Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2889

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
AMS 20/2563 en AMS 19/5004
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De gemeente Amsterdam mocht een vergunning verlenen voor het uitvoeren van funderingsherstel en het intern verbouwen van één kantoor en vijftien woningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 20/2563 en AMS 19/5004

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juni 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster sub 1] en [verzoeker sub 2] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. J.H.A. van der Grinten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. H. de Groot).

Als vergunninghouder heeft aan het geding deelgenomen: Executive Property Invest 1 B.V., te Amsterdam

(gemachtigde: mr. M. Bodelier).

Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het intern verbouwen en uitvoeren van funderingsherstel op de locaties [adres] ten behoeve van een kantoor en vijftien woningen.

Bij besluit van 15 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2020. Verzoekster [verzoekster sub 1] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en mr. T. van Zon, advocaat-stagiaire. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Namens vergunninghouder is verschenen [naam] , hij werd bijgestaan bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. J. Herfkens, advocaat-stagiaire.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.1.

Sinds 1982 huren verzoekers de woning aan de [adres] . Op 31 januari 2018 heeft vergunninghouder een aanvraag gedaan om een omgevingsvergunning ten behoeve van de panden [pand 1] , [pand 2] en [pand 3] . Bij projectomschrijving heeft vergunninghouder vermeld: nieuwe indeling van de appartementen, renovatie, verduurzamen en funderingsherstel. Bij het primaire besluit heeft verweerder na diverse aanpassingen van het oorspronkelijke plan, de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Verweerder is daarbij uitgegaan van het akkoord van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). Hiermee heeft verweerder funderingsherstel voor alle drie de panden vergund. De vergunning om de panden te voorzien van een nieuwe indeling van de appartementen ziet op de panden [pand 1] en [pand 2] . Het pand [pand 3] is namelijk aangewezen als gemeentelijk monument en vergunninghouder heeft besloten de overige voorgenomen ingrepen te laten vervallen.

2.2.

Onder meer verzoekers en prof. dr. ir. R.A.F. Smook hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Monumenten & Archeologie (M&A) van de gemeente Amsterdam heeft naar aanleiding van het schrijven van prof. dr. ir. R.A.F. Smook een notitie gemaakt die ziet op de verbouwingplannen van de panden [pand 1] en [pand 2] . M&A heeft hierin geconstateerd dat deze panden geen monumentenstatus hebben, in tegenstelling tot het pand met nummer [pand 3] . Omdat ook de nummers [pand 1] en [pand 2] ensemblewaarde hebben, is het in die zin inconsequent dat die panden niet op de monumentenlijst zijn geplaatst, aldus M&A. Verder concludeert M&A dat [pand 1] van architectuurhistorisch belang is vanwege de voorgevel en wat de interieurs betreft vooral vanwege de ingrepen van architect Jan van der Linden.

2.3.

Met het bestreden besluit heeft verweerder conform het primaire besluit besloten. Verweerder heeft het advies van de ambtelijke bezwaarcommissie van 15 juli 2019 overgenomen en aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

2.4.

Op 1 mei 2020 is vergunninghouder gestart met de werkzaamheden. Daarom hebben verzoekers om een voorlopige voorziening gevraagd.

Spoedeisend belang

3.1.

Verzoekers zien zich geconfronteerd met ernstige overlast als gevolg van de bouwwerkzaamheden. Zo is hun deur al een keer dichtgetimmerd en de deurknop verwijderd. Het water is zonder voorafgaande waarschuwing afgesloten en er is een gat geslagen in de muur van hun eerste verdieping. Ook vrezen zij dat als gevolg van de aanwezigheid van bouwvakkers in het pand het risico op een coronabesmetting wordt vergroot. Verzoekers behoren vanwege hun leeftijd tot de kwetsbare groep en moeten conform de RIVM richtlijnen thuis blijven. Verzoekers voelen zich onder druk gezet door vergunninghouder om hun woning op te geven zonder dat daar ook maar enigszins adequate vervanging tegenover staat. Een tijdelijke verhuizing gedurende de bouwperiode gevolgd door terugkeer naar hun woning is niet aan de orde. Bij het volledig opgeven van hun woning wordt die gesloopt.

3.2.

Vergunninghouder betwist dat verzoekers een spoedeisend belang hebben. Vergunninghouder heeft gesteld al enige tijd in gesprek te zijn met verzoekers over een tijdelijke of definitieve verhuizing van verzoekers naar een van de andere panden van vergunninghouder. Vergunninghouder heeft tweemaal alternatieve woonruimte aangeboden. Hier zouden zij voor dezelfde huurprijs tijdelijk of permanent kunnen wonen. Daarnaast geven de zorgen over de corona-uitbraak geen valide reden om de vergunning te schorsen. Het appartement van verzoekers wordt niet verbouwd. Zij kunnen zich dus aan de RIVM richtlijnen houden. Anders dan verzoekers stellen houden zij zich niet aan de richtlijnen. Zij hebben de afgelopen weken meermaals in hun bungalow in [plaats] verbleven. Verzoekers hebben niet uiteengezet in welk opzicht de overlast van belang is bij de beoordeling van het verzoek. Vergunninghouder heeft er daarentegen belang bij dat de werkzaamheden spoedig kunnen worden voortgezet. Zo moet de fundering worden aangepakt om de verzakking te stoppen en schade te voorkomen.

3.3.

Anders dan vergunninghouder stelt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de beoordeling van hun verzoek om voorlopige voorziening. Doordat vergunninghouder gebruik maakt van de vergunning en is gestart met de bouwwerkzaamheden, ondervinden verzoekers overlast in het door hen gehuurde appartement. Dat vergunninghouder stelt dat verzoekers daar niet voortdurend verblijven, maar in hun recreatiewoning in [plaats] , doet daar niet aan af. Verzoekers huren namelijk het appartement [adres] en worden door de overlast als gevolg van de bouwwerkzaamheden - waarvan zij de rechtmatigheid betwisten - in hun woongenot geraakt.

3.4.

Daarbij doet het standpunt van vergunninghouder dat hij aan verzoekers tweemaal alternatieve woonruimte heeft aangeboden niet ter zake bij de vraag of er sprake is van een spoedeisend belang. Of verzoekers dit aanbod al dan niet - hadden - moeten accepteren is een civielrechtelijke kwestie. Daarnaast hoort de vraag of de huurovereenkomst een evident privaatrechtelijke belemmering is - voor zover daar ruimte voor is - thuis in de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit.

Standpunt verzoekers

4. Verzoekers betogen dat de panden [pand 1] , [pand 2] en [pand 3] alledrie orde 1 panden zijn. Daarvoor geldt de hoogste bescherming. Of CRK dit bouwplan al dan niet ruimtelijk aanvaardbaar acht, is niet relevant. CRK heeft geconcludeerd dat voor de nummers [pand 1] en [pand 2] niet hetzelfde toetsingskader geldt als voor nummer [pand 3] , dat wel de status heeft van gemeentelijk monument. Dat [pand 1] en [pand 2] niet zijn aangewezen als gemeentelijk dan wel rijksmonument doet niet af aan de bescherming die zij als orde 1 pand hebben. Het bouwplan staat haaks op het uitgangspunt voor orde 1 panden en dat is blijkens de welstandnota behoud/restauratie. Omdat het originele bouwplan de monumentale structuur van [pand 3] zou aantasten heeft CRK daar negatief over geadviseerd. De werkzaamheden aan nummer [pand 3] zijn daarom beperkt tot de fundering. Het beoogde bouwplan heeft voor [pand 1] en [pand 2] dezelfde vernietigende gevolgen voor het interieur. Verzoekers wijzen naar het rapport van prof. ir. R.A.F. Smook van 11 februari 2019. Onbegrijpelijk is dat CRK diens bevindingen over het interieur onderschrijft, maar niet de juiste conclusie trekt, namelijk dat het bouwplan niet te rijmen valt met het centrale uitgangspunt van de welstandnota over orde 1 panden. Verzoekers voeren ook aan dat de omgevingsvergunning geweigerd had moeten worden vanwege een evidente privaatrechtelijke belemmering, te weten de huurrelatie tussen verzoekers en vergunninghouder.

Beoordeling

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de panden aan de [pand 1] - [pand 3] (het project) vallen onder het bestemmingsplan Zuidelijke Binnenstad1 en dat het project is gesitueerd op gronden met de bestemming “Gemengd 1” en de dubbelbestemming “Waarde Archeologie 10” en “Waarde Cultuurhistorie met de specifieke bouwaanduiding - orde 1”. In de toelichting bij het bestemmingsplan staat dat deze specifieke bouwaanduiding de architectonische waardering aangeeft binnen de dubbelbestemming “Waarde-cultuurhistorie”.

5.2.

Over de dubbelbestemming staat in artikel 36.2 van de bouwregels bij het bestemmingsplan het volgende:

a. Bouwwerken, die op de verbeelding zijn aangeduid met 'Specifieke bouwaanduiding - orde 1', zijn de rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. Zij worden beschermd door de Monumentenwet 1988, respectievelijk de Erfgoedverordening Stadsdeel Centrum. Een aanvullende bescherming vanuit oogpunt van beschermd stadsgezicht is niet noodzakelijk.

5.3.

Zoals verweerder heeft toegelicht zijn de panden [pand 1] en [pand 2] om onbekende reden nooit aangewezen als gemeentelijk of rijksmonument. Dit is niet in geschil. Op 26 mei 2020 heeft de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad een aanvraag gedaan om de panden [pand 1] en [pand 2] aan te wijzen als gemeentelijk monument. Deze aanvraag dateert van na de besluitvorming door verweerder en kan dus geen rol spelen in de onderhavige procedure. Een aanwijzing als monument is noodzakelijk om de Monumentenwet 1988, respectievelijk de Erfgoedverordening Stadsdeel Centrum van toepassing te achten. Omdat dat niet het geval is, vallen de panden [pand 1] en [pand 2] niet onder de bescherming van die regels. Ook overigens staan in artikel 36.2 van de bouwregels geen regels die extra bescherming bieden aan deze panden.

5.4.

Dit laat onverlet dat de aanvraag wel getoetst moet worden aan de welstandsnota “De schoonheid van Amsterdam 2016”. Dat heeft CRK gedaan. Na aanpassingen heeft CRK het bouwplan akkoord bevonden. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2782).

5.5.

Verzoekers hebben gewezen op het schrijven van prof. dr. ir. R.A.F. Smook. Daargelaten of hij dit schrijven heeft opgesteld in de hoedanigheid als onafhankelijk deskundige of bezwaarmaker, gaat hij niet in op de vraag in hoeverre het advies van CRK en het bouwplan voor wat betreft het exterieur in strijd is met de criteria van de welstandnota. Zijn opmerkingen over het interieur van [pand 1] kunnen aan de beoordeling van deze aanvraag niet afdoen, omdat een welstandsbeoordeling slechts ziet op het uiterlijk van een bouwwerk.

5.6.

Kortom, de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Dat CRK het interieur van de woning van verzoekers niet heeft bezichtigd, maakt niet dat er aanknopingspunten zijn om te concluderen dat het advies niet met de nodige zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Verder is niet gebleken dat verweerder het advies van de CRK niet mocht volgen en in dat verband concluderen dat het bouwplan geen strijd met de redelijke eisen van welstand oplevert als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

5.7.

In hun aanvullende gronden hebben verzoekers er ook op gewezen dat het bouwplan niet voldoet aan de planregels van de bestemming “Gemengd-1”. De woning van verzoekers beschikt namelijk over een eigen ontsluiting die bij de uitvoering van het bouwplan niet wordt gehandhaafd.

5.8.

De voorzieningenrechter begrijpt uit de toelichting van verzoekers ter zitting dat zij doelen op artikel 8.2.12 van de planregels bij het bestemmingsplan. Daarin staat het volgende:

“In geval van verbouwing, restauratie, verbetering en/of verandering van gebouwen dienen de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan aanwezige, al dan niet zelfstandige, ontsluitingen naar de tweede en hogere bouwlagen te worden gehandhaafd.”

5.9.

Ook dit kan verzoekers niet baten. Zoals verweerder heeft toegelicht, blijft de ontsluiting van de verdieping van verzoekers gehandhaafd. De planregels vereisen niet dat deze ontsluiting slechts beschikbaar voor het appartement van verzoekers dient te blijven, zodat niet is gebleken dat het bouwplan op dat punt in strijd komt met het bepaalde in artikel 8.2.12 van de planregels. Overigens biedt het bestemmingsplan ruimte om af te wijken van artikel 8.2.12 van de planregels zolang de tweede en hogere bouwlagen van het desbetreffende gebouw in voldoende mate bereikbaar blijven.

5.10.

Kortom, niet is gebleken dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12 van de Wabo.

5.11.

Omdat het bestemmingsplan het bouwplan toelaat, heeft verweerder geen ruimte om een belangenafweging te maken. Daarom komt de voorzieningenrechter niet toe aan de beantwoording van de vraag of er sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering. Feitelijke en privaatrechtelijke omstandigheden, die een mogelijke belemmering kunnen vormen voor het feitelijk gebruik maken van een vergunning, kunnen namelijk pas relevant zijn als verweerder een belangenafweging moet maken.

6. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, zal het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Te raadplegen op www.ruimtelijkeplannen.nl.