARDY UNDERWRITING GROUP PLC,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

9. de rechtspersoon naar Engels recht van

AMTRUST SYNDICATES LTD,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

10. de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MIJ N.V.,

gevestigd te Den Haag,

11. de vennootschap naar Belgisch recht

ALPHA INSURANCE N.V.,

gevestigd te Etterbeek, België,

12. de rechtspersoon naar Engels recht

CANOPIUS MANAGING AGENTS LTD,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

gedaagden,

advocaat mr. G.C. Endedijk te Amsterdam.

Eiseressen zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als De Koeweide en Transacta en gezamenlijk als De Koeweide c.s. (vrouwelijk enkelvoud). Gedaagden zullen gezamenlijk Generali c.s. of de verzekeraars genoemd worden en afzonderlijk worden afgekort.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van 31 oktober 2018,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    de conclusie van repliek met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek met producties,

  • -

    de akte uitlating producties van De Koeweide c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 15 januari 2015 heeft brand gewoed in een haven in Wessem, bestaande uit een jachthaven voor plezierboten en een deel, genaamd ‘Comfortparc Wessem’, voor watergebonden verblijfsaccommodaties (hierna gezamenlijk aangeduid als: de jachthaven).

2.2.

De Koeweide is eigenaar en exploitant van deze jachthaven. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) bezat ten tijde van de brand 50% van de aandelen van de topholding van de groep waartoe De Koeweide behoort. De overige 50% van de aandelen werd gehouden door [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [betrokkene 1] en [naam 1] waren op het moment van de brand ook (indirect) bestuurders van De Koeweide.

2.3.

Transacta is eigenaar van het centrale havengebouw van de jachthaven. In de jachthaven lagen onder meer 12 zogenaamde comfortships afgemeerd en twee comforthouses. Transacta was eigenaar van vijf van deze comfortships. De Koeweide was eigenaar van de twee comforthouses.

2.4.

Statutair bestuurders van Transacta waren in de periode voor deze zaak van belang [betrokkene 1] , de echtgenote van [betrokkene 1] , en haar broer [betrokkene 2] . Aandeelhouders van Transacta waren [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en hun moeder. Transacta is de vennootschap waarin het vermogen wordt beheerd dat is nagelaten door vader en echtgenoot [betrokkene 1] .

2.5.

Transacta had de vijf comfortships gekocht van De Koeweide. Per comfortship is tevens een aanvullende koopovereenkomst opgemaakt op 29 december 2011. In deze aanvullende overeenkomst staat vermeld dat de koopsom in de koopovereenkomst € 75.000,- ex BTW lager is dan de uiteindelijke definitieve koopsom. Het restant van € 75.000,- zal door de Koper (Transacta) aan Verkoper (De Koeweide) betaald worden op het moment dat Transacta het comfortship met de ligplaats doorverkoopt aan een derde, maar uiterlijk binnen vijf jaar na datum van de koopovereenkomst.

2.6.

Op 24 augustus 2012 is voor de jachthaven een brandschadeverzekering tot stand gekomen op grond waarvan de steigers (inclusief palen en oploopbruggen), de infrastructuur (zowel aanwezig op de wal als in de steigers), het centrale havengebouw en inventaris zijn verzekerd tegen (onder meer) brandschade. Verzekerden onder deze polis waren De Koeweide (eigenaar van de steigers en infrastructuur) en Transacta (eigenaar van het havengebouw). Op het polisblad staan de volgende verzekerde bedragen vermeld:

€ 3.000.000,- voor de steigers, inclusief palen, oploopbruggen en toebehoren;

€ 2.350.000,- voor het havengebouw;

€ 614.146,- voor de inventaris, uitrusting, goederen van het havengebouw;

€ 200.000,- voor de infrastructuur; en

€ 750.000,- voor bedrijfsschade, met een maximum uitkeringstermijn van 52 weken,

dus € 6.914.146,- totaal.

2.7.

Op het polisblad staat voorts vermeld dat op de verzekering de Nederlandse Beursvoorwaarden voor zaak- en bedrijfsschadeverzekering 2006 van toepassing zijn (hierna: de NBZB). Voorts staat op het door De Koeweide c.s. overgelegde polisaanhangsel 5 vermeld:

De verzekeraar is:

(voor akkoord zie aangehecht handtekeningenblad)

25% Generali Schadeverzekering Maatschappij N.V.

50% Corins B.V.

25% Sompo Japan Nipponkoa Nederland B.V.”

Op het handtekeningenblad staat bij deze drie namen een handtekening. Voorts staan daarbij dezelfde percentages genoemd en is voor de eerste twee namen vermeld dat de rol “Leidend” is. Bij de derde naam staat dat de rol “Volgend” is.

2.8.

Op het door Generali c.s. overgelegde polisaanhangsel 6 is vermeld, voor zover van belang:

De verzekeraar is:

(voor akkoord zie aangehecht handtekeningenblad)

25% Generali Schadeverzekering Maatschappij N.V.

50% Corins B.V.

25% Sompo Japan Nipponkoa Nederland BV on behalf of Lloyds syndicates 4444 and 958.”

Een handtekeningenblad is niet overgelegd.

2.9.

De NBZB bepalen dat schade als direct gevolg van brand is gedekt. Brand wordt in artikel 2.2.1 van de NBZB als volgt gedefinieerd, voor zover van belang:

“Een door verbranding veroorzaakt en met vlammen gepaard gaand vuur buiten een haard dat in staat is zich uit eigen kracht voort te planten.

Derhalve is onder andere geen brand:

- zengen, schroeien, smelten, verkolen, broeien; (…)”

2.10.

In de NBZB staat verder, voor zover voor deze zaak van belang:

“ARTIKEL 2 OMVANG VAN DE DEKKING

(….)

2.2.11

VANDALISME

Nadat de dader het gebouw wederrechtelijk binnengedrongen is.

Deze dekking geldt niet voor gebouwen of gedeelten daarvan die buiten gebruik zijn gesteld.”

2.11.

De brand in de jachthaven op 15 januari 2015 vond plaats ter hoogte van het Comfortparc en daarbij zijn onder meer een deel van de steigers, de aanwezige comfortships en comforthouses en het havengebouw verloren gegaan dan wel beschadigd.

2.12.

De Koeweide c.s. hebben onder deze verzekering melding gedaan van de brand in de jachthaven. De door verzekeraars aangestelde schade-expert P. van der Krogt van Lengkeek Expertises (hierna: Lengkeek) en de door De Koeweide c.s. ingeschakelde deskundige van Crawford & Company (Nederland) B.V. (hierna: Crawford & Company) hebben bij akte van taxatie de schade begroot op de volgende bedragen:

Herbouwwaarde steigers € 650.039

Herstelkosten infrastructuur € 121.276

Herstelkosten havengebouw € 3.000

Bedrijfsschade Transacta € 80.000

Opruimingskosten € 63.700

Bereddingskosten € 9.710

2.13.

De verzekeraars hebben De Koeweide c.s. op 2 februari 2015 een voorschot betaald van € 20.000,-, maar zijn niet tot uitkering van de verdere schade overgegaan. Na correspondentie heeft dit geleid tot de onderhavige procedure.

2.14.

Op 17 december 2014 is de politie een onderzoek begonnen naar een drietal nautische branden die in de periode 6 december 2014 tot en met 16 december 2014 in Midden-Limburg hebben plaatsgevonden. De brand in de jachthaven in Wessem van 15 januari 2015 is later aan dit onderzoek toegevoegd. [betrokkene 1] werd door de politie van betrokkenheid bij een drietal branden verdacht, waaronder die in de jachthaven.

2.15.

De comfortships van Transacta die bij de brand verloren zijn gegaan, waren verzekerd bij (nu) Amlin Insurance SE (hierna: Amlin). Amlin heeft dekking geweigerd. Daarover heeft een gerechtelijke procedure gelopen bij de rechtbank Rotterdam. In die procedure lag onder meer de gang van zaken bij de koop van de schepen van De Koeweide voor (zie onder 2.5). De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 25 oktober 2017 voorshands geoordeeld dat de koopsom kunstmatig hoog is gemaakt met het doel de verzekeraars te misleiden. Op 13 november 2019 heeft de rechtbank eindvonnis gewezen en geoordeeld dat Transacta en [naam bedrijf] Vastgoed B.V. zijn geslaagd in het leveren van tegenbewijs.

2.16.

De twee comforthouses van De Koeweide zijn bij de brand beschadigd. Deze waren verzekerd bij Delta Lloyd. Delta Lloyd heeft op 13 maart 2015 terzake een bedrag van € 770.000,- uitgekeerd. In een procedure bij de rechtbank Oost-Brabant heeft Delta Lloyd dit bedrag van De Koeweide teruggevorderd. Bij vonnis van 25 oktober 2017 is Delta Lloyd opgedragen te bewijzen dat [betrokkene 1] bij brandstichting van de jachthaven betrokken was. Op 25 april 2018 heeft de rechtbank eindvonnis gewezen. Delta Lloyd heeft afgezien van het leveren van bewijs en de vordering is afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

De Koeweide c.s. vordert samengevat veroordeling tot betaling aan De Koeweide van het bedrag van € 844.725,- en aan Transacta van het bedrag van € 83.000,-, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten, elke verzekeraar naar rato van haar aandeel.

3.2.

De Koeweide c.s. legt aan haar vordering ten grondslag dat sprake is van een onder de verzekeringsovereenkomst gedekt evenement en dat de verzekeraars daarom gehouden zijn de schade, zoals door Lengkeek begroot, aan haar uit te keren.

3.3.

Generali c.s. voert verweer. Allereerst stelt zij zich op het standpunt dat De Koeweide c.s. niet-ontvankelijk is jegens gedaagden sub 2 en 3. Inhoudelijk betwist zij dat sprake is van een gedekt evenement. Voor zover al sprake is van een gedekt evenement, voert zij aan dat zij niettemin niet tot uitkering hoeft over te gaan omdat verzekerde de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt (artikel 7:952 Burgerlijk Wetboek (BW)). Zij acht voldoende aannemelijk dat [betrokkene 1] , bestuurder van De Koeweide en feitelijk bestuurder van Transacta, betrokken is geweest bij brandstichting in de jachthaven. Daarnaast voert zij een aantal aan de polisvoorwaarden ontleende verweren. Tot slot betwist Generali c.s. de schade.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

I. Wie zijn de verzekeraars?

4.1.

Tussen partijen is in geschil of gedaagden sub 2 en 3 als verzekeraars hebben te gelden, zoals De Koeweide c.s. stelt, of als gevolmachtigd assuradeur namens gedaagden sub 4 tot en met 12, zoals Generali c.s. aanvoert.

4.2.

Vast staat dat gedaagden sub 2 en 3 gewoonlijk optreden als agent/assuradeur en ook als zodanig zijn geregistreerd bij de AFM en de Kamer van Koophandel. Uit artikel 72 Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft vloeit voor de (onder)gevolmachtigd agent de verplichting voort in de polis dan wel een daaraan toegevoegd aanhangsel de naam van de door hem vertegenwoordigde verzekeraar en, in geval van coassurantie, het aandeel dat hij namens de verzekeraar(s) heeft geaccepteerd, te vermelden. De rechtbank stelt vast dat aan deze verplichting in het onderhavige geval niet is voldaan, zoals blijkt uit het door De Koeweide c.s. overgelegde polisaanhangsel en (ten aanzien van gedaagde sub 2) uit het door Generali c.s. overgelegde polisaanhangsel.

4.3.

Uit dit feit vloeit echter niet automatisch voort dat gedaagden sub 2 en 3 ook moeten worden aangemerkt als verzekeraar/contractspartij van De Koeweide c.s., voor zover De Koeweide c.s. dit bedoelt te stellen. Het gaat hier om uitleg van een mededeling op het polisblad van een ter beurze gesloten verzekeringsovereenkomst (en dus niet om uitleg van de polisvoorwaarden). Voor de uitleg daarvan zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen aan de aanduiding van de contractspartijen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, zulks in het licht van alle omstandigheden van het geval (de Haviltex-maatstaf). In dit geval werd De Koeweide c.s. bij het afsluiten van de verzekering vertegenwoordigd door een professionele, ter zake kundige adviseur/makelaar. Gelet op de bekendheid die bij deze adviseur mag worden verondersteld over de rol van gedaagden sub 2 en 3 in de verzekeringsmarkt (als assuradeuren, niet verzekeraars) – en het feit dat zulks ook kenbaar is uit de register van de AFM en de Kamer van Koophandel – moet De Koeweide c.s. worden geacht bekend te zijn geweest met het feit dat de verzekeringsovereenkomst door assuradeuren werd ondertekend namens door hen vertegenwoordigde verzekeraars.

4.4.

Inmiddels is bovendien duidelijkheid verstrekt over de achterliggende risicodragende verzekeraars. De Koeweide c.s. heeft de daartoe strekkende opgave van Generali c.s. inhoudelijk niet betwist en heeft de opgegeven verzekeraars ook in deze procedure betrokken. Deze hebben alle woonplaats gekozen op het adres van de gemachtigde van Generali c.s. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding om enige vordering toe te wijzen jegens gedaagden sub 2 en 3. Voor zover de vorderingen dus ingesteld zijn tegen gedaagden sub 2 en 3, liggen die voor afwijzing gereed.

II. Opzet of roekeloosheid [betrokkene 1] ?

4.5.

Generali c.s. baseren hun weigering tot uitkering over te gaan (mede) op artikel 7:952 BW. Op grond van dit artikel kan uitkering onder de verzekering worden geweigerd indien de schade is veroorzaakt door opzet of roekeloosheid van de verzekerde. Generali c.s. stelt zich op het standpunt dat bij de brand sprake is geweest van brandstichting en dat [betrokkene 1] daarbij betrokken was dan wel daartoe de opdracht heeft gegeven. Omdat [betrokkene 1] bestuurder is van De Koeweide en feitelijk bestuurder van Transacta, kan dit handelen van [betrokkene 1] aan verzekerden worden toegerekend, aldus Generali c.s. De Koeweide c.s. betwist zowel [betrokkene 1] betrokkenheid bij brandstichting als dat een mogelijke betrokkenheid De Koeweide c.s. kan worden toegerekend.

4.6.

Vooropgesteld wordt dat De Koeweide c.s. terecht aanvoert dat het Generali c.s. is die zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stellingen. Het is op grond van artikel 150 Rv dan ook aan Generali c.s. om voldoende te stellen en – indien nodig – deze stellingen te bewijzen. Haar pleidooi voor een omkering van de bewijslast baseert Generali c.s. uitsluitend op de ernstige vermoedens die zij stelt te hebben van betrokkenheid van De Koeweide c.s. bij brandstichting. Daarmee miskent zij dat het nou juist in eerste instantie aan haar is om deze ernstige vermoedens te onderbouwen. Voor omkering van de bewijslast is dus geen aanleiding.

a. toerekening?

4.7.

De rechtbank zal eerst beoordelen of, zoals Generali c.s. stelt, een mogelijke betrokkenheid van [betrokkene 1] bij brandstichting te gelden kan hebben als een betrokkenheid van De Koeweide c.s. Tussen partijen is niet in geschil dat [betrokkene 1] , naast [naam 1] , statutair bestuurder was van De Koeweide. De Koeweide c.s. voert echter aan dat het handelen van één van de twee statutair bestuurders niet automatisch aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Daarnaast betwist De Koeweide c.s. dat [betrokkene 1] feitelijk bestuurder is van Transacta. Om die reden kan het handelen van [betrokkene 1] ook niet aangemerkt worden als handelen van Transacta.

4.8.

Voor de beantwoording van de vraag of onrechtmatig handelen een rechtspersoon kan worden toegerekend, wordt in eerste instantie gekeken naar het handelen van haar bestuurders. In 1979 heeft de Hoge Raad in het zogenaamde Kleuterschool Babbel-arrest van 6 april 1979 (ECLI:NL:HR:1979:AH8595) daarnaast een nieuw criterium aanvaard. De Hoge Raad oordeelde dat voor de vraag of een gemeente voor de gedragingen van een wethouder kan worden aangesproken, niet beslissend is of de wethouder in de Gemeentewet als orgaan van de gemeente wordt erkend: “De gedragingen kunnen immers ook dan een onrechtmatige daad van de Gemeente opleveren, wanneer zij in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van de Gemeente hebben te gelden.” In de jurisprudentie is dit criterium sindsdien ook toegepast bij de beoordeling van vragen van eigen schuld van een verzekerde. Daarbij moet wel rekening gehouden worden met het eigen karakter van het verzekeringsrecht. Zoals De Koeweide c.s. terecht aanvoert, brengt immers het uitzonderingskarakter van artikel 7:952 BW mee dat daaraan niet een te ruime toepassing kan worden gegeven. Dat zou er immers toe leiden dat de bescherming van een verzekeringsdekking te makkelijk zou kunnen wegvallen naarmate meer personen bij de rechtspersoon zijn betrokken. Uit twee arresten van de Hoge Raad valt af te leiden dat bij de vraag naar opzet of eigen schuld van de rechtspersoon in het schadeverzekeringsrecht wel het ‘Babbel’-criterium moet worden aangelegd, maar daarbij rekening moet worden gehouden met de eigen verzekeringsrechtelijke karaktertrekken, met name met de strekking van artikel 7:952 BW en dus ook met het feit dat het hier om uitzonderingsbepalingen gaat waaraan niet een ruime toepassing behoort te worden gegeven. Bij die beoordeling moet vooral gekeken worden naar de aard van de handeling en de feitelijke positie (of: hoedanigheid) van de handelende persoon (zie de arresten van de Hoge Raad van 11 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC2014 (Los Gauchos) en van 4 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0352 (Anthony Veder)).

4.9.

De rechtbank stelt voorop dat het handelen van [betrokkene 1] in ieder geval toegerekend kan worden aan De Koeweide. [betrokkene 1] was destijds statutair bestuurder en aandeelhouder van De Koeweide en zijn gedragingen hebben in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van De Koeweide te gelden, ook als het gaat om eventuele betrokkenheid bij brandstichting. Voor toerekening van onrechtmatige daden van een bestuurder aan een rechtspersoon is - gelet op het “Babbel-criterium” en anders dan De Koeweide c.s. heeft aangevoerd - een functioneel verband niet vereist. Ook gedragingen die niet behoren tot de normale werkzaamheden van de rechtspersoon kunnen aan de rechtspersoon worden toegerekend. Indien [betrokkene 1] de brand in Wessem heeft gesticht of althans daartoe opdracht heeft gegeven, dan staat daarmee naar het oordeel van de rechtbank eveneens vast dat hij dit heeft gedaan met het oog op de (financiële) belangen die De Koeweide daarbij zou kunnen hebben. [betrokkene 1] heeft in dat geval dan dus niet privé gehandeld maar veeleer als (indirect) bestuurder/aandeelhouder van De Koeweide.

4.10.

De volgende vraag is of een mogelijke betrokkenheid van [betrokkene 1] bij brandstichting ook te gelden heeft als aan Transacta toe te rekenen ‘eigen schuld’. Daarvoor moet dus worden beoordeeld of, gelet op de aard van de handeling en de feitelijke positie van [betrokkene 1] binnen Transacta, een dergelijke betrokkenheid in het maatschappelijk verkeer aan Transacta kan worden toegerekend, waarbij terughoudendheid moet worden betracht gelet op het uitzonderingskarakter van artikel 7:952 BW.

4.11.

Generali c.s. heeft aangevoerd dat de formele bestuurders van Transacta weliswaar formeel de echtgenote van [betrokkene 1] en haar broer waren, maar dat deze in de praktijk zich niet bemoeiden met de gang van zaken en de feitelijke bedrijfsvoering geheel overlieten aan [betrokkene 1] . Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij gewezen op de volgende feiten en omstandigheden:

- Uit het proces-verbaal van verdenking van [betrokkene 1] van 8 december 2015 de volgende passage:

“Zeggenschap [betrokkene 1] bij Transacta (…)
Uit diverse verklaringen van zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 1] blijkt, dat [betrokkene 1] een grotere rol bij de activiteiten en beleggingen van Transacta (…) heeft, dan uit de formele rollen die bij beide B.V.’s bekend zijn, blijkt. Indien [betrokkene 1] of haar broer, [betrokkene 2] , gevraagd wordt naar zaken als welke investeringen gedaan zijn, voor welke bedragen, en wat e.e.a. concreet inhoudt, weet [betrokkene 1] vaak niet precies wat er besloten en geregeld is, maar [betrokkene 1] wel en hij vertelt hier vervolgens ook over.
In een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en echtgenote [betrokkene 1] , verklaart [betrokkene 1] kortgezegd, dat zij niet meegaat op zoek naar boten, omdat [betrokkene 1] (haar man) toch bepaalt.
Bij de doorzoeking van de woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 1] zijn er diverse bescheiden aangetroffen gericht aan Transacta (…) ter attentie van [betrokkene 1] . Dit, terwijl [betrokkene 1] geen formele rol of aanstelling binnen deze BV heeft. (...)”

  • -

    In het strafdossier bevindt zich een viertal voorovereenkomsten die door [betrokkene 1] namens Transacta zijn ondertekend, terwijl nergens uit blijkt dat daartoe een volmacht was afgegeven;

  • -

    In het onderzoek dat Amlin heeft verricht naar de brandschade hebben onderzoekers [naam 2] ( [naam 2] ) en [naam 3] ( [naam 3] ) respectievelijk namens onderzoeksbureau Confid en schade-expertisebureau VanderWal & Joosten gesprekken gevoerd met [betrokkene 1] en zijn echtgenote [betrokkene 1] . In een (niet ondertekend) gespreksverslag van [naam 2] en [naam 3] van 18 februari 2015 zijn onder meer de volgende passages opgenomen:
    “Mevrouw [betrokkene 1] verklaarde in het bijzijn van haar echtgenoot, de heer [betrokkene 1] , desgevraagd het volgende:
    Ik ben samen met mijn broer eigenaar van het bedrijf Transacta (…), gevestigd op [adres] (…). Mijn man voert alle werkzaamheden binnen Transacta (…) uit. Transacta was het bedrijf van mijn vader en moeder (…). In 2002 is mijn vader overleden waarna (…) Transacta (…) is overgegaan op mijn naam en dat van mijn broer (…). Mijn moeder leeft nog en is aandeelhouder van de B.V. (…) maar ook mijn moeder verricht geen werkzaamheden binnen Transacta (…) en zij is geen bestuurder. Mijn broer heeft diabetes en is daardoor niet in staat om 40 uur of meer per week te werken. De tijden dat hij kan werken, werkt hij als technische dienst op de camping (…) wat wij ook nog exploiteren. Mijn man [betrokkene 1] verricht zoals gezegd alle werkzaamheden voor Transacta (…). Ik bemoei me niet met de dagelijkse zaken buiten de keren dat ik een handtekening moet zetten op een officieel document. (…). Over de koop van de schepen en de verzekeringen en huurovereenkomsten van de schepen kan mijn man [betrokkene 1] (…) het beste verklaren. Uiteraard worden aankoop beslissingen overwogen, en uiteindelijk genomen door mijn moeder, broer en ikzelf.
    [betrokkene 1] verklaart vervolgens het volgende:
    (…) Na het overlijden van mijn schoonvader heb ik de zaken van de familie [betrokkene 1] vertegenwoordigd. Ik beleg en investeer hun vermogen. Ook is er de vrijheid om in overleg met mijn schoonfamilie over financiële middelen van hun te beschikken voor de financiering van projecten die wij of binnen Euroresorts uitvoeren, of wel gezamenlijk middels een bedrijf (BV) van mijn schoonfamilie. Voorbeelden daarvan zijn (…) en ook zijn door hun gelden versterkt in de aankoop van de Jachthaven in Wessem (…)”.

  • -

    In een voorlopig gespreksverslag van een tweede gesprek tussen [naam 2] en [naam 3] enerzijds en [betrokkene 1] en [betrokkene 1] anderzijds op 28 april 2015 is opgetekend dat is verklaard dat het vermogen van Transacta (deels) is aangewend voor investeringen in de jachthaven, dat [betrokkene 1] en haar broer niet weten om welke bedragen het gaat of wanneer is geïnvesteerd en of de investering is terugverdiend en dat zij evenmin weten hoe de koopprijs van de schepen tot stand is gekomen. Voorts volgt eruit dat dit is omdat [betrokkene 1] de beslissingen daarover heeft genomen. Deze heeft met zijn schoonmoeder, na het overlijden van zijn schoonvader, afgesproken dat hij de bedrijfsvoering van Transacta voor zijn rekening zou nemen zonder salaris te ontvangen. Uit het verslag blijkt voorts dat [betrokkene 1] degene is die afspraken maakt met derden in het kader van de bedrijfsvoering van Transacta, dat hij deze afspraken voorbereidt en dat geen rekeningen worden betaald als [betrokkene 1] deze niet heeft geparafeerd;

  • -

    Nadat [naam 2] de gespreksverslagen aan [betrokkene 1] had toegezonden met het verzoek om, indien gewenst, wijzigingen aan te brengen en de verklaring getekend te retourneren, heeft [betrokkene 1] na overleg met zijn advocaat ingrijpende wijzigingen aangebracht. Dit heeft geleid tot een correspondentie tussen (de rechtsvoorgangster van) Amlin en [betrokkene 1] (en Transacta), die ertoe heeft geleid dat Amlin een verzoek heeft gedaan tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor bij de rechtbank Oost-Brabant. Dit is gelast en op 23 januari 2016 zijn verklaringen afgelegd door [betrokkene 1] en [betrokkene 1] . Aan deze verklaringen valt Generali c.s. op dat de rol van [betrokkene 1] bij Transacta veel beperkter wordt weergegeven dan door [naam 2] en [naam 3] tijdens de eerste twee gesprekken is opgetekend, dat wil zeggen voor de advocaat van [betrokkene 1] bij de zaak werd betrokken. Voorts blijkt eruit dat [betrokkene 1] verklaard heeft dat zij niet wist of de comfortships die Transacta van De Koeweide had gekocht ooit waren getaxeerd en zo ja, voor welke bedragen. [betrokkene 1] heeft verklaard dat deze schepen wel waren getaxeerd;

