Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:3022

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
AMS 20/2864
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Een vrouw moet een boete van 41.000 euro aan de gemeente Amsterdam betalen omdat haar twee woningen zijn gebruikt als toeristenhostels.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 20/2864

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. drs. C.J.J. Hartendorf),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Lo Fo Sang).

Procesverloop

Met het besluit van 14 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekster twee bestuurlijke boetes opgelegd en ingevorderd à € 20.500, - (totaal

€ 41.000,-).

Met het besluit van 4 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft hiertegen beroep1 ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster wil dat de voorzieningenrechter de invordering van de boetes (deels) opschort totdat op het beroep is beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben hierna nog aanvullende stukken ingediend.

Partijen zijn uitgenodigd voor behandeling van de zaak op de zitting van 9 juni 2020. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter laten weten dat zij niet op de zitting zal verschijnen en dat zij instemt met een schriftelijke behandeling van de zaak. Verweerder is, met bericht, evenmin verschenen op de zitting.

Overwegingen

Wat ging aan het besluit vooraf

1. Naar aanleiding van een “melding woonfraude”2 heeft verweerder op 20 mei 2019 onderzoek verricht op het adres [adres 1] en op 21 mei 2019 op de adressen [adres 2] en [adres 3] . Uit dit onderzoek blijkt dat verzoekster eigenaresse is van de woning op het adres [adres 1] (woning 1) en dat zij op dat adres staat ingeschreven. Van de woning op het adres [adres 2] (woning 2) is zij voor de helft eigenaar samen met

[naam ] , haar (inmiddels) ex-partner. De bestemming van deze adressen is ‘wonen’.

2. Uit de onderzoeksresultaten neergelegd in de rapporten van 20 mei en 21 mei 2019 (hierna: de rapporten) blijkt dat toezichthouders op 20 mei 2019 controles hebben verricht in woning 1 en op 21 mei 2019 in woning 2. In de rapporten staat dat de toezichthouders in woning 1 elf bedden hebben aangetroffen, waarvan tien gebruikt, en dat er zeven toeristen zijn aangetroffen die via [website] hadden geboekt. Op een afgesloten kast na werden er geen persoonlijke spullen gevonden in woning 1 die op het verblijf van een hoofdbewoner wijzen. In woning 2 zijn twee toeristen aangetroffen die eveneens hadden geboekt via [website] . [naam ] verklaarde op 21 mei 2019 tegenover de toezichthouder dat hij eigenaar/exploitant is van het hostel op de begane grond en dat hij verantwoordelijk is voor de boekingen op de 6e en de onderliggende verdiepingen.

3.1

Naar aanleiding van deze bevindingen zijn – onder meer – de woningen 1 en 2 met bestuursdwang gesloten omdat volgens de brandweer sprake was van een logiesgebouw met een vlucht- en brandonveilige situatie.

3.2

Met het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder verzoekster twee bestuurlijke boetes opgelegd a € 20.500,- en deze boete ingevorderd, omdat verzoekster de woningen 1 en 2, zonder de daarvoor vereiste vergunning, aan de woningvoorraad heeft onttrokken.

4. Verzoekster heeft in haar beroepsgronden verwezen naar de gronden van bezwaar. Zij verzet zich tegen betaling van de boetes zolang nog niet op het beroep is beslist.

Juridisch kader

5. Bij de beoordeling van het beroep gaat de voorzieningenrechter uit van de wet- en regelgeving zoals opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van het geschil

6.1

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op goede gronden gesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 omdat verzoekster de woningen 1 en 2 aan de bestemming ‘wonen’ heeft onttrokken zonder dat daarvoor een vergunning is verleend. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd waarom verzoekster als overtreder is aan te merken.

6.2

Verzoekster heeft in beroep verwezen naar de gronden in bezwaar. Wat zij voor het overige heeft aangevoerd, is een letterlijke herhaling van wat zij in bezwaar heeft aangevoerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd waarom de bezwaren van verzoekster zijn verworpen. Verzoekster heeft niet duidelijk gemaakt waarom of hoe verweerder in zijn heroverweging en de bespreking van de bezwaargronden tekort is geschoten. De voorzieningenrechter ziet om die reden al geen reden niet uit te gaan van de overwegingen van verweerder in het bestreden besluit. Dat betekent dan ook dat verweerder bevoegd was om verzoekster de boetes op te leggen op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 en artikel 4.2.2, eerste lid, van de Huisvestingsverordening. De boete is volgens de bij de Huisvestingsverordening behorende bijlage voor een eerste overtreding gefixeerd op € 20.500,-.

Zijn er omstandigheden die maken dat er geen of een lagere boete moet worden opgelegd?

7.1

De bestuurlijke boetes die verzoekster zijn opgelegd, zijn punitieve sancties. Gelet hierop toetst de voorzieningenrechter of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtredingen.

7.2

Verzoekster stelt dat het haar niet valt te verwijten dat woning 1 en woning 2 aan toeristen zijn verhuurd omdat zij daarvan niet op de hoogte was. Daarnaast stelt zij dat zij de boetes niet kan betalen. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoekster het volgende overgelegd:

- belastingaangiftes over de jaren 2015-2018;

- bank- en creditcardafschriften;

- een kopie van een salarisspecificatie uit maart 2020.

Verzoekster meldt tot slot dat zij lijdt aan diabetes en dat deze, door de stress rondom het opleggen van de boetes, helemaal is ontregeld.

7.3

In de Huisvestingsverordening is een gefixeerd boetestelsel neergelegd, waarbij rekening is gehouden met het proportionaliteits- en evenredigheidsbeginsel en per overtreding een vast boetebedrag is vastgesteld. De gemeente is bij het onttrekken van een woning aan de woonvoorraad in beginsel verplicht een bestuurlijke boete op te leggen van

€ 20.500,-. Hoewel het gaat om vaste boetebedragen, kan de gemeente het boetebedrag matigen op grond van artikel 5:46 van de Algemene wet bestuursrecht, als verzoekster aannemelijk maakt dat het boetebedrag wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter3 kunnen een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als zulke bijzondere omstandigheden.

7.4

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid omdat van verzoekster als (mede)eigenaar mag worden gevergd dat zij zich op de hoogte stelt van het gebruik van haar woning in haar afwezigheid met name omdat haar ex-partner een hostel exploiteert in hetzelfde pand en hij over de sleutels van haar woning beschikte. Voor het oordeel dat de ernst van de overtreding zo beperkt is dat de boete had moeten worden gematigd, is ook geen grond. Verweerder merkt een overtreding van artikel 21 van de Huisvestingswet altijd aan als ernstige overtreding, omdat – zo stelt verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht- de problemen rondom vakantieverhuur in Amsterdam aanmerkelijk en urgent zijn. Dat verzoekster stelt dat zij geen financieel voordeel heeft gehad van de toeristische verhuur is geen aanleiding voor matiging van de boetes omdat dit geen afbreuk doet aan de ernst en aan de verwijtbaarheid van de overtredingen.

7.5

De voorzieningenrechter volgt evenmin het betoog van verzoekster dat er slechts sprake was van één enkele overtreding en dat er dus maar één boete had moeten worden opgelegd omdat de woningen zijn verhuurd via [website] . Dat de zelfstandige woningen in hetzelfde pand zijn gelegen, (deels) dezelfde eigenaar hebben en zijn verhuurd via een advertentie, betekent niet dat sprake is van een zo nauwe samenhang dat daarvoor één boete moet worden opgelegd in plaats van twee.

7.6

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de door verzoekster gestelde verminderde financiële draagkracht geen aanleiding geeft om de boetes te matigen. Verzoekster heeft daartoe onvoldoende inzicht gegeven in haar financiële situatie. Zij heeft volstaan met het overleggen van stukken over haar inkomenspositie en schulden maar heeft geen inzicht gegeven in haar vermogenspositie. Uit de stukken blijkt dat verzoekster woning 1 met een flinke overwaarde heeft verkocht en dat zij inmiddels een nieuwe woning heeft gekocht. Verzoekster stelt in haar e-mailbericht van 8 juni 2020 dat zij de overwaarde heeft gebruikt voor het aflossen van schulden en voor de aankoop van een nieuwe woning maar dit heeft zij niet met stukken onderbouwd. Omdat verzoekster geen duidelijkheid heeft verschaft over haar vermogenspositie kan niet de conclusie worden getrokken dat de financiële draagkracht van verzoekster tekort schiet om de boetes te voldoen. Zoals de gemachtigde van verweerder in een e-mailbericht van 8 juni 2020 heeft laten weten, kan verzoekster verweerder bovendien om een betalingsregeling vragen als zij, binnen een termijn van twee jaar, niet in staat is gebleken om de boetes te betalen. Verweerder kan in het kader van die aanvraag dan wel onderzoek verrichten naar de inkomens- en vermogenspositie van verzoekster.

Conclusie

8.1

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het beroep van verzoekster bij de huidige stand van zaken geen redelijke kans van slagen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

8.2

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Niekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open

Bijlage

Huisvestingswet 2014

Artikel 21

Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad (…), zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

a. anders dan ten behoeve van de bewoning (…) door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken;

(…)

Huisvestingsverordening 2016 van de gemeente Amsterdam

Artikel 4.2.2 Bestuurlijke boete

1. Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de verboden bedoeld in (…) artikel 21 van de [Huisvestings]wet (…).

2. Burgemeester en wethouders leggen een boete op:

(…)

b. voor de eerste overtreding van artikel 21 a, b, c of d van de wet overeenkomstig kolom A van de in bijlage 3 genoemde tabel 2;

(…)

Bijlage 3 Behorende bij artikel 4.2.2 Bestuurlijke boete

Woningonttrekking, 21 onder a, € 20.500,-

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:46

(…)

3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzonder omstandigheden te hoog is.

(…)

1 Geregistreerd onder nummer AMS 20/2821.

2 van 23 april 2019.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:649.