Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2865

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
13/178722-19 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 35-jarige man krijgt 120 uur taakstraf en een rijontzegging van 6 maanden opgelegd omdat hij op 17 januari 2019 op de Admiraal de Ruijterweg een destijds 9-jarig meisje aanreed op het zebrapad, welk ongeval aan zijn schuld is te wijten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/178722-19 (Promis)

Datum uitspraak: 10 juni 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ,

[woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 mei 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.M. van den Berg en van wat verdachte en zijn raadsman mr. K.J. Zeegers naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is –kort gezegd– ten laste gelegd dat hij zich op 17 januari 2019 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeluk waardoor aan [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht, dan wel aan het veroorzaken van gevaar op de weg, waarbij verdachte twee verkeersborden heeft genegeerd, waarna hij tegen [slachtoffer] is aangereden.

Daarnaast is aan verdachte ten laste gelegd dat hij de plaats van genoemd ongeval heeft verlaten.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 17 januari 2019, omstreeks 08:31 uur, heeft op de voetgangersoversteekplaats op de Admiraal de Ruijterweg, net voorbij de kruising van de Admiraal de Ruijterweg met de Jan van Galenstraat te Amsterdam, een verkeersongeval plaatsgevonden. Verdachte is, rijdend op de Admiraal de Ruijterweg en gaande in de richting van de Jan Evertsenstraat, rechtdoor de kruising met de Jan van Galenstraat over gereden, gaande in de richting van de lijnbusbaan. Aan de overzijde van het kruispunt, op de lijnbusbaan, heeft hij op de voetgangersoversteek-plaats een kind aangereden, dat op dat moment (vanuit verdachte bezien: van rechts naar links) bij voor haar groen licht het zebrapad wilde oversteken. Het slachtoffer heeft door de aanrijding een gebroken been en schouder opgelopen. Verdachte is in eerste instantie een aantal meter verderop gestopt en uitgestapt, maar heeft kort nadien zijn weg vervolgd. Zijn auto werd enkele uren later aangetroffen in de nabijgelegen Joos de Moorstraat.

De rechtbank dient in de eerste plaats te beoordelen of dit verkeersongeval, met als gevolg lichamelijk letsel voor het slachtoffer [slachtoffer] , aan de schuld -in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW)- van verdachte te wijten is.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde bewezen. Verdachte bekent dat hij de kruising over is gereden en zijn weg rechtdoor heeft vervolgd op de lijnbusbaan, dat hij daar op het zebrapad het meisje heeft aangereden en dat hij, na een korte stop, is doorgereden. Hij beschikte niet over een ontheffing voor de lijnbusbaan. Zijn verklaring dat hij, rijdende in een auto met blauw kenteken, dacht dat hij daartoe gerechtigd was, is ongeloofwaardig. Voor het verkrijgen van een ontheffing is een examen nodig omdat op een tram- en lijnbusbaan andere verkeersregels gelden. De verklaring van verdachte ter zitting dat hij linksaf de Jan van Galenstraat in wilde slaan, maar door filevorming op het laatste moment besloot rechtdoor de lijnbuslaan op te rijden, is niet van belang.

Getuigen, voetgangers en fietsers verklaren allen dat zij groen licht hadden. Het is niet objectief vast te stellen of verdachte groen licht had. Mogelijk straalden de verkeerslichten voor het reguliere verkeer, dat slechts links- of rechtsaf mocht slaan de Jan Van Galenstraat in, groen licht uit, omdat deze niet conflicterend zijn met de lichten van de oversteekplaats waar de aanrijding plaatsvond. Andere aan verdachte te wijten omstandigheