Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3050

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
AMS 19/4652
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet WIA, Amber-beoordeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/4652

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. I. Rhodes),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: F. Kniesmeijer).

Procesverloop

Met een besluit van 7 mei 2019 (het primaire besluit) heeft het Uwv geweigerd aan eiseres een WIA-uitkering1 toe te kennen wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid per 30 augustus 2018.

Met het besluit van 9 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen waren uitgenodigd voor een zitting op 30 april 2020. In verband met de uitbraak van het coronavirus kon deze zitting niet doorgaan. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de overgelegde stukken in deze zaak echter voldoende inzicht in de standpunten van partijen en zullen partijen niet in hun belangen worden geschaad met een schriftelijke afdoening van de zaak. Geen van partijen heeft bovendien, na te zijn gewezen op hun recht om op een zitting te worden gehoord, verklaard van dat recht gebruik te willen maken. De rechtbank sluit daarom het onderzoek en doet uitspraak zonder behandeling van de zaak op zitting.2

Overwegingen

Wat aan deze procedure vooraf is gegaan

1. Deze procedure gaat over de vraag of eiseres per 30 augustus 2018 recht heeft op een WIA-uitkering. Aangezien enkele andere bezwaarprocedures zijn gevoerd over de toe- en afwijzing van eerdere WIA-aanvragen van eiseres, zal de rechtbank voor een goed begrip eerst kort schetsen wat er in de eerdere bezwaarprocedures is gebeurd. Daarna zal worden ingegaan op de besluitvorming van het Uwv die de aanleiding is geweest voor deze procedure.

Het recht op uitkering per einde wachttijd

2. Eiseres was werkzaam als schoonmaakster voor 20 uur per week. Op 4 juni 2012 is zij uitgevallen voor dat werk met verschillende gezondheidsklachten. Aan eiseres is vervolgens per 2 juni 2014 een loongerelateerde WGA3-uitkering toegekend.

Het recht op uitkering per 5 oktober 2017

3.1

Met ingang van 2 oktober 2016 is de loongerelateerde uitkering omgezet in een loonaanvullingsuitkering. De ex-werkgever, die het financiële risico van de uitkering draagt, heeft bezwaar gemaakt tegen de omzetting van de WGA-uitkering in een loonaanvullingsuitkering. Volgens de werkgever is eiseres volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en komt zij in aanmerking voor een IVA-uitkering4.

3.2

Naar aanleiding van het bezwaar heeft het Uwv medisch en arbeidskundig onderzoek laten uitvoeren. De beperkingen van eiseres zijn neergelegd in een gewijzigde functionele mogelijkhedenlijst (FML) met als datum 12 juli 2017. Met de vastgestelde beperkingen is eiseres per 2 oktober 2016 voor nog maar 15,20% arbeidsongeschikt. Het Uwv heeft de uitkering van eiseres, rekening houdend met een uitlooptermijn van zes weken, beëindigd per 5 oktober 2017.5

Het recht op uitkering per 25 oktober 2017

4.1

Op 25 oktober 2017 heeft eiseres een verslechtering van haar arbeidsmogelijkheden gemeld en het Uwv gevraagd om een herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid.

4.2

Het Uwv heeft dit verzoek afgewezen, omdat eiseres geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het vorige besluit6 naar voren heeft gebracht. Daartegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

4.3

In de bezwaarfase heeft een verzekeringsarts onderzocht of bij eiseres sprake is van een toename van beperkingen. Daarbij heeft hij de situatie per 25 oktober 2017 en per onderzoeksdatum (30 augustus 2018) afgezet tegen de eerder beoordeelde situatie per 2 oktober 2016. In zijn rapport van 19 november 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat per 25 oktober 2017 (en per 30 augustus 2018) geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak ten opzichte van de eerder vastgelegde beperkingen in de FML van 12 juli 2017. Het Uwv heeft deze bevindingen overgenomen en besloten dat eiseres per 25 oktober 2017 geen recht heeft op een WIA-uitkering.

Deze procedure: het recht op uitkering per 30 augustus 2018

5.1

In de WIA is een bepaling opgenomen dat het recht op uitkering kan herleven als de verzekerde binnen vijf jaar na de eerdere beëindiging van de uitkering weer minimaal 35% arbeidsongeschikt blijkt te zijn.7 Hieraan zijn twee voorwaarden verbonden: er moet sprake zijn van een toename van de medische beperkingen en de arbeidsongeschiktheid moet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak op grond waarvan hij of zij eerder recht op een WIA-uitkering had. Dit wordt ook wel een “Amber-beoordeling” genoemd.

5.2

Op 30 januari 2019 heeft eiseres zich met een wijzigingsformulier (opnieuw) toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Ditmaal per 30 augustus 2018.

5.3

Nadat het Uwv het wijzigingsformulier van eiseres in eerste instantie niet inhoudelijk had beoordeeld8, heeft het Uwv naar aanleiding van het bezwaar van eiseres daartegen alsnog een Amber-beoordeling uitgevoerd.

5.4

De verzekeringsarts heeft onderzocht of sprake is van een toename van beperkingen na de eerdere beëindiging van de uitkering per 5 oktober 2017. De conclusie van de verzekeringsarts in het rapport van 3 mei 2019 luidt dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar. Het Uwv heeft deze conclusie overgenomen en besloten dat eiseres per 30 augustus 2018 geen recht heeft op een WIA-uitkering (het primaire besluit).

5.5

Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft het Uwv opnieuw medisch onderzoek laten uitvoeren. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 augustus 2019. De conclusie luidt dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Eiseres is onveranderd belastbaar overeenkomstig de FML van 12 juli 2017. Het Uwv heeft deze bevindingen overgenomen en ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.

Het standpunt van eiseres

6. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat ten onrechte de kosten voor de behandeling in bezwaar niet zijn vergoed en dat het Uwv haar klachten en beperkingen heeft onderschat. Zij vindt dat haar bestaande klachten en beperkingen zodanig zijn toegenomen dat zij nu wel meer dan 35% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Ter onderbouwing van haar stelling dat haar psychische klachten zijn toegenomen, heeft eiseres in beroep een aantal stukken overgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

De kosten voor de behandeling in bezwaar

7.1

Eiseres vindt dat het Uwv de kosten moet vergoeden die zij heeft gemaakt in verband met haar bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van haar wijzigingsformulier.

7.2

In artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

7.3

In reactie op de melding van eiseres dat haar gezondheid per 30 augustus 2018 is verslechterd heeft het Uwv zich in het besluit van 15 februari 2019 op het standpunt gesteld dat eiseres op dat moment niet verzekerd was voor de WIA. Om die reden heeft het Uwv geen nadere actie ondernomen naar aanleiding van het wijzigingsformulier. In haar bezwaarschrift verzoekt eiseres - samengevat - om een Amber-beoordeling. Verder verzoekt eiseres om vergoeding van de kosten in bezwaar.

7.4

Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft het Uwv alsnog een inhoudelijke Amber-beoordeling laten uitvoeren dat heeft geleid tot het primaire besluit van 7 mei 2019. Uit de brief van het Uwv van 8 mei 2019 volgt dat het Uwv dit besluit heeft aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, waartegen het bezwaar van eiseres mede is gericht.

7.5

De rechtbank stelt vast dat het Uwv met het primaire besluit (de motivering van) het eerdere besluit van 15 februari 2019 heeft gewijzigd. Het rechtsgevolg van beide besluiten is echter hetzelfde: eiseres krijgt geen WIA-uitkering per 30 augustus 2018. Dit betekent dat van het herroepen van een besluit als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb geen sprake is. Het Uwv was daarom niet gehouden de kosten van bezwaar te vergoeden.

7.6

Deze beroepsgrond slaagt niet.

De medische beoordeling

8.1

Tussen partijen is in geschil of de medische situatie van eiseres op 30 augustus 2018 is verslechterd na de eerdere beëindiging van haar uitkering per 5 oktober 2017. De vraag is of eiseres in aanmerking komt voor een WIA-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak, binnen vijf jaar na 5 oktober 2017.

8.2

De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt geldt dat het Uwv in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen van een verzekeringsarts. Dit is anders wanneer het onderzoek van de verzekeringsarts niet zorgvuldig of niet volledig is geweest, inconsistenties bevat of andere gebreken vertoont.

8.3

De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoet aan de gestelde eisen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiseres op 6 augustus 2019 gezien op een hoorzitting. Daarnaast heeft zij kennis genomen van het dossier van eiseres en het rapport van de eerste verzekeringsarts. Verder zijn de stukken die eiseres in beroep heeft overgelegd beoordeeld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het onderzoek voldoet daarmee aan de zorgvuldigheidseisen. Ook inhoudelijk gezien, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar conclusie inzichtelijk en deugdelijk onderbouwd. De rechtbank licht dat hierna toe.

8.4

In de medische rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden de bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek helder omschreven. Er wordt uitgelegd waarom er naast de reeds aangenomen beperkingen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en werktijden in de FML van 12 juli 2017 geen extra beperkingen worden aangenomen. Eiseres heeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep al jaren depressieve klachten die samenhangen met stress en spanningen. Uit de door eiseres in bezwaar ingebrachte informatie van haar huisarts en neuroloog leidt de verzekeringsarts bezwaar en beroep af dat de psychische klachten van eiseres in de afgelopen jaren niet zijn verslechterd. Ook zijn geen aanwijzingen gevonden voor de door eiseres ervaren hallucinaties. In beroep heeft eiseres stukken overgelegd van twee verschillende psychiaters. Het gaat om een aanmeldingsbrief van 27 november 2019, een intakeverslag van 9 december 2019 en een behandelplan van eveneens 9 december 2019. De stukken zijn in beroep beoordeeld door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die zich op het standpunt stelt dat deze informatie niet ziet op de datum die hier in geding is. Omdat eiseres geen nieuwe medische feiten naar voren heeft gebracht die aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat per 30 augustus 2018 sprake is van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak, wijzigt de verzekeringsarts bezwaar en beroep het eerder ingenomen standpunt niet.

8.5

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit is gebaseerd op een deugdelijk gemotiveerde medische conclusie. De rechtbank volgt het standpunt van het Uwv dat eiseres per 30 augustus 2018 geen aanspraak kan maken op herleving van haar recht op een WIA-uitkering omdat er per die datum geen sprake is van een toename van haar medische beperkingen na de beëindiging van haar uitkering op 5 oktober 2017.

Conclusie

9. Eiseres krijgt geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gayir, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 WIA-uitkering: een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

2 Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3 WGA: Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.

4 IVA: Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.

5 Besluit van 23 augustus 2017.

6 Besluit van 23 augustus 2017.

7 Artikel 57 van de Wet WIA.

8 Besluit van 15 februari 2019.