Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2933

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
C/13/661369 / HA ZA 19-155
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na getuigenverhoren in geschil na bedrijfsovername. Overgenomen vennootschap is binnen een jaar failliet gegaan. Koper en aan koper verbonden personen hebben niet onrechtmatig gehandeld jegens verkoper, die vorderingen op de vennootschap had en die niet meer kan verhalen. Beklamel-vordering van aan verkoper gelieerde partij tegen bestuurder en feitelijk bestuurder van de overgenomen vennootschap wordt afgewezen. Ook de tegenvorderingen van koper tegen verkoper worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0236
OR-Updates.nl 2020-0280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/661369 / HA ZA 19-155

Vonnis van 10 juni 2020

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats ] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. R.A. Oskamp te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZUIDPARK B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

eiseres in conventie,

advocaat mr. R.A. Oskamp te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHARCON HOLDING B.V.,

gevestigd te Veenendaal,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. G.G.W.G. van der Valk-van den Bosch te 's-Hertogenbosch,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats ] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. G.G.W.G. van der Valk-van den Bosch te 's-Hertogenbosch,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats ] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. Y. Borrius te Amsterdam,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats ] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. Y. Borrius te Amsterdam,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PARKINCLUSIVE NL B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie.

Partijen zullen hierna [eisers] (en afzonderlijk: [eiser sub 1] en Zuidpark) respectievelijk gedaagden (en afzonderlijk: Charcon, [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en Parkinclusive NL) genoemd worden.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 januari 2018 (nog gewezen onder zaaknummer 13/622642 en rolnummer HA ZA 17-96, hierna: het tussenvonnis)

  • -

    de akte levering (tegen)bewijs, alsmede verzoek heroverweging bindende eindbeslissingen van Charcon en [gedaagde sub 2] van 28 maart 2018, met aanvullende producties 34 tot en met 38

  • -

    de akte levering (tegen)bewijs tevens overlegging producties tevens verzoek om aanhouding gedurende hoger beroep van [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en Parkinclusive NL van 28 maart 2018, met aanvullende producties 43 tot en met 45

  • -

    de akte uitlaten na verzoek om aanhouding en uitlaten na verzoek om heroverweging van [eisers] van 18 april 2018

  • -

    het vonnis van 22 augustus 2018, waarbij is bepaald dat tegen het tussenvonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld

  • -

    de voorafgaand aan het getuigenverhoor van 17 september 2019 door Charcon en [gedaagde sub 2] ingediende aanvullende productie 39

  • -

    de voorafgaand aan het getuigenverhoor van 17 september 2019 door [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] ingediende aanvullende producties 46 tot en met 49

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 17 september 2019

  • -

    de op 29 november 2019 door [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] ingediende aanvullende productie 50

  • -

    de op 5 december 2019 door [eisers] ingediende aanvullende producties 38 tot en met 43

  • -

    de op 10 december 2019 door [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] ingediende aanvullende producties 51 en 52

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 16 december 2019

  • -

    het proces-verbaal van tegenverhoor tevens comparitie, gehouden op 17 december 2019

  • -

    de conclusie na enquête van Charcon en [gedaagde sub 2] van 29 januari 2020

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] van 29 januari 2020

  • -

    de antwoordconclusie na enquête van [eisers] van 26 februari 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Om de rechtbank onduidelijke redenen ontbraken in het procesdossier zowel de aktes van Charcon en [gedaagde sub 2] en van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] van 28 maart 2018 als de antwoord-akte van [eisers] van 18 april 2018. Bij het getuigenverhoor op 17 september 2019 is geconstateerd dat de akte van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] ontbrak, waarna deze aan de rechtbank is toegezonden. Nadat de zaak voor vonnis kwam te staan is geconstateerd dat ook de aktes van Charcon en [gedaagde sub 2] en [eisers] ontbraken, en ook deze zijn daarop aan de rechtbank toegezonden.

1.4.

Parkinclusive NL is op 23 oktober 2018 failliet verklaard. De procedure tegen deze gedaagde is daardoor, op grond van artikel 29 Faillissementswet, geschorst.

2. De verdere beoordeling

2.1.

De zaak in conventie draait er met name om dat [eisers] gedaagden er aansprakelijk voor houden dat zij hun vorderingen op Meyhold als gevolg van het faillissement van Meyhold niet hebben kunnen verhalen. Vast staat dat Zuidpark twee vorderingen op Meyhold heeft:

  • -

    een vordering van € 300.000 voor de overname van de parkeeractiviteiten in Eindhoven en Rotterdam (overeengekomen op 18 oktober 2016, te betalen in maandelijkse termijnen van € 5.000, de eerste te voldoen op 30 november 2016, tussenvonnis onder 2.12) en

  • -

    een vordering van € 165.293,93 (het op 18 oktober 2016 in een lening omgezette bedrag dat Meyhold uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst van 1 april 2016 voor Eindhoven en Rotterdam verschuldigd was en op 18 oktober 2016 nog niet had voldaan, tussenvonnis onder 2.13).

Daarnaast stelt [eiser sub 1] – en dit wordt betwist – dat hij twee vorderingen op Meyhold heeft uit hoofde van de tussen hem en Meyhold bij de overname aangegane overeenkomst van opdracht (tussenvonnis onder 2.7):

  • -

    een vordering van € 10.587,50 (onbetaalde maandbedragen van € 1.750 excl. btw over de periode augustus tot en met december 2016) en

  • -

    een vordering van € 31.762,50 (onbetaalde maandbedragen van € 1.750 excl. btw over de periode januari 2017 tot en met maart 2018).

[eisers] willen in deze procedure deze vorderingen op verschillende grondslagen op gedaagden verhalen. Daarnaast vordert [eiser sub 1] betaling van het niet betaalde deel van de koopsom voor de aandelen Meyhold, en betaling van wat hij onder een borgstelling aan Funding Circle (een financier van Meyhold) moet betalen.

2.2.

In het tussenvonnis is aan gedaagden bewijs opgedragen van twee stellingen en zijn gedaagden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen twee voorlopige oordelen. De rechtbank gaat hieronder ten eerste in op de verschillende grondslagen waarop [eisers] hun vorderingen op Meyhold op gedaagden willen verhalen (hierna 2.3 en verder). Daarna (hierna 2.26 en verder) gaat de rechtbank in op de overige vorderingen in conventie en op de tegenvorderingen van Charcon.

Kunnen [eisers] hun vorderingen op Meyhold verhalen op alle gedaagden wegens onrechtmatig handelen (sterfhuisconstructie)?

2.3.

Ten eerste willen [eisers] hun vorderingen op Meyhold verhalen op alle gedaagden, omdat gedaagden een wat [eisers] noemen ‘sterfhuisconstructie’ hebben opgezet en Meyhold failliet hebben laten gaan, om [eisers] met hun vorderingen in de kou te laten staan. In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat zij voorshands van oordeel is de onderneming van Meyhold is overgeheveld naar Parkinclusive NL, dat daarmee inderdaad sprake is van de door [eisers] geschetste sterfhuisconstructie (rov. 4.4) en dat gedaagden tegenbewijs mogen leveren, waartoe zij aannemelijk moeten maken dat Meyhold ook zonder de overdracht van de IE-rechten aan Charcon en de parkeeractiviteiten aan Parkinclusive NL failliet zou zijn gegaan (rov. 4.5).

2.4.

Bij de comparitie van 17 december 2019 is enige aandacht besteed aan de duiding van de onder 2.3 weergegeven overwegingen in het tussenvonnis. Partijen hebben zich daar ook in hun na het tussenvonnis en de na de getuigenverhoren genomen conclusies over uitgelaten. De rechtbank duidt de overwegingen in het tussenvonnis als volgt:

  • -

    De rechtbank ging er voorshands vanuit dat de onderneming van Meyhold is overgeheveld naar Parkinclusive NL (rov. 4.4) en alle gedaagden (rov. 4.3) daar aan hebben meegewerkt. Omdat de rechtbank expliciet van een voorshands oordeel spreekt, moet de bedoeling van de rechtbank zijn geweest (zoals gedaagden het ook hebben opgevat) ook tegenbewijs tegen deze aannames toe te laten, ook al wordt het tegenbewijs dat gedaagden mogen leveren in rov. 4.5 louter toegespitst op de vraag of Meyhold ook zonder de overheveling van activiteiten failliet was gegaan.

  • -

    De overweging dat gedaagden om het tegenbewijs te leveren aannemelijk moeten maken dat zonder de overdracht van de IE-rechten aan Charcon en de parkeeractiviteiten aan Parkinclusive NL Meyhold ook failliet zou zijn gegaan (rov. 4.5) en de overweging dat als zij daarin slagen, de sterfhuisconstructie niet vast komt te staan (rov. 4.7), begrijpt de rechtbank aldus dat als de activiteiten wel zijn overgeheveld en gedaagden daar aan hebben meegewerkt, maar dit niet tot het faillissement heeft geleid, gedaagden niet onrechtmatig jegens [eisers] hebben gehandeld, en om die reden geen vordering op gedaagden hebben.

2.5.

De rechtbank gaat er daarmee van uit dat het tussenvonnis de volgende voorlopige oordelen bevat:

  • -

    dat de onderneming van Meyhold naar Parkinclusive NL is overgeheveld;

  • -

    dat alle gedaagden daar aan hebben meegewerkt;

  • -

    dat Meyhold daardoor failliet is gegaan, en dat [eisers] daardoor benadeeld zijn, omdat Meyhold zonder het faillissement aan haar verplichtingen jegens [eisers] (hiervoor onder 2.1) zou kunnen hebben voldoen.

Indien deze voorlopige oordelen standhouden, hebben gedaagden onrechtmatig gehandeld jegens [eisers] en zijn ze gehouden de door [eisers] daardoor geleden schade te vergoeden. De rechtbank gaat hierna punt voor punt in op de genoemde voorlopige oordelen.

Is de onderneming van Meyhold naar Parkinclusive NL overgeheveld?

2.6.

In het tussenvonnis overwoog de rechtbank dat Parkinclusive NL sinds eind 2015 achter de website centralparking.nl zit en onder die naam parkeerdiensten is gaan aanbieden waar eerst Meyhold dat deed, met hetzelfde personeel op dezelfde parkeerlocaties, terwijl Meyhold leeg is achtergebleven, waarmee de rechtbank er voorshands van uitging dat de onderneming van Meyhold is overgeheveld naar Parkinclusive NL.

2.7.

In hun conclusie na getuigenverhoor betogen [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] dat Meyhold geen parkeerlocaties en geen werknemers heeft overgedragen. Dat klopt, maar doet er niet toe. Het gaat er niet om of Meyhold formeel iets heeft overgedragen (dat is kennelijk alleen met de inventaris gebeurd), maar of de onderneming die door Meyhold werd gedreven feitelijk is voortgezet door Parkinclusive NL. Dat is evident het geval; waar de e-mail van [gedaagde sub 4] aan het personeel van Meyhold (tussenvonnis, rov. 2.16) al duidelijk daarop wees, bevestigen de getuigenverklaringen die [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] in het kader van de tegenbewijslevering hebben afgelegd dat juist. De werknemers kregen de mededeling dat zij vanaf 1 januari 2017 door Parkinclusive NL zouden worden betaald, Parkinclusive NL is de parkeerlocatie van Meyhold aan de Rijnlanderweg simpelweg gaan gebruiken en is, in plaats van Meyhold, aan de eigenaar de huur gaan betalen, klanten die een auto hadden geparkeerd in december bij Meyhold kregen die auto in januari terug van iemand van Parkinclusive NL, de website centralparking.nl werd in plaats van door Meyhold door Parkinclusive NL gebruikt, en de boekingen die bij D-Reizen waren binnengekomen werden voortaan door Parkinclusive NL uitgevoerd. Alles wat in economische zin de onderneming maakte, te weten de klanten, de middelen waarmee klanten binnenkwamen (website, D-Reizen), de werknemers, en de resterende parkeerlocatie, is dus in een kort tijdsbestek overgeheveld naar Parkinclusive NL.

Hebben alle gedaagden daar aan meegewerkt?

2.8.

Charcon en [gedaagde sub 2] zijn in het kader van de tegenbewijslevering opgekomen tegen het voorlopige oordeel dat alle gedaagden handelingen hebben verricht met betrekking tot de overheveling van de onderneming. Zij betogen dat (a) dat de overdracht van de IE-rechten van Meyhold aan Charcon niets van doen heeft met de voortzetting van de onderneming van Meyhold door Parkinclusive NL en (b) Charcon als aandeelhouder van Meyhold slechts op de achtergrond betrokken was bij de overgang van de parkeeractiviteiten naar Parkinclusive NL zodat Charcon en [gedaagde sub 2] , anders dan in het tussenvonnis verondersteld wordt, niet onrechtmatig jegens [eisers] gehandeld kunnen hebben.

2.9.

De rechtbank volgt betoog (a). In het tussenvonnis was hier ook al een slag om de arm gehouden (zie eerste deel van rov. 4.4). Charcon stelt dat de IE-rechten op 12 april 2016, kort na de overname, aan haar zijn overgedragen en stelt dat die overdracht dus niets te maken heeft met de overheveling van activiteiten naar Parkinclusive NL van eind 2016. [eisers] stellen dat de overdracht wel deel uitmaakt van wat zij de ‘sterfhuisconstructie’ noemen en betwisten dat de overdracht op 12 april 2016 heeft plaatsgevonden. Als argumenten voeren zij aan dat de wijziging van de tenaamstelling van de domeinnaam pas in december 2016 heeft plaatsgevonden en dat in de tussentijd de kosten gekoppeld aan de promotie van de website niet ten laste van Charcon werden gebracht. De rechtbank volgt [eisers] niet. Voor een gat in de tijd tussen overdracht en registratie zijn, zeker als de partijen tussen wie de overdracht heeft plaatsgevonden dezelfde eigenaar hebben, vele niet-dubieuze redenen te bedenken, zodat het niet in de rede ligt om direct van antedatering uit te gaan. Dat de kosten gekoppeld aan de promotie van de website niet ten laste van Charcon werden gebracht, zegt niets. Het is niet ongebruikelijk om kosten van promotie ten laste van een werkmaatschappij te brengen, ook als de IE-rechten op naam van de holding staan. Verder benadrukken [eisers] dat Meyhold jarenlang fors in de IE-rechten, de ‘kroonjuwelen’ van de onderneming, had geïnvesteerd en stellen zij dat de overdracht daarvan in strijd met de ‘going concern’ bepaling in de koopovereenkomst was. Ook hier volgt de rechtbank [eisers] niet. Het stond Charcon en [gedaagde sub 2] , die net een fors bedrag hadden betaald voor de overname van Meyhold, vrij de IE-rechten in de holding (Charcon) onder te brengen. Terecht stelt Charcon dat dit gebruikelijk is, terwijl [gedaagde sub 2] heeft verklaard dat dit hem voor de overname zowel door de notaris die Charcon voor hem had opgericht als door andere juridisch adviseurs was aangeraden. Evenmin ziet de rechtbank in waarom deze overdracht in strijd zou zijn met de going concern bepaling in de overeenkomst. De exploitatie van de onderneming is na 12 april 2016 gewoon voortgezet; dat dit met een licentie voor de IE-rechten was in plaats van met de IE-rechten was, doet daar niet aan af.
De inhoud van de openbare faillissementsverslagen van Meyhold ten slotte maakt het voorgaande niet anders. Aan [eisers] moet worden toegegeven dat de lezing van Charcon dat de schikking met de curator uitsluitend ziet op onverschuldigde betaling van management fees, geen expliciete steun vindt in die verslagen. Daarin is te lezen dat de curator een bedrag van € 121.127,60 heeft teruggevorderd wegens onverschuldigde betaling én de koopovereenkomst met betrekking tot de IE-rechten heeft vernietigd, maar dat er later een minnelijke regeling is getroffen waarbij partijen elkaar algehele en finale kwijting hebben verleend. Dat Charcon slechts € 55.000 aan de boedel moet voldoen, wekt wel sterk de indruk dat alleen het punt van de onverschuldigde betaling wordt verdisconteerd. Er kan naar het oordeel van de rechtbank niet uit blijken dat Charcon en de curator ervan zijn uitgegaan dat er iets niet in de haak was met de overdracht van de IE-rechten.

2.10.

De rechtbank volgt betoog (b) niet. [eisers] merken terecht op dat [gedaagde sub 3] , de bestuurder van Meyhold, door Charcon bij Meyhold werd ingezet (Charcon ontving daarvoor een management fee van Meyhold). Charcon was dus niet een “aandeelhouder op afstand”, maar leverde de enige bestuurder van de vennootschap. Uit de getuigenverklaring van [gedaagde sub 3] volgt verder dat hij “de heren uit Rotterdam” (te weten: [naam 1] en [naam 2] , die Parkinclusive NL hebben opgezet) bij [gedaagde sub 2] heeft geïntroduceerd en de faillissementsaanvraag met [gedaagde sub 2] heeft voorbereid. De rechtbank kan daar geen andere conclusie aan verbinden dan dat Charcon en [gedaagde sub 2] hebben besloten het faillissement aan te vragen in de wetenschap dat de activiteiten door Parkinclusive NL werden overgenomen. Daar komt bij dat Charcon, zo volgt uit de getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] , Parkinclusive Global B.V. een licentie heeft verstrekt om Parkinclusive NL de IE-rechten te laten gebruiken. Dat was een essentiële stap in de overheveling van de activiteiten uit Meyhold naar Parkinclusive NL: de website was een van de belangrijkste, zo niet de belangrijkste bron van klandizie, zo valt onder meer af te leiden uit wat [eiser sub 1] en [gedaagde sub 4] bij de comparitie van 17 december 2019 hebben verklaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook Charcon en [gedaagde sub 2] hebben meegewerkt aan het overhevelen van de onderneming vanuit Meyhold naar Parkinclusive NL.

Is Meyhold daardoor failliet gegaan?

2.11.

Gedaagden betogen dat het faillissement van Meyhold onafwendbaar was, en ook zonder de overheveling van de onderneming zou hebben plaatsgevonden, omdat sprake was van een grote schuldenlast, een duurzaam negatieve cashflow, een negatief werkkapitaal en een negatief eigen vermogen. Zij verwijzen naar een in hun opdracht opgestelde financiële rapportage van PKF Wallast. Eerder hebben zij ook betoogd dat het faillissement het gevolg is van het verliezen van de procedure bij de Raad van State over de parkeerplaatsen in Amstelveen en het wegvallen daarvan in december 2016, maar daar hebben zij zich in hun conclusies na de getuigenverhoren niet meer op beroepen.

2.12.

Voor zover gedaagden het wegvallen van de parkeerplaatsen in Amstelveen nog aanvoeren als oorzaak van het faillissement (in de overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen doen [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] dat namelijk wel) is het voorlopig oordeel van de rechtbank (rov. 4.5, laatste zin) dat dit niet het geval is, niet ontkracht. Het is, zo blijkt onder meer uit de getuigenverklaring van [gedaagde sub 4] , zelfs nog voor het overhevelen van de onderneming naar Parkinclusive NL gelukt een nieuwe locatie te vinden; daaruit blijkt dat het wegvallen van deze parkeerplaatsen overkomelijk was. [gedaagde sub 4] heeft verklaard dat door het wegvallen van de parkeerplaatsen in Amstelveen geen nieuw kapitaal kon worden aangetrokken, en dat dit de reden is dat het wegvallen van de parkeerplaatsen het faillissement onafwendbaar maakte, maar die stelling wordt betwist en is op geen enkele wijze geconcretiseerd.

2.13.

[eisers] erkennen in hun antwoordconclusie na enquête dat het faillissement onafwendbaar was gegeven de door PKF Wallast genoemde factoren. Daarmee zijn gedaagden geslaagd in het leveren van tegenbewijs tegen het voorlopige oordeel dat Meyhold failliet is gegaan door de overheveling van de onderneming naar Parkinclusive NL. De rechtbank stelt vast dat Meyhold hoe dan ook failliet zou zijn gegaan.

Nuancering van “Is Meyhold daardoor failliet gegaan?”: zijn [eisers] daardoor benadeeld?

2.14.

[eisers] betogen in hun antwoordconclusie na enquête dat, als het faillissement onafwendbaar was, de activiteiten en activa van Meyhold in een door een curator gerealiseerde doorstart een aanzienlijk bedrag zouden hebben kunnen opleveren, dat ten goede aan de schuldeisers zou zijn gekomen, en dat gedaagden daarom toch onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld. Kennelijk bedoelen [eisers] , ook al stellen zij dit niet met zoveel woorden, dat zij in een faillissement dat niet zou zijn voorafgegaan door de overheveling van de onderneming naar Parkinclusive NL nog iets van hun vorderingen op Meyhold zouden hebben teruggezien – en zij dus toch benadeeld zijn door de handelwijze van gedaagden. De discussie treedt daarmee buiten de kaders van de voorlopige oordelen uit het tussenvonnis waartegen de rechtbank tegenbewijs heeft toegelaten (hiervoor onder 2.5), maar de rechtbank acht dat toelaatbaar: de strekking van de vraag of het handelen van gedaagden tot het faillissement heeft geleid was nu juist of [eisers] door het handelen van gedaagden zijn benadeeld. Omdat dit punt wordt aangevoerd in de antwoordconclusie na enquête, het laatst ingediende processtuk, zou de rechtbank gedaagden in de gelegenheid kunnen stellen daarop te reageren. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] zijn er evenwel al kort op ingegaan in hun conclusie na getuigenverhoor, en de rechtbank is van oordeel dat het betoog van [eisers] onvoldoende onderbouwd is, zodat ze ook dit punt kan afdoen.

2.15.

De rechtbank acht op zich waarschijnlijk dat, als de activiteiten niet kort voor het faillissement naar Parkinclusive NL waren overgeheveld, de boedel bij een doorstart een hoger bedrag zou hebben ontvangen dan het bedrag dat Meyhold kort voor het faillissement van Parkinclusive NL heeft ontvangen. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] hebben verklaard dat Parkinclusive NL niet meer heeft betaald dan de taxatiewaarde van de inventaris plus een opslag. Het komt in faillissementen vaker voor dat een doorstartende partij niet meer dan een dergelijke vergoeding betaalt, maar bij een onderneming als die van Meyhold ligt het in de rede meer te verwachten. De waarde van de onderneming zat niet in de inventaris, maar in de bestaande klanten, de bestaande naamsbekendheid (waarin jarenlang forse bedragen waren geïnvesteerd) en de bestaande logistieke organisatie (in het bijzonder: de werknemers en de resterende parkeerlocatie). Een doorstartende partij heeft duidelijk voordeel bij het ineens kunnen overnemen van dat alles. In een faillissement met doorstart had daarom waarschijnlijk meer dan een vergoeding voor de inventaris kunnen worden bedongen, vooral als er meer dan een gegadigde zou zijn geweest. Om tot de conclusie te komen dat [eisers] zijn benadeeld, moet echter , zoals [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] aanvoeren in hun conclusie na getuigenverhoor, komen vast te staan dat het bedrag dat de boedel van de doorstarter zou hebben ontvangen genoeg zou zijn geweest om een uitkering aan concurrente crediteuren zoals [eisers] mogelijk te maken. Die conclusie kan de rechtbank onmogelijk trekken. Uit de openbare faillissementsverslagen blijkt dat alleen al de belastingdienst een preferente vordering van ruim € 685.000 heeft ingediend, terwijl er ook nog boedelvorderingen en een preferente vordering van het UWV liggen. Uit niets van wat [eisers] hebben gesteld valt op te maken dat een doorstartende partij een dermate hoog bedrag aan de boedel zou hebben betaald dat daardoor een uitkering aan [eisers] zou vallen te verwachten. [eisers] hebben gewezen op de hoogte van de koopsom die Charcon voor de aandelen heeft betaald, de omzetstijging in 2016, de uitbreiding van de parkeeractiviteiten in Eindhoven en Rotterdam en de investeringen in de (vindbaarheid van) de website, maar de relevantie van eerder betaalde overnamesommen of gedane investeringen is in geval van faillissement zeer beperkt. Het betoog van [eisers] faalt.

Conclusie onrechtmatig handelen door alle gedaagden

2.16.

Uit het voorgaande volgt dat gedaagden niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eisers] , ook niet als de vraag of het handelen van gedaagden tot het faillissement heeft geleid breder wordt gelezen, te weten als de vraag of het handelen van gedaagden [eisers] heeft benadeeld. De vorderingen tot verhaal op gedaagden van de onder 2.1 genoemde vorderingen op Meyhold moeten dus, voor zover zij op deze grondslag berusten, worden afgewezen. De vraag of de opdrachtovereenkomst tussen Meyhold en [eiser sub 1] met onderling goedvinden is beëindigd, en [eiser sub 1] dus nog iets te vorderen had van Meyhold (zie hiervoor onder 2.1 en tussenvonnis, rov. 4.6, tot het bewijs waarvan gedaagden waren toegelaten), behoeft geen antwoord. Ook als de overeenkomst niet is beëindigd, zijn gedaagden niet aansprakelijk voor de niet-nakoming door Meyhold.

Hebben [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] onrechtmatig gehandeld jegens Zuidpark door namens Meyhold de Tweede Wijzigingsovereenkomst aan te gaan (Beklamel-vordering)?

2.17.

[eisers] hebben verder betoogd dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] onrechtmatig jegens Zuidpark hebben gehandeld door op 18 oktober 2016 namens Meyhold de Tweede Wijzigingsovereenkomst aan te gaan, omdat zij daarbij namens Meyhold verplichtingen aangingen waarvan zij wisten dat zij die niet kon nakomen. In het tussenvonnis (rov. 4.7) heeft de rechtbank [gedaagde sub 4] aangemerkt als, kort gezegd, feitelijk bestuurder van Meyhold en voorshands geoordeeld dat het [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] op 18 oktober 2016 duidelijk was dat Meyhold, namens wie die zij die dag de verplichting aangingen om Zuidpark € 300.000 te betalen in maandelijkse termijnen van € 5.000, die niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden, en hen in de gelegenheid gesteld tegen dat voorlopige oordeel tegenbewijs te leveren.

2.18.

[gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] hebben diverse bezwaren aangevoerd tegen de genoemde overwegingen uit het tussenvonnis. Het is de rechtbank niet gebleken dat deze overwegingen berusten op onjuiste juridische of feitelijke grondslagen, zodat geen aanleiding bestaat daarop terug te komen.

2.19.

[gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] hebben in het kader van de tegenbewijslevering betoogd – ondersteund door onder meer de getuigenverklaring van [gedaagde sub 3] en de schriftelijke getuigenverklaring van [naam 3] – dat aan de verplichting die Meyhold in de Tweede Wijzigingsovereenkomst aanging met gemak viel te voldoen uit de opbrengsten van de daardoor overgenomen parkeeractiviteiten in Rotterdam en Eindhoven. Volgens de berekening van [naam 3] leverden die activiteiten ongeveer € 12.500 per maand op, waar nauwelijks nog kosten vanaf gingen, zodat de maandelijkse betaling van € 5.000 gemakkelijk op te brengen was. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] betogen dat deze maandelijkse last voor Meyhold een aanmerkelijke verbetering bracht ten opzichte van de eerdere situatie waarin Meyhold die opbrengsten, na aftrek van kosten, geheel aan Zuidpark moest afdragen. Zuidpark heeft dit betoog niet gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank ervan gaat dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] op 18 oktober 2016 mochten aannemen dat Meyhold – als uitsluitend wordt gekeken naar de vraag of de betaling zou kunnen worden opgebracht uit de inkomsten van de overgenomen activiteiten in Eindhoven en Rotterdam – met gemak aan die betalingsverplichting zou kunnen voldoen.

2.20.

Zuidpark stelt dat dit irrelevant is, omdat gedaagden nota bene zelf betogen dat Meyhold niet levensvatbaar was. Zuidpark stelt dat dit [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] op 18 oktober 2016 duidelijk moet zijn geweest. Als dat het geval is, doet het betoog van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] dat de opbrengsten uit Rotterdam en Eindhoven voldoende waren om maandelijks

€ 5.000 op te brengen, inderdaad niet ter zake. Een faillissement zou immers een einde maken aan die maandelijkse opbrengsten. Als [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] de Tweede Wijzigingsovereenkomst hebben gesloten terwijl ze wisten of moesten weten dat Meyhold failliet zou gaan, is er nog steeds sprake van een Beklamel-situatie, dat wil zeggen: een situatie waarin de bestuurders wisten of redelijkerwijze behoorden te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen.

2.21.

Daarmee komt de rechtbank op de vraag of [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] op 18 oktober 2016 wisten of moesten weten dat Meyhold failliet zou gaan. Zuidpark stelt van wel en verwijst daarbij naar de rapportage van PKF Wallast waarin te lezen is dat er in 2016 grote kostenstijgingen waren ten opzichte van 2015, terwijl de omzet in 2016 ten opzichte van 2015 slechts met 5% is gestegen. Daarnaast voert Zuidpark andere feiten aan, zoals dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] beide een financiële achtergrond hebben. Zuidpark benadrukt verder dat de rapportage van PKF Wallast gebaseerd is op de saldibalans 2016, dat die rechtstreeks afkomstig is uit de financiële administratie (Exact) van Meyhold, en stelt dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] diezelfde administratie in oktober 2016 hadden kunnen raadplegen, en ook toen bekend hadden moeten zijn met door PKF Wallast genoemde feiten.
[gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] zijn in hun conclusie na getuigenverhoor niet ingegaan op de vraag of zij op 18 oktober 2016 wisten of moesten weten dat Meyhold failliet zou gaan. Niettemin leidt de rechtbank uit de door hen in het kader van de tegenbewijslevering afgelegde getuigenverklaringen af dat zij dit betwisten.

2.22.

De rechtbank overweegt als volgt. Dat de financiële situatie van Meyhold in de loop van 2016 ernstig is verslechterd omdat de kosten fors stegen, terwijl de inkomsten maar weinig toenamen, staat vast. De rechtbank gaat er ook van uit, nu dit niet wordt betwist, dat die ontwikkeling in oktober 2016 zichtbaar was en [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] die ontwikkeling toen kenden. Daarmee is evenwel niet al gezegd dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] wisten dat het faillissement aanstaande was. Om tot die conclusie te komen, moet ook duidelijk zijn dat zij geen verandering in die financiële situatie mochten verwachten, waarbij van belang is hoe zij op dat moment tegen de kostenstijging en de beperkte omzetstijging aankeken, en welke verwachtingen zij hadden ten aanzien van de ontwikkeling van omzet en kosten.

2.23.

[gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] zagen de kostenstijgingen, zo blijkt uit hun schriftelijke verklaringen en/of hun getuigenverklaringen, met name als gevolg van hun wens om de overgenomen operatie te professionaliseren (zoals door de parkeerlocaties te beveiligen) en het zwartgeldcircuit wit te maken. De rapportage van PKF Wallast, maar ook al de overwegingen in rov. 4.5 van het tussenvonnis en de daar genoemde bedragen, bevestigen dat er forse kosten zijn gemaakt om het zwarte circuit wit te maken. Voor een groot deel van die kosten geldt dat het om eenmalige kosten gaat, die de financiële positie van Meyhold wel verslechterden, maar die [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] niet als structureel probleem hoefden te zien. [gedaagde sub 3] heeft verklaard dat hij in oktober 2016 nog positieve verwachtingen had, dat ze bezig waren met een nieuwe locatie in het Westelijk Havengebied, dat ze goede hoop hadden dat de rechtszaak met betrekking tot de locatie in Amstelveen goed zou aflopen, en dat hij de tegenvallende omzet onder andere weet aan slechte adviezen van de marketingmensen met betrekking tot het laag houden van de prijzen. [gedaagde sub 3] verklaarde dat hij aanvankelijk daarop was afgegaan, maar na verloop van tijd constateerde dat er met die lage prijzen geen geld werd verdiend en dat hij de prijzen daarom – per omstreeks oktober 2016 – had verhoogd, waardoor de prijs per verblijf gemiddeld met € 30 omhoog zou gaan. Dat is een relatief fors bedrag, dat – als het aantal boekingen ongeveer gelijk zou zijn gebleven – tot een duidelijk hogere omzet zou hebben geleid. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] hebben verder verklaard dat zij hard hebben gewerkt om het bedrijf overeind te houden en vastberaden waren om Meyhold door de diverse tegenslagen heen te trekken, en dat de regeling die zij op 18 oktober 2016 met [eiser sub 1] troffen – en die zij al maanden, volgens [gedaagde sub 4] vanaf juni 2016, met hem probeerden te treffen – in dat kader moet worden gezien. De rechtbank ziet geen feiten of omstandigheden die maken dat daaraan getwijfeld moet worden, en is van oordeel dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] voldoende hebben aangevoerd om de veronderstelling dat zij, op basis van de slechte financiële ontwikkeling in 2016, op 18 oktober 2016 al moesten weten dat Meyhold failliet zou gaan, te ontkrachten.

2.24.

De rechtbank benadrukt in dit verband nog dat de conclusie dat een bestuurder wist dat een vennootschap niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden, niet te lichtvaardig moet worden getrokken. Dat geldt zeker ook voor een bestuurder als [gedaagde sub 3] , zie zelf alleen maar nadeel heeft ondervonden van het faillissement, en iemand als [gedaagde sub 4] , die enkel vanwege zijn betrokkenheid bij het aangaan van de overeenkomst als feitelijk bestuurder is aangemerkt. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, waarin (rov. 4.2) wordt uitgelegd waarom een hoge drempel geldt voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde: omdat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en gegeven het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.

2.25.

Ten overvloede overweegt de rechtbank, met het oog op de afweging van goede en kwade kansen die partijen zullen maken bij de vraag of zij al dan niet hoger beroep instellen, nog als volgt. Ook als [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] op 18 oktober 2016 hadden moeten weten dat Meyhold failliet zou gaan en zij wel onrechtmatig zouden hebben gehandeld, zou dat naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot toewijzing van de door Zuidpark gevorderde € 300.000. Zuidpark zou in dat geval in de situatie moeten worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd als Meyhold en Zuidpark de Tweede Wijzigingsovereenkomst niet zouden zijn aangegaan (vergelijk Hoge Raad 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0468, rov. 4.10) en in die situatie zou zij geen aanspraak hebben gehad op een bedrag van € 300.000. Over de vraag, in welke situatie Zuidpark dan zou wel zou hebben verkeerd, hebben partijen in deze instantie niet of nauwelijks gedebatteerd.

Vordering [eiser sub 1] op Charcon voor betaling restant koopsom aandelen

2.26.

[eiser sub 1] eist verder betaling van het restant van de koopsom voor de aandelen Meyhold, € 344.957. Die vordering kan zich alleen tegen Charcon richten (tussenvonnis, rov. 4.8). Charcon heeft als verweer gevoerd dat zij een kat in de zak heeft gekocht doordat [eiser sub 1] haar een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven van de situatie van Meyhold. De rechtbank heeft de door Charcon genoemde ‘lijken in de kast’ besproken en kwam tot de conclusie dat de vordering tot betaling van het restant van de koopsom in beginsel moet worden toegewezen (rov 4.24), zij het dat wel sprake is van een garantieschending (rov. 4.22) en het ten onrechte belasten van Meyhold met kosten van [eiser sub 1] (rov. 4.23). Het beroep van Charcon op partiële ontbinding van de Koopovereenkomst en verlaging van de koopprijs is gepasseerd (rov. 4.12). Op het verweer van Charcon dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij het restant van de koopsom moet betalen, heeft de rechtbank in het tussenvonnis nog niet beslist. De rechtbank heeft overwogen (rov 4.24) dat de vraag of dat verweer slaagt afhankelijk is van de uitkomsten van de tegenbewijslevering. Als daaruit aanwijzingen naar voren zouden komen dat [eiser sub 1] op onrechtmatige wijze de hand heeft gehad in de situatie die tot het faillissement van Meyhold heeft geleid, dat reden zou kunnen zijn Charcon in dit verweer te volgen.

2.27.

De rechtbank is niet van oordeel dat uit de tegenbewijslevering aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat [eiser sub 1] op onrechtmatige wijze de hand heeft gehad in de situatie die tot het faillissement van Meyhold heeft geleid, waardoor het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat Charcon het restant van de koopsom moet voldoen. De verwijten die Charcon [eiser sub 1] maakte zijn in het tussenvonnis uitgebreid behandeld (rov. 4.13 tot en met 4.21) en Charcon heeft in het kader van de tegenbewijslevering niets nieuws naar voren gebracht. Alles wat Charcon in haar conclusie na enquête aanvoert, heeft zij eerder al aangevoerd en is in het tussenvonnis al besproken (extra personeelskosten door zwarte loonbetalingen, zie tussenvonnis rov. 4.16, wat [eiser sub 1] heeft verklaard over de parkeerplaatsen, zie rov. 4.16, extra salarisbetalingen en naheffingen SZW, zie rov. 4.17, schadegevallen, zie rov. 4.21). Met een nadere onderbouwing komt Charcon ook niet. De conclusie blijft dus dat het restant van de koopsom opeisbaar is. De betaling van het resterende deel van de koopsom is in de overeenkomst niet afhankelijk gesteld van iets anders dan de data waarop die verschuldigd wordt, dus het feit dat de overgenomen vennootschap inmiddels is gefailleerd verandert daaraan niets.

2.28.

Dat Charcon en [gedaagde sub 2] menen een kat in de zak te hebben gekocht is begrijpelijk. Zij hebben een fors bedrag betaald voor een onderneming die binnen een jaar is gefailleerd. Dat is evenwel het risico van ondernemen; ze hebben niet hard kunnen maken dat [eiser sub 1] hen tijdens het – langdurige – koopproces een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Het is duidelijk dat er bij Meyhold dingen niet in de haak waren. [eiser sub 1] pleegde, toen hij nog eigenaar was, forse belastingfraude. In het tussenvonnis is echter al overwogen dat Charcon zich daar niet over kan beklagen, omdat zij wist van het buiten de boeken houden van omzet en zwarte betalingen, en dat weerhield haar niet van de overname. Dat laatste wordt nog eens bevestigd door de getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] over het meegaan met het verzoek tot contante betaling van een deel van de koopsom. Charcon heeft wel gesteld dat het zwarte circuit veel groter was dan zij voor de overname wist, maar zij heeft deze stelling nergens gekwantificeerd of met feiten onderbouwd – en dus niet aangetoond dat [eiser sub 1] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. De enkele getuigenverklaring van [gedaagde sub 3] dat “we … tot na de overname geen idee (hadden) van de schaal” waarop zwart salaris werd betaald, terwijl hij ook verklaart dat hij ermee bekend was dat 4,5 à 5 ton omzet uit de boeken werd gehouden, is daarvoor in ieder geval niet voldoende.

2.29.

In haar akte van 28 maart 2018 stelt Charcon dat de overweging in het tussenvonnis dat haar beroep op partiële ontbinding afstuit op de uitsluiting van de bevoegdheid tot ontbinding in de Koopovereenkomst onjuist is. Of dat het geval is, kan in het midden blijven, nu de rechtbank in het tussenvonnis is ingegaan op de door Charcon genoemde ‘lijken in de kast’, en dat slechts leidde tot de conclusie dat [eiser sub 1] het onderzoek door SZW had moeten noemen, daarmee een garantie heeft geschonden en de daardoor geleden schade moet vergoeden, en een ten onrechte bij Meyhold in rekening gebracht bedrag moet vergoeden. Een geslaagd beroep op partiële ontbinding zou een korting op de koopsom opleveren van niet meer dan het bedrag dat Charcon in reconventie wordt toegewezen, en zou Charcon niet in een andere positie brengen.

2.30.

In haar conclusie na enquête beroept Charcon zich ook op bedrog. Nog daargelaten dat de rechtbank in het tussenvonnis heeft overwogen dat vernietiging van de Koopovereenkomst door partijen is uitgesloten (rov. 4.12) en Charcon daar niet tegen opkomt, berust ook dit beroep op de stelling dat [eiser sub 1] opzettelijk onjuiste mededelingen heeft gedaan bij het aangaan van de Koopovereenkomst. Die stelling is in het tussenvonnis al afgedaan, zonder dat Charcon iets nieuws naar voren brengt, zodat ook dit verweer faalt.

Contante betaling € 200.000

2.31.

De rechtbank heeft Charcon in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat zij bij de levering € 200.000 contant aan [eiser sub 1] heeft voldaan (rov. 4.11). Charcon heeft dat gesteld en daaraan de conclusie verbonden dat dit bedrag in mindering moet worden gebracht op het te betalen restant van de koopsom. [eisers] betwisten dat deze contante betaling heeft plaatsgevonden, vandaar de bewijsopdracht.

Uit de getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] blijkt dat – los van de vraag of de gestelde contante betaling wel of niet heeft plaatsgevonden – de conclusie die Charcon daaraan verbindt niet klopt. Uit de getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] volgt dat de afspraak tussen partijen steeds is geweest dat het bij levering van de aandelen te betalen deel van de koopsom € 750.000 zou bedragen, dat [eiser sub 1] kort voor de levering heeft verzocht € 200.000 daarvan op de dag van de overdracht kort voor het bezoek aan de notaris contant te betalen, en dus slechts € 550.000 van de koopsom via de kwaliteitsrekening van de notaris te laten lopen, en dat [gedaagde sub 2] daarin is meegegaan. De betaling van de € 200.000 contant was dus volgens [gedaagde sub 2] zelf bedoeld als een gedeeltelijke betaling van het deel van de koopsom dat bij levering van de aandelen moest worden voldaan. Het bedrag was dus niet – zoals Charcon en [gedaagde sub 2] in deze procedure stellen – bedoeld om in mindering te worden gebracht op het restant van de koopsom (te betalen in twee termijnen, de eerste uiterlijk 1 maart 2017 en de tweede uiterlijk 1 maart 2018). Ook als de rechtbank zou vaststellen dat de contante betaling zou hebben plaatsgevonden, heeft dat dus geen gevolgen voor de uitkomst van de zaak. De rechtbank laat daarom in het midden of het bewijs wel of niet is geleverd.

Conclusie vordering [eiser sub 1] op Charcon voor betaling restant koopsom aandelen

2.32.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering tegen Charcon tot betaling van het restant van de koopsom in zijn geheel moet worden toegewezen. De rechtbank heeft in het tussenvonnis overwogen dat Charcon op haar beurt een vordering heeft op [eiser sub 1] (rov. 4.24), maar die speelt in conventie geen rol. Charcon heeft in conventie betoogd dat haar betalingsverplichting tot € 1 moet worden teruggebracht, maar zij heeft daartoe geen beroep gedaan op verrekening met haar vordering tot schadevergoeding. Die vordering is wel ingesteld in reconventie, en zal daar worden toegewezen (zie hierna 2.34).

2.33.

De door [eisers] over het restant van de koopsom gevorderde contractuele rente zal worden toegewezen, nu Charcon daar geen verweer tegen heeft gevoerd. Charcon heeft ook geen verweer gevoerd tegen de stelling van [eiser sub 1] dat het resterende deel van de koopsom per 1 april 2016 ineens opeisbaar is geworden, zodat de rente vanaf die datum zal worden toegewezen.

Tegenvorderingen Charcon

2.34.

In het tussenvonnis is overwogen dat sprake is van een garantieschending (rov. 4.22) en het ten onrechte belasten van Meyhold met kosten van [eiser sub 1] (rov. 4.23), zodat Charcon een vordering op [eiser sub 1] heeft van € 79.084,70 (rov. 4.24). Dat bedrag wordt in reconventie toegewezen, met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 april 2016. Uit wat in het tussenvonnis is overwogen, volgde al dat de vorderingen in reconventie verder zullen worden afgewezen.

Vordering [eiser sub 1] op Charcon met betrekking tot Funding Circle

2.35.

[eiser sub 1] heeft verzocht gedaagden te veroordelen hem het bedrag te betalen waarvoor hij door Funding Circle onder de door hem verleende borgstelling wordt aangesproken. De rechtbank heeft in het tussenvonnis (rov. 4.9) vastgesteld dat Charcon – de andere gedaagden gaat deze vordering niet aan – er niet voor heeft gezorgd dat Meyhold de lening van Funding Circle heeft afgelost, en dat zij daarmee in beginsel jegens [eiser sub 1] tekort is geschoten onder de Eerste Wijzigingsovereenkomst en schadeplichtig is. Als in het kader van de tegenbewijslevering zou komen vast te staan dat het faillissement van Meyhold hoe dan ook onafwendbaar was, zou Charcon evenwel geen verwijt kunnen worden gemaakt van het niet aflossen van de lening, en zal de vordering moeten worden afgewezen. Gelet op de conclusie die de rechtbank hierboven onder 2.13 trekt, gegeven de erkenning door [eisers] dat het faillissement onafwendbaar was, is de rechtbank van oordeel dat Charcon geen verwijt valt te maken van het niet aflossen van de lening. Dit deel van de vordering zal dus worden afgewezen. Of, zoals Charcon betoogt, de overweging in het tussenvonnis op een juridische en feitelijke misslag berust, kan in het midden blijven.

Ten slotte: buitengerechtelijke kosten, proceskosten, beslagkosten

2.36.

[eisers] hebben gevorderd dat gedaagden worden veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW, zonder een bedrag te noemen. Charcon, de enige partij van wie [eiser sub 1] naar het oordeel van de rechtbank iets te vorderen heeft, betwist dat [eiser sub 1] daadwerkelijk kosten heeft gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte, waar [eiser sub 1] niets tegenover stelt. De rechtbank zal deze ongespecificeerde vordering daarom afwijzen.

2.37.

In conventie wordt een van de door [eisers] jegens Charcon ingestelde vorderingen (betaling van het restant van de koopsom) toegewezen. Het gaat om een substantieel bedrag. Normaliter zou Charcon dan in de proceskosten van [eiser sub 1] worden veroordeeld, maar aangezien:

  • -

    de overige, ook substantiële, vorderingen van [eisers] jegens Charcon worden afgewezen,

  • -

    de vorderingen jegens [gedaagde sub 2] geheel worden afgewezen, terwijl Charcon en [gedaagde sub 2] gezamenlijk verweer hebben gevoerd en

  • -

    een belangrijk deel van het processuele debat juist betrekking heeft gehad op het afgewezen deel van de vorderingen en de vorderingen jegens [gedaagde sub 2] ,

ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten in conventie tussen enerzijds [eisers] en anderzijds Charcon en [gedaagde sub 2] te compenseren.

2.38.

Dat geldt niet voor de ook door [eisers] gevorderde beslagkosten. Nu Charcon het restant van de koopsom heeft te voldoen, hebben [eisers] naar het oordeel van de rechtbank terecht beslag gelegd. Charcon wordt veroordeeld in de beslagkosten van [eisers] , begroot op de in de akte wijziging van eis [eisers] gevorderde

(€ 607,26 + € 88,18 + € 247,17 =) € 942,61 aan verschotten, plus € 2.402 aan salaris advocaat (1 punt x tarief € 2.402), maakt samen € 3.344,61. De rechtbank is bij de bepaling van het tarief uitgegaan van het toegewezen, en niet van het (hogere) gevorderde bedrag.

2.39.

De vorderingen van [eisers] jegens [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] worden afgewezen. [eisers] zullen dus in de kosten van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] worden veroordeeld, tot nu toe begroot op € 1.545 aan griffierecht en € 15.495 (5 punten x tarief € 3.099) aan salaris advocaat.

2.40.

De proceskosten in reconventie worden gecompenseerd, nu wel een veroordeling volgt, maar die slechts een klein deel van de vordering betreft.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt Charcon aan [eiser sub 1] te betalen een bedrag van € 344.957, te vermeerderen met 3% contractuele rente op jaarbasis vanaf 1 april 2016 tot aan de voldoening,

3.2.

veroordeelt Charcon in de beslagkosten van [eiser sub 1] , begroot op € 3.344,61,

3.3.

compenseert de proceskosten tussen [eisers] enerzijds en Charcon en [gedaagde sub 2] anderzijds,

3.4.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , tot op heden begroot op € 17.040,-,
3.5. veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de bewindvoerder niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.6.

verklaart de veroordelingen in 3.1, 3.2, 3.4 en 3.5 uitvoerbaar bij voorraad,

3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.8.

veroordeelt [eiser sub 1] aan Charcon te betalen een bedrag van € 79.084,70, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 1 april 2016 tot aan de voldoening,

3.9.

compenseert de proceskosten tussen Charcon enerzijds en [eiser sub 1] anderzijds,

3.10.

verklaart de veroordeling onder 3.8 uitvoerbaar bij voorraad,

3.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2020.