Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2967

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
13/752141-18 (EAB I)
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Litouwen executie. Gelet op de aanvullende informatie bestaat geen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling ten aanzien van opgeëiste personen die na overlevering in Litouwen worden gedetineerd. Overlevering toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752141-18 (EAB I)

RK nummer: 19/6805

Datum uitspraak: 11 juni 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 november 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 19 oktober 2018 door de Vilnius Regional Court (Litouwen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1985,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Justitieel Complex “ [locatie] ”, te [plaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 23 januari 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 januari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Litouwse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Uitspraak 6 februari 2020

Op 6 februari 2020 heeft de rechtbank een uitspraak gewezen, waarin zij het onderzoek ter zitting heeft heropend en voor onbepaalde tijd heeft geschorst en de beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB heeft uitgesteld teneinde de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen omtrent de detentieomstandigheden in Litouwen.

Zitting 28 mei 2020

De behandeling van de vordering is voortgezet op de zitting van 28 mei 2020, in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is, door middel van telehoren, gehoord en bijgestaan door zijn raadsman, en door een tolk in de Litouwse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, van de OLW uitspraak moet doen met onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft.

3 Uitspraak 6 februari 2020

De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 6 februari 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:743), waarin zij onder meer de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van het feit heeft beoordeeld. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen (onder 3 en 4) en met betrekking tot ‘Artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie’ (onder 5) dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4 Artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest)

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 van de OLW dient te worden geweigerd. De aanvullende informatie die is ontvangen in reactie op de vragen die zijn gesteld op grond van de uitspraak van 6 februari 2020, sluit niet uit dat de opgeëiste persoon in een penitentiaire inrichting wordt geplaatst waar een algemeen gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling. Onder meer is niet duidelijk geworden wat de Litouwse autoriteiten concreet hebben gedaan om inter-prisoner violence in de Litouwse detentiecentra, en in het bijzonder in Pravieniškės Correctional House-Open Colony, te verminderen en/of voorkomen. Daarnaast moet terughoudend worden omgegaan met de aanvullende informatie, nu het Comité voor de preventie van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT) tot de conclusie is gekomen dat sprake is van ernstige mensenrechtenschendingen in Litouwen en de informatie van de Litouwse autoriteiten niet als afkomstig van een onafhankelijke autoriteit kan worden beschouwd.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak dient te worden aangehouden, teneinde garanties aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen die het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon wegnemen en/of een nieuw rapport van het CPT af te wachten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden geen belemmering vormen voor overlevering. Gelet op de aanvullende informatie van april 2020 is het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling weggenomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft eerder, op 20 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:6202), in een andere overleveringszaak geoordeeld dat een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest, in de Litouwse detentie-instellingen: Alytus Correction Home, Marijampolė Correction Home en Pravieniškės Prison, waar Pravieniškės Correctional House–Open Colony onderdeel van is.

De rechtbank is tot deze conclusie gekomen op grond van het meest recente rapport van het CPT dat is uitgebracht naar aanleiding van het bezoek van het CPT aan Litouwen in 2018, waarin buitengewone niveaus van geweld, intimidatie en uitbuiting zijn beschreven. Het gaat om zowel onderling geweld tussen gedetineerden als excessief geweld door beveiligers om aan deze situaties een einde te maken. Dit is het gevolg van ruime aanwezigheid van drugs, alcohol, telefoons en steekwapens enerzijds en een zeer geringe aanwezigheid van gevangenismedewerkers en soms ook corruptie bij deze medewerkers anderzijds.

Daarom heeft de rechtbank bij voornoemde uitspraak van 6 februari 2020 de beslissing over het overleveringsverzoek uitgesteld.

In de aanvullende informatie van april 2020 van het Prison Department under the Ministry of Justice of the Republic Lithuania staat dat personen die via een EAB aan Litouwen worden overgeleverd in een bepaald aantal detentie-instellingen kunnen worden geplaatst, waar Pravieniškės Correctional House–Open Colony er één van is.

Verder staat in voornoemde aanvullende informatie samengevat dat er sprake is van persoonlijke ruimte van 7 m² in een éénpersoonscel en tenminste 6 m² in een meerpersoonscel in nieuwe en gerenoveerde detentie-instellingen en dat de cellen die door het CPT te klein zijn bevonden in de detentie-instellingen (waaronder Pravieniškės Prison) niet langer in gebruik zijn. Daarnaast wordt vermeld wat de compenserende factoren binnen de detentie-instelling zijn, zoals onbeperkte toegang tot water- en sanitaire voorzieningen, ventilatiesystemen alsook toegang tot buitenlucht en sportvoorzieningen. Ook wordt vermeld welke maatregelen er zijn genomen om gedetineerden tegen geweld binnen de detentie-instellingen te beschermen. Zo is de structuur van the Criminal Intelligence Board gecentraliseerd en worden hun werkzaamheden vermeld. Ook worden alle geweldsincidenten door hen onderzocht. Daarnaast wordt vermeld op welke wijze de preventie van het geweld binnen de detentie-instelling plaatsvindt. Genoemd wordt onder meer dat er intensief contact met de gedetineerden plaatsvindt en dat bij geweld betrokken gedetineerden van elkaar worden gescheiden. De aanstichter van het geweld kan zelfs in een andere detentie-instelling worden geplaatst.

De rechtbank is, met de officier van justitie en anders dan de raadsman, van oordeel dat gelet op deze informatie geen reëel gevaar meer bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest, ten aanzien van opgeëiste personen die na overlevering in Litouwen gedetineerd worden.

Gelet op het voorgaande staat het bepaalde in artikel 4 van het Handvest niet in de weg aan het nemen van een (positieve) beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB.

5 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Vilnius Regional Court (Litouwen).

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en M.E.M. James-Pater, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 11 juni 2020.

De voorzitter is buiten staat

deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.