  • -

    Tijdens hetzelfde voorlopig getuigenverhoor bij de rechtbank Oost-Brabant zijn op 26 oktober 2016 verklaringen afgelegd door [betrokkene 2] , [naam 2] en [naam 3] . [betrokkene 2] heeft over de aangebrachte wijzigingen in de verklaringen verklaard dat deze zijn aangebracht door zijn zwager, zijn zus en hemzelf op aanwijzingen van [advocaat], en verder: “het is allemaal wel lang geleden en ik kan u niet in detail zeggen wat ik allemaal heb verklaard. Ik heb in het verleden soft drugs gebruikt en heb ook suikerziekte. Mijn geheugen is sterk achteruit gegaan.”
    [naam 2] heeft verklaard dat de oorspronkelijke twee gespreksverslagen een correcte weergave bevatten van wat er besproken was en dat hij verbaasd was over de wijzigingen die [betrokkene 1] na overleg met zijn advocaat had voorgesteld. Daarbij was wat hem betreft sprake van tegenstrijdigheden met wat in het gesprek was verklaard. Bij het maken van afspraken voor de gesprekken had [betrokkene 1] ook als contactpersoon gefungeerd, dat hij [betrokkene 1] niet zelf had uitgenodigd om aanwezig te zijn bij gesprekken die hij wilde voeren met [betrokkene 1] en haar broer, maar dat hij de indruk had dat deze aanwezig was op verzoek van [betrokkene 1] . Voorts heeft hij verklaard dat hij notities heeft gemaakt van de gesprekken waarin onder meer het volgende is genoteerd:
    “Mevrouw ( [betrokkene 1] ) is tekeningsbevoegd. [betrokkene 1] doet al het werk”
    “De heer [betrokkene 1] heeft de koop voor ons geregeld, voorbereid en (…)”
    “Weet niet of er een aanbod is gedaan voor terugkoop, als [betrokkene 1] zegt je moet weer terugverkopen aan De Koeweide dan doen we dat”
    “L heeft de rekeningen betaald voor de loodgieter etc. [betrokkene 1] zet akkoord op rek. L betaald dan de factuur”

[naam 3] heeft onder meer het volgende verklaard:
“Wat mij bij het eerste gesprek opviel was dat mevrouw [betrokkene 1] aangaf weinig van de gang van zaken bij het bedrijf te weten en zich daarmee ook niet veel te bemoeien. Het was zelfs zo dat ze letterlijk zei daar niets van te weten. Ik herinner mij dat nog omdat dat mij destijds verbaasde. Verder was het de heer [betrokkene 1] die tijdens het gesprek circa 90 procent aan het woord was. Hij leek ook de verlangde informatie voor handen te hebben. Van het tweede gesprek herinner ik mij dat mevrouw [betrokkene 1] wat meer naar antwoorden zocht maar daarin af en toe ook werd gecorrigeerd door de heer [betrokkene 1] met de opmerking ‘dat weet je toch wel, dat zit zus en zo’
(…)
Van beide gesprekken zijn verklaringen opgemaakt door de heer [naam 2] . Hij heeft de verklaringen in concept aan mij toegezonden en volgens mij heb ik daar geen noemenswaardig commentaar op geleverd. (…)
De weergave in de verklaring (…) zonder wijzigingen (…) geeft een correcte weergave van wat destijds (…) is besproken. (…) Voor beide verslagen heb ik de heer [naam 2] medegedeeld dat ik vond dat hij de gesprekken netjes had weergeven. Dit omdat de gesprekken ook door interrupties wat rommelig verliepen. Voor wat betreft de wijzigingen in het verslag van het tweede gesprek heb ik de heer [naam 2] bericht dat die wijzigingen volgens mij niet weergeven wat hetgeen daadwerkelijk was besproken. Wat mij in het bijzonder opviel was dat mevrouw [betrokkene 1] tijdens het eerste gesprek had gezegd niets van het reilen en zeilen van de ondernemingen af te weten In het tweede gesprek zocht zij nog wel naar antwoorden, maar in het verslag met de wijzigingen werd vervolgens de suggestie gewerkt dat mevrouw [betrokkene 1] veel meer van het reilen en zeilen van de ondernemingen af wist en dat zij zich daar ook meer mee bemoeide. (…) Bij het tweede gesprek was een antwoordvolgorde afgesproken. Eerst zouden de heer en mevrouw [betrokkene 1] antwoord gegeven op vragen en daarna de heer [betrokkene 1] . Dat voelde wat onnatuurlijk aan omdat ik het idee had dat de heer [betrokkene 1] goed op de hoogte was en daarom af en toe ook interrumpeerde. Naar mijn beleving naar aanleiding van beide gesprekken was het de heer [betrokkene 1] die het meeste afwist van de bedrijfsvoering van de vennootschappen en was het hij die in overwegende mate de dienst uitmaakte (…).”

  • -

    Verklaringen van (oud-)medewerkers van [betrokkene 1] /De Koeweide, gewezen bedrijfsleidster [naam medewerkster] en [naam medewerker] over de rol die [betrokkene 1] speelde ten opzichte van [betrokkene 1] en haar broer. [naam medewerker] heeft verder verklaard dat zij in opdracht van [betrokkene 1] , naar aanleiding van gelegde beslagen, geld overmaakte van bankrekeningen van Transacta naar andere bankrekeningen;

  • -

    Uit de conclusie na enquête die Transacta heeft ingediend in de procedure tegen Amlin bij de rechtbank Rotterdam blijkt dat [betrokkene 1] naar derde partijen ook de schijn wekte dat hij bevoegd was Transacta te vertegenwoordigen. Transacta maakt in die conclusie immers zelf melding van fouten in de jaarcijfers vanwege het ontbreken van documenten die [betrokkene 1] aan de belastingadviseur van Transacta had moeten aanleveren over de aankoop door Transacta van de comfortships van De Koeweide. Ook blijkt daaruit dat [betrokkene 1] de op deze koop betrekking hebbende geregistreerde koopakte tot kort voor het nemen van die conclusie niet kende;

  • -

    Tot slot wijst Generali c.s. op een e-mail van ene [naam 4] aan [betrokkene 1] van 30 juni 2014 waarin [naam 4] vraagt: “Je geeft aan van de 5 Comfortships eigenaar te zijn, klopt deze opmerking?”. Daaruit leidt Generali c.s. ook af dat [betrokkene 1] naar externe partijen in ieder geval de schijn wekt dat hij eigenaar is van aan Transacta toebehorende goederen.

4.12.

In reactie op deze aangevoerde feiten en omstandigheden heeft De Koeweide c.s. vooral aangevoerd dat Generali c.s. een onjuist juridisch criterium aanlegt om te concluderen dat [betrokkene 1] feitelijk bestuurder was. Bovendien stelt zij dat bij het aanleggen van het juiste criterium de lat niet wordt gehaald om tot deze conclusie te komen. Ze heeft daarnaast betwist dat [betrokkene 1] binnen Transacta de feitelijk beleidsbepaler was. Hij was slechts klusjesman/adviseur. Naast hem waren ook andere oud zakenpartners van de overleden (schoon)vader [betrokkene 1] adviseur. Aan de niet-ondertekende gespreksverslagen kan geen bewijskracht worden toegekend. Daarbij komt dat [betrokkene 1] de vragen van [naam 2] en [naam 3] heeft beantwoord vanuit zijn wetenschap van de bedrijfsvoering van De Koeweide, niet Transacta. De Koeweide had met alle andere eigenaren van de schepen – waaronder Transacta – afgesproken dat zij het gehele financiële beheer over de schepen voor eigen rekening voerde tot en met het verzekeren van de schepen toe. Daar waar [betrokkene 1] het feitelijk beheer over de schepen voerde, deed hij dat niet voor Transacta of voor de andere eigenaren, maar behoorde dat primair tot zijn taak als bestuurder – en klusjesman – van De Koeweide.

4.13.

De feitelijke betwisting van het feitelijk leiderschap van [betrokkene 1] heeft De Koeweide c.s. niet nader onderbouwd. Met name heeft zij geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] , haar broer of moeder – in weerwil van de onder 4.11 weergegeven feiten en omstandigheden – zich wél inhoudelijk met de bedrijfsvoering van Transacta bezighielden, anders dan met het achteraf accorderen van beslissingen die [betrokkene 1] nam. Uit de door Generali c.s. aangevoerde feiten en omstandigheden blijkt in ieder geval dat [betrokkene 1] Transacta heeft vertegenwoordigd bij de aankoop door Transacta van de comfortships van “zijn” (andere) vennootschap De Koeweide. Hij heeft daarbij kennelijk de taxatie verzorgd, de koopovereenkomsten (doen) opstellen en getekend. Daarnaast heeft hij Transacta vertegenwoordigd bij het doorgeven van de relevante cijfers aan de accountant voor het opstellen van de jaarrekeningen en naar Amlin toen hij de verzekerde som voor de comfortships heeft verhoogd in december 2014. Uit de afgelegde getuigenverklaringen blijkt dat [betrokkene 1] over de zakelijke beslissingen inzake de comfortships aanvankelijk niets kon verklaren. Nadat de advocaat van [betrokkene 1] erbij betrokken raakte en [betrokkene 1] als verdachte was aangemerkt, heeft zij tijdens het voorlopig getuigenverhoor kunnen verklaren over de opbouw van de koopsom, maar niets over de taxatie of andere achtergronden van de transactie. Haar broer, [betrokkene 2] , wist over de transactie niets te verklaren.

4.14.

Nu niet is gebleken van een inhoudelijke rol van [betrokkene 1] , haar broer of moeder bij de bedrijfsvoering of strategiebepaling van Transacta, is ook niet relevant of [betrokkene 1] – zoals De Koeweide c.s. aanvoert – op diverse momenten sprak namens De Koeweide of zijn kennis had verkregen door zijn taak als bestuurder bij De Koeweide. Dit staat immers niet in de weg aan zijn rol bij Transacta.

4.15.

Gelet op de onvoldoende betwisting concludeert de rechtbank dat een brandstichting door [betrokkene 1] , indien dit komt vast te staan, in het maatschappelijk verkeer aan Transacta kan worden toegerekend. De feitelijke positie van [betrokkene 1] binnen Transacta was immers dusdanig dat hij de beslissingen nam over de belegging in de comfortships van Transacta. Bij de brand zijn deze comfortships verloren gegaan en indien brandstichting door [betrokkene 1] komt vast te staan, heeft hij daarbij niet gehandeld vanuit privémotieven, maar met de financiële belangen van Transacta voor ogen.

b. betrokkenheid [betrokkene 1] bij brandstichting

4.16.

Generali c.s. baseert haar conclusie dat [betrokkene 1] betrokken is bij de brand op de volgende – enigszins samengevatte en gegroepeerde – feiten en omstandigheden en daaraan te ontlenen gevolgtrekkingen:

I. Uit de volgende onderzoeksbevindingen kan worden afgeleid dat de brand is gesticht en dat [betrokkene 1] daarbij betrokken is, althans daartoe opdracht heeft gegeven:
(a) [betrokkene 1] wordt door politie en Openbaar Ministerie verdacht van betrokkenheid bij de brand in Wessem en ook bij twee andere havenbranden die kort daarvoor in dezelfde regio plaatsvonden, te weten in Herten en in Ohé en Laak. [betrokkene 1] heeft voor de zaak Ohé en Laak terecht gestaan. Weliswaar is hij bij vonnis van de rechtbank Limburg van 29 mei 2018 vrijgesproken, maar het Openbaar Ministerie is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Deze zaak loopt dus nog. Ook in de zaak Wessem is hij nog altijd verdachte;

(b) [betrokkene 1] staat in het herkenningssysteem van de politie geregistreerd wegens opzettelijke brandstichting in de jaren 1990 en 1991 en in februari 2013 is een partyboot van [betrokkene 1] in vlammen opgegaan. Een en ander is indicatief voor de moraliteit van [betrokkene 1] en zijn betrokkenheid bij de brand in Wessem.

(c) Uit de bevindingen van de politie volgt dat een direct verband bestaat tussen de branden in Herten (6 december 2014), Ohé en Laak (10 december 2014) en Wessem (15 januari 2015), waarbij dezelfde middelen werden gebruikt om brand te stichten en dezelfde personen - waaronder [betrokkene 4] (hierna [betrokkene 4] ) en [betrokkene 1] - betrokken waren. Deze personen hebben allemaal een strafrechtelijk verleden. Het verband tussen deze branden volgt onder meer uit de volgende omstandigheden:
- de branden vonden plaats binnen een kort tijdsbestek en binnen een afstand van ongeveer 18 kilometer;
- bij alle branden werden (resten van) jerrycans, waaronder van het merk Aspen2 aangetroffen, terwijl bij alle drie deze branden een andere brandstof is gebruikt dan Aspen2 benzine, te weten kookpuntbenzine;
- bij alle branden was sprake van meerdere brandhaarden in verschillende schepen. In Wessem zijn in acht van de comfortships en comforthouses restanten gevonden van jerrycans, accu’s, gloeibougies met slangklemmen, bedrading, printplaatjes (tijdschakelaar), brandversnellende middelen (kookpuntbenzine) als ook een spaanplaat met restanten van een accu en lijm/kitresten. De toegang tot de comfortships is verschaft door middel van braak. Dit was bij de overige branden min of meer hetzelfde;
- bij alle branden zijn er opvallende sms-contacten tussen de personen die door de politie als verdachten zijn aangemerkt. Bij de brand in Ohé en Laak is een tankdop gevonden, het daarop aangetroffen DNA is zeer waarschijnlijk van [betrokkene 1] .

(d) Bij doorzoeking van de woning van [betrokkene 1] zijn twee stukken karton gevonden met daarop grijze lijmresten. Het NFI heeft gerapporteerd dat deze lijmresten soortgelijk waren en chemisch grote overeenkomsten vertoonden met de lijm die is aangetroffen op de plaats delict in Wessem (lijm waarmee één van de accu’s op een spaanplaat was geplakt). Ook zijn bij de doorzoeking allerlei gereedschappen, waaronder transformators, een tas vol slangklemmen, slotentrekkers, cilindersloten e.d. aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met de wijze waarop de brand is gesticht;

(e) Gegevens uit het (van een simkaart voorziene) track and trace-systeem van een auto die [betrokkene 4] een dag voor de brand in Wessem voor een week had gehuurd - gecombineerd met verkeersgegevens van de telefoons van [betrokkene 1] en (zeer waarschijnlijk) [betrokkene 1] , en met camerabeelden van de nacht van de brand - duiden op betrokkenheid van [betrokkene 1] en [betrokkene 4] bij deze brand. De huurauto werd de avond voor de brand door [betrokkene 4] en diens vriendin naar camping Cranendonck gebracht (de werkplek van [betrokkene 1] ) waar de auto om 18.18 en 20.14 uur op de parkeerplaats stond. Om 20.38 uur stond deze auto in Wessem op slechts 700 meter van de plaats delict. Om 1.41 uur liepen twee personen over de steiger van de jachthaven. Aannemelijk is dat dit de personen waren die de brandstichting aan het voorbereiden waren. Om 2.09 uur stond de gehuurde auto van [betrokkene 4] wederom op slechts 700 meter van de plaats delict. Om 2.30 uur is de auto daar niet meer. Denkbaar is dus dat tussen 1.41 en 2.09 uur het ontstekingsmechanisme van de brand in werking is gezet. Om 4.39 uur werd melding gedaan van de brand. Uit de sms-, whatsapp- en telefoongegevens blijkt ook van allerlei aanwijzingen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 4] rond 15 januari 2014 elkaar voor de brand hebben gezien om voorbereidende werkzaamheden te verrichten, dat in ieder geval [betrokkene 4] naar de jachthaven is gegaan om de brand te stichten en dat [betrokkene 1] en [betrokkene 4] de volgende ochtend elkaar weer hebben getroffen. Veelzeggend is dat [betrokkene 4] om 8.04 uur die volgende ochtend aan [betrokkene 1] het bericht stuurt: ‘Hahahaha Das ene goeie mop … Gr..’, wat suggereert dat [betrokkene 4] refereert aan het feit dat het plan om brand te stichten was gelukt.

(f) In de nacht voorafgaand aan de brand, om 0.39 uur, stuurde [betrokkene 1] het bericht aan [betrokkene 1] : ‘Ik ben op het veilige adres’. Dit duidt er op dat [betrokkene 1] op de hoogte was van het plan van [betrokkene 1] om brand te gaan stichten. [betrokkene 1] stuurde de ochtend na de brand om 7.47 uur het bericht aan [betrokkene 1] : “Staat nu toch het gebouw in brand???”, wat er op duidt dat hoewel [betrokkene 1] en zij hadden besproken dat alleen de woonschepen in vlammen zouden moeten opgaan, [betrokkene 1] bang was dat het kantoor en het restaurant toch vlam hadden gevat.

(g) Uit Whatsapp-berichten tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) op de dag na de brand in Wessem, blijkt dat [betrokkene 5] , die volgens de politie betrokken was bij de eerdere branden in Herten en Ohé en Laak, tevoren op de hoogte was van de plannen om brand te stichten in Wessem en in de veronderstelling verkeerde dat [betrokkene 4] dit alleen zou gaan doen, in opdracht van [betrokkene 1] . De reactie van [betrokkene 4] wijst er echter op dat de brand in Wessem door [betrokkene 4] samen met [betrokkene 1] werd gesticht. Die berichten luiden als volgt:

[betrokkene 5] naar [betrokkene 4] :‘En alleen geweest haha’

[betrokkene 4] naar [betrokkene 5] :‘Nee’

[betrokkene 5] naar [betrokkene 4] :‘Raar dan’

[betrokkene 4] naar [betrokkene 5] : ‘Ezel Als je opgelet het weet je wat er aan de hand is.. Ik heb het je

gezegt… Maar genoeg erover…’

(h) Uit telecomonderzoek is gebleken dat [betrokkene 1] en [betrokkene 4] in de periode september 2014 tot 15 januari 2015 maar liefst ongeveer 166 keer telefonisch contact hebben gehad. Dat is gemiddeld meer dan één keer per dag. Opvallend is dat na de dag van de laatste brand van 15 januari 2015, in Wessem, er geen telefonisch contact meer tussen hen beiden is geweest. Voorts is opmerkelijk dat [betrokkene 1] in de periode van 5 januari 2010 tot en met 10 maart 2014 een totaal van 23 betalingen heeft gedaan aan [betrokkene 4] van elk € 250,-. Het ligt voor de hand dat [betrokkene 1] hiermee [betrokkene 4] beloonde voor zijn betrokkenheid bij de havenbranden, waaronder die in Wessem.

(i) In een brief van 25 mei 2015 die [betrokkene 4] schreef aan zijn vriendin geeft hij toe dat hij brand heeft gesticht: “Ik moet voor een ding oppassen nu… dat ik niet te veel ga nadenken! (…) verbrande alle schepen en bouw met wat je het; nieuwe … probleem is; moet ik verder bouwen, of de 4 fik er weer in! Ik hoop dat je deze dubbelzinnigheid begrijpt liefje…’
(j) In diverse boten was tijdens de brand een brandalarm afgegaan. Voorheen was het brandalarm doorgeschakeld naar een mobiel nummer. Sinds 2013 was de doorschakeling echter niet meer actief. Dit is waarschijnlijk gebeurd in opdracht van [naam 5] (hierna: [naam 5] ), de [functie] van Comfortparc Wessem. Navraag door de systeembeheerder van het alarm leerde overigens dat [betrokkene 1] niet geïnteresseerd was in een back-up van de brandalarmgegevens.
(k) Nadat de brand omstreeks 4.39u ontdekt werd door de boekhouder van Comfortparc Wessem, die die nacht in het centrale havengebouw aan het werk was, heeft deze de brandweer gealarmeerd en [betrokkene 1] meerdere keren gebeld. [betrokkene 1] heeft niet opgenomen terwijl hij die nacht wel via internet actief was en ook wel telefonisch contact heeft gehad met de receptioniste van Comfortparc Wessem.

II. [betrokkene 1] heeft het ertoe gebracht dat de omstandigheden voorafgaand aan en op de avond van de brand aldus waren dat de brand (bijna) ongestoord kon worden gesticht. Dit blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden:
(a) De comfortships werden in de winter 2014/2015 (en dus ook ten tijde van de brand) niet verhuurd. Uit verklaringen van getuigen blijkt dat dit de eerste winter was waarin niet werd verhuurd;
(b) [naam 5] werd per 1 november 2014 plotseling ontslagen en moest het comfortship waarop hij woonde verlaten. Na het ontslag van [naam 5] was er ’s nachts geen surveillance meer aanwezig op het Comfortparc. Hoewel [betrokkene 1] bij de politie aanvankelijk verklaard heeft dat dit wel het geval was, dat aan particuliere beveiligers opdracht was gegeven, bleek uit politieonderzoek dat niet gebleken was van surveillance. [betrokkene 1] heeft in reactie daarop verklaard: ‘Dan zullen we dat waarschijnlijk vergeten zijn opnieuw op te starten na het vertrek van [naam 5] ’. Dit is opmerkelijk gelet op het feit dat de havenbranden in de regio begin december 2014 zijn begonnen;
(c) Uit verklaringen van [naam 6] , werkzaam bij Comfortparc Wessem en verantwoordelijk voor het onderhoud aan de comfortships, en van [naam 7] , [functie] bij Comfortparc Wessem, blijkt dat zij verbaasd waren dat het grote onderhoud dat aan de comfortships zou plaatsvinden in oktober en november 2014, steeds werd uitgesteld;

(d) De windrichting was in de nacht van de brand zodanig dat de steiger met daarop het kantoor en het restaurant niet in brand zouden vliegen.

III. [betrokkene 1] had een motief voor de brand in Wessem:
(a) Het oorspronkelijke plan van De Koeweide, samen met aan haar gerelateerde ondernemingen binnen de Euroresorts groep, was dat in de periode 2009 – 2015 zo’n 250 comfortships zouden worden aangemeerd in de jachthaven in Wessem om te worden verhuurd aan derden. Begin 2015 waren dit echter pas 12 comfortships en twee comforthouses;
(b) De verhuur viel ook tegen: om uit de kosten te komen was een bezettingsgraad van 60 tot 65% nodig. Hoewel de bezettingsgraad wel iets steeg van 30% tot richting 50% in 2014, hebben getuigen verklaard dat de verhuur verlieslatend was;
(c) Aan acht van de twaalf eigenaren van comfortships met wie een verhuurovereenkomst was gesloten was bovendien een verhuurgarantie verstrekt. De bedragen die daarmee gemoeid waren, lagen hoger dan de daadwerkelijk gerealiseerde huuromzet;
(d) Begin 2013 is de opzet voor het Comfortparc Wessem veranderd: na gesprekken met deskundigen is ingezet op verkoop en verhuur van comforthouses, waarvan de aanschafprijs lager lag dan van comfortships. Daarnaast was ingezien dat verkoop aan (professionele) investeerders die meerdere vaartuigen in één keer zouden aanschaffen, een betere strategie was dan verkoop/verhuur aan particuliere beleggers. De zoektocht naar investeerders startte in 2013;
(e) [betrokkene 1] had ook een project-planologisch belang bij de brand. De comforthouses kwalificeren in ieder geval als een “bouwwerk” en een comfortship zou op grond van bestuursrechtelijke jurisprudentie ook heel goed als “bouwwerk” kunnen kwalificeren. In het bestemmingsplan van de gemeente Maasgouw was een comfortship alleen toegestaan voor zover dit niet als een bouwwerk kon worden aangemerkt;
(f) [betrokkene 1] en [naam 1] maakten nieuwe plannen voor de haven: deze zou worden geïncorporeerd in het project “Maasresidentie Thorn”, een vakantiepark met 360 vakantiewoningen dat verderop lag. Voor deze nieuwe plannen was het van belang dat zij vrij konden beschikken over alle ligplaatsen in de haven en nieuwe steigers konden opleveren. De bij deze plannen betrokken architect was al voor de brand bezig met tekeningen en is er daarbij niet op gewezen dat hij rekening moest houden met aanwezige comfortships en comforthouses;

(g) De Koeweide c.s. had financiële belangen bij de brand:
- met de particuliere eigenaren van vier comfortships had De Koeweide eind 2014 optieovereenkomsten gesloten waarin De Koeweide het recht kreeg de comfortships van hen (terug) te kopen en waarin ook was bepaald dat deze overeenkomsten niet zouden worden ontbonden bij het verloren gaan van de comfortships. De verzekeringsuitkering zou in dat geval aan De Koeweide toekomen. Bij brand zouden de verzekeringspenningen dus ten goede komen aan De Koeweide c.s.. De verzekerde bedragen waren hoger dan de koopprijs die De Koeweide verschuldigd zou zijn bij (terug)koop;
- de twee comforthouses die De Koeweide in verzekering had bij Delta Lloyd (zie r.o. 2.16), werden gebouwd en geleverd door Spruyt Arkenbouw B.V. (hierna: Spruyt). Delta Lloyd heeft een bedrag van € 770.000,- uitgekeerd voor het verlies van de comforthouses. Spruyt was inmiddels failliet en de curator heeft aanspraak gemaakt op de comforthouses ten behoeve van de boedel. Op 20 maart 2015 heeft De Koeweide een bedrag van € 400.000,- overgemaakt aan de curator, althans de boedel. Van het restant dat door Delta Lloyd is uitgekeerd is een bedrag van € 100.000,- naar [betrokkene 1] overgemaakt. De overige € 270.000 is bij De Koeweide gebleven. De te ontvangen verzekeringspenningen zouden sowieso meer bedragen dan verkoop van de woonschepen op de vrije markt zou opleveren, gezien de handelscrisis in de woonschepenbranche;
- De rechtbank Rotterdam heeft in haar vonnis van 25 oktober 2017 voorshands bewezen geacht dat de koopprijzen van de vijf door Transacta gekochte comfortships (zie r.o. 2.5) zijn gemajoreerd (kunstmatig hoog gemaakt) en dat dit ten doel heeft gehad om de verzekeraar van deze schepen, Amlin, te misleiden en zo een hogere verzekeringsuitkering te krijgen. Transacta is toegelaten tot tegenbewijs, maar over de afloop daarvan is Generali c.s. nog niets bekend.

4.17.

De Koeweide c.s. heeft tegen deze stellingen allereerst een aantal formele bezwaren ingebracht. Zij stelt zich op het standpunt dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, dat sprake is van schending van hoor en wederhoor nu zij als buitenstaander niet de beschikking heeft over dezelfde politiegegevens als Generali c.s. en dat Generali c.s. artikel 21 van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) schendt.

4.18.

Aan deze bezwaren zal de rechtbank voorbij gaan. De strafrechtelijke stukken zijn door Generali c.s. op grond van artikel 39f van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens aan haar verstrekt nadat het Openbaar Ministerie een belangenafweging heeft gemaakt. Het belang van een verzekeraar om niet te hoeven uitkeren als sprake is van een verband tussen een (mogelijk) strafbaar feit en schade die zij moet uitkeren, is een te honoreren belang. Of de belangenafweging van het Openbaar Ministerie nu wel of niet te rechtvaardigen was en/of rechtmatig was op grond van diens eigen beleidsregels, is voor de beoordeling van het handelen van Generali c.s. in beginsel niet relevant. Zij heeft de stukken verstrekt gekregen en mocht die in beginsel gebruiken voor haar rechtmatige belangen. Juist vanwege de betwisting door De Koeweide c.s. van de betrokkenheid van [betrokkene 1] , heeft Generali c.s. er ook belang bij een eigen onderzoek in te kunnen stellen naar de bevindingen van de politie. De Koeweide c.s. heeft verder niet geconcretiseerd waarom het bewijs, ondanks de gevolgde juridische procedure en de afweging die door het OM al is gemaakt, niettemin onrechtmatig zou zijn verkregen.

4.19.

Gelet op de positie die [betrokkene 1] inneemt of innam, zowel binnen De Koeweide als binnen Transacta (zie r.o 4.7 tot en met 4.15 hiervoor) mag worden aangenomen dat hij deze vennootschappen van voor deze procedure benodigde informatie kan voorzien of zou moeten kunnen voorzien. De Koeweide c.s. heeft onvoldoende onderbouwd dat [betrokkene 1] niet zou hebben kunnen beschikken over dezelfde informatie als die Generali c.s. wel heeft kunnen verkrijgen. Er bestaat dan ook geen informatieachterstand bij De Koeweide c.s. Om dezelfde reden wordt ook het beroep op artikel 21 Rv gepasseerd. Gelet op hetgeen hiervoor onder r.o. 4.15 is opgenomen, kan niet worden geoordeeld dat Generali c.s. haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Voorts staat artikel 21 Rv er niet aan in de weg dat partijen de naar hun oordeel relevante feiten selecteren en vanuit hun eigen invalshoek interpreteren. Anders dan De Koeweide c.s. betoogt, heeft Generali c.s. haar stellingen niet dermate eenzijdig, suggestief of feitelijk onjuist gepresenteerd dat sprake is van strijd met artikel 21 Rv.

4.20.

Beoordeeld moet dus worden of deze stellingen de door Generali c.s. daaruit getrokken conclusie kunnen dragen dat [betrokkene 1] verantwoordelijk is te houden voor brandstichting van de jachthaven. De inhoudelijke betwisting van De Koeweide c.s. bestaat niet zozeer uit een betwisting van de onderzoeksgegevens waarop Generali c.s. zich baseert, als meer uit een betwisting van de conclusies die daaraan worden ontleend. Daartoe heeft De Koeweide c.s. elk individueel onderdeel van de onderzoeksgegevens becommentarieerd en aangegeven waarom dat onderdeel niet belastend is voor [betrokkene 1] of niet kan leiden tot een verdenking van [betrokkene 1] . De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

4.21.

Allereerst moet De Koeweide c.s. worden toegegeven dat Generali c.s. zich beroept op veel zeer indirect bewijs. Direct forensisch bewijs van betrokkenheid van [betrokkene 1] bij de brand in Wessem ontbreekt in zijn geheel. Ook het tactische bewijs, zoals de Whatsapp-contacten, is op zichzelf beschouwd onvoldoende om te concluderen tot betrokkenheid van [betrokkene 1] bij de brand in Wessem. Tot slot kan uit het enkele bestaan van een financieel motief bij de brand (indien dit komt vast te staan) nog niet worden afgeleid dat [betrokkene 1] ook (een van) de dader(s) is. Met Generali c.s. is de rechtbank echter van oordeel dat het geheel van feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang wel een dusdanig sterke aanwijzing oplevert dat de rechtbank het bewijs van betrokkenheid van [betrokkene 1] voorshands bewezen acht. De rechtbank zal dit als volgt toelichten.

Motief

4.22.

Uit de door Generali c.s. aangevoerde feiten en omstandigheden blijkt voorshands van een sterk motief voor brandstichting ten behoeve van de inning van de verzekeringspenningen (zie hiervoor onder 4.16 onder III). De Koeweide c.s. heeft daartegen aangevoerd dat de brand haar alleen maar heeft geschaad, maar dit heeft zij vooralsnog onvoldoende onderbouwd. Vastgesteld kan in ieder geval worden dat zij niet heeft betwist dat het Comfortparc Wessem de beoogde 250 comfortships en -houses begin 2015 nog lang niet had bereikt. Zij heeft niet betwist dat zij verlies leed op de verhuur, terwijl er wel kosten waren, waaronder verplichtingen uit hoofde van een verstrekte verhuurgarantie. Ook heeft zij niet betwist dat de markt voor dit soort schepen ten tijde van de economische crisis slecht was. De enkele, niet onderbouwde stelling, dat dit een aanloop was naar iets dat nog succesvol zou worden, heeft zij op geen enkele wijze onderbouwd. Daarnaast is opvallend dat De Koeweide eind 2014 optieovereenkomsten heeft gesloten met de particuliere eigenaren van de comfortships op grond waarvan De Koeweide aanspraak kon maken op verzekeringspenningen bij “gehele schade van het Comfortship”. De onderbouwde stellingen van Generali c.s. dat het verloren gaan van de comfortships aldus zou leiden tot een hogere verzekeringsuitkering dan via exploitatie mogelijk leek, is niet onderbouwd weersproken. Ook de door De Koeweide c.s. gestelde zakelijke belangen bij zowel de hoogte van de koopprijs voor de comfortships in de optieovereenkomsten als bij de bedoelde bepaling in de optieovereenkomsten op grond waarvan zij recht kreeg op de verzekeringsuitkering bij verlies van de comfortships als ook bij de overeenkomst met Spruyt, maken dit oordeel niet anders. Ook indien van de juistheid van die stellingen wordt uitgegaan, moet worden geconcludeerd dat de geldelijke waarde van de verzekeringsuitkering aanzienlijk hoger lag dan de waarde die met een ongewijzigde situatie in ieder geval op het tijdstip van de brand kon worden behaald. Dat De Koeweide c.s. hoge investeringen heeft gedaan die niet verzekerd waren en nu niet kunnen worden terugverdiend, is wel gesteld maar vooralsnog niet onderbouwd.

4.23.

Vooralsnog is de rechtbank overigens wel van oordeel dat de stellingen van Generali c.s. omtrent de kwalificatie van de comfortships en comforthouses als ‘bouwwerk’ en de nieuwe plannen met de jachthaven binnen het project Maasresidence Thorn, ofwel de “Maasboulevard”, niet of hooguit zeer indirect het bewijs van Generali c.s. kunnen ondersteunen. De stellingen over de kwalificatie als bouwwerk zijn zuiver theoretisch van aard. Uit niets is gebleken dat dit daadwerkelijk een belemmering heeft gevormd voor de exploitatie van het bestaande Comfortparc Wessem. Nu de opdracht aan de architect van Maasresidence Thorn voor een steigerplan van de jachthaven dateert van na de brand, kan uit het al dan niet ontbreken van ligplaatsen voor comfortships en comforthouses niet zonder meer de conclusie worden ontleend dat dit nieuwe plan mede het motief was voor brandstichting.

Gelegenheid

4.24.

Uit de door Generali c.s. aangevoerde feiten en omstandigheden blijkt daarnaast voorshands van voldoende aanwijzingen dat (in ieder geval ook) [betrokkene 1] het ertoe heeft gebracht dat de omstandigheden voorafgaand aan en op de avond van de brand aldus waren dat de brand (bijna) ongestoord kon worden gesticht (zie hiervoor onder 4.16 onder II). Ook hier heeft De Koeweide c.s. de onderzoeksbevindingen inhoudelijk niet betwist. Het staat daarmee vast dat in de winter 2014/2015 voor het eerst geen comfortships werden verhuurd, terwijl de periode rond de kerst en de jaarwisseling het jaar ervoor volgeboekt was. Ook staat vast dat [naam 5] sinds 1 november 2014 niet langer in dienst was en ook niet was vervangen, zodat sindsdien geen surveillance aanwezig was. Ook na drie nautische branden in de nabije omgeving van Wessem zijn geen extra beveiligingsmaatregelen getroffen. De rechtbank acht het hierbij, met Generali c.s., opvallend dat [betrokkene 1] in eerste instantie bij de politie heeft verklaard dat daartoe wel opdracht was gegeven en deze verklaring, geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen, heeft aangepast. Tot slot weegt als bijkomende omstandigheid mee dat twee getuigen verklaren dat ze verrast waren dat gepland groot onderhoud aan de schepen werd uitgesteld. Anders dan De Koeweide c.s. acht de rechtbank deze feiten geen raar samenraapsel, maar in onderling verband en samenhang beschouwd een aanwijzing dat er gelegenheid voor brandstichting is gecreëerd.

Bewijs betrokkenheid [betrokkene 1]

4.25.

Tot slot ondersteunen ook de door Generali c.s. naar voren gebrachte onderzoeksbevindingen het oordeel van de rechtbank dat voorshands bewezen is dat de brand is gesticht en dat [betrokkene 1] daarbij betrokken is, althans daartoe opdracht heeft gegeven. Daartoe is allereerst overwogen dat Generali c.s. terecht aanvoert dat de individuele feiten en omstandigheden niet enkel afzonderlijk, maar in hun onderlinge verband dienen te worden beoordeeld. Inderdaad kan aan het enkele aantreffen bij [betrokkene 1] van een jerrycan, een onderdeel van een ontstekingsmechanisme, slotentrekkers of karton met lijmresten niet de conclusie worden verbonden dat sprake is van betrokkenheid bij brandstichting. Maar die conclusie kan wel worden verbonden aan met name de volgende omstandigheden in hun onderlinge verband:
- Uit politieonderzoek verricht aan de door de brand verloren gegane comfortships- en houses is gebleken dat in enkele slotkasten van deze schepen geen cilindersloten aanwezig waren, waarbij zeer aannemelijk is dat deze voorafgaand aan de brand zijn geforceerd door middel van trekken en torderen;

  • -

    In acht van de comfortships en comforthouses die verloren zijn gegaan door de brand, zijn restanten gevonden van jerrycans, accu’s, gloeibougies met slangklemmen, bedrading, printplaatjes, brandversnellende middelen, als ook een spaanplaat met restanten van een accu en lijm-/kitresten;

  • -

    Bij de doorzoeking van de garage van [betrokkene 1] zijn stukken karton met lijmresten gevonden, transformators, een slotentrekker, diverse jerrycans en een krat vol cilindersloten;

  • -

    De combinatie van het feit dat door [betrokkene 4] een auto is gehuurd die zich de dag voor de brand en de nacht van de brand bevond bij de woning van [betrokkene 1] en vlakbij de jachthaven, met de inhoud en de frequentie van de WhatsApp contacten tussen hen, die plotseling geheel stopten na de brand, alsook met de betalingen van [betrokkene 1] aan [betrokkene 4] en de inhoud van de brief van [betrokkene 4] aan zijn vriendin.

4.26.

Het is op grond van (onder meer) deze combinatie van onderzoeksbevindingen tegen de achtergrond van het hiervoor besproken motief en de gelegenheid dat de rechtbank oordeelt dat het bewijs van betrokkenheid van [betrokkene 1] bij brandstichting voorshands is geleverd.

4.27.

De Koeweide c.s. zal worden toegelaten tot tegenbewijs. Het staat de rechtbank niet vrij om op bewijslevering vooruit te lopen. Gelet echter op de reeds uitgebreide bespreking van de bewijsmiddelen in de processtukken, geeft de rechtbank De Koeweide c.s. wel in overweging om bij het leveren van het tegenbewijs zoveel mogelijk te komen met concrete onderbouwingen van de tot nu toe ingenomen stellingen, met name bijvoorbeeld stukken die onderbouwen dat Comfortparc Wessem wel vooruitzicht had op succesvolle exploitatie of dat inderdaad sprake was van onverzekerde investeringen die een gebrek aan motief zouden kunnen onderbouwen.

III. Aan de polis ontleende verweren van Generali c.s.

4.28.

De rechtbank gaat voorbij aan de door Generali c.s. opgeworpen overige verweren. Met De Koeweide c.s. is de rechtbank van oordeel dat de relevante bepaling van de polis (zie r.o. 2.9) niet zo kan worden uitgelegd dat de brand geen verzekerde gebeurtenis zou zijn, zelfs indien zou komen vast te staan dat deze aanvankelijk is veroorzaakt door zengen, schroeien, smelten, verkolen of broeien. Nu het gaat om een op de beurs tot stand gekomen polis, is vooral de tekst van de bepaling leidend voor de uitleg. In deze tekst staat niet meer dan dat zengen, schroeien, smelten, verkolen of broeien geen brand is. In de onderhavige zaak is onbetwist wel sprake geweest van een brand die niet beperkt is gebleven tot zengen, schroeien, smelten, verkolen of broeien. Nu de brand, die de schade heeft veroorzaakt, volgens Generali c.s. zou zijn voorafgegaan door zengen of schroeien, is de causale keten ook niet doorbroken.

4.29.

Met De Koeweide c.s. is de rechtbank bovendien van oordeel dat in de enkele omstandigheid dat de comfortships en comforthouses in de winter van 2014/2015 niet werden verhuurd, onvoldoende aanleiding kan worden gevonden voor de conclusie dat de hele jachthaven buiten gebruik was gesteld. Nog los van de vraag of de brand (tevens) aangemerkt kan worden als vandalisme, komt Generali c.s. op die grond dus al geen beroep op de uitsluiting toe (zie relevante bepaling “vandalisme” aangehaald onder 2.10).

IV. Conclusie

4.30.

De rechtbank acht voorshands bewezen dat [betrokkene 1] betrokken is geweest bij brandstichting van de jachthaven. Dit handelen van [betrokkene 1] kan zowel De Koeweide als Transacta worden toegerekend. Indien deze betrokkenheid na tegenbewijs van De Koeweide c.s. definitief komt vast te staan, leidt die ertoe dat Generali c.s. zich met succes kan beroepen op artikel 7:952 BW en uitkering kan weigeren. Indien deze betrokkenheid met het te leveren tegenbewijs ontkracht wordt, kan Generali c.s. geen uitkering weigeren op grond van de door haar gevoerde aan de polis ontleende verweren. De rechtbank zal dan toekomen aan de omvang van de uit te keren schadebedragen. Uit proceseconomische overwegingen zal elke beslissing over de hoogte van de schade vooralsnog worden aangehouden. Voor zover de vorderingen van De Koeweide c.s. zijn gericht tegen gedaagden sub 2 en 3 kunnen deze niet slagen, omdat deze partijen niet als haar verzekeraars aan te merken zijn.

4.31.

De Koeweide c.s. krijgt dus gelegenheid tot het leveren van tegenbewijs. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat De Koeweide c.s. toe tot het tegenbewijs van de voorshands bewezen stelling dat [betrokkene 1] heeft deelgenomen aan de brandstichting van de jachthaven en/of daartoe opdracht heeft gegeven,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 1 juli 2020 voor uitlating door De Koeweide c.s. of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat De Koeweide c.s., indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat De Koeweide c.s., indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op maandagen, dinsdagen, donderdagen en vrijdagen in de maanden september tot en met december 2020 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. C.H. Rombouts in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 220,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Rombouts, mr. M. Singeling en mr. M.F. Zaagsma en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2020.1

1 type: CHR coll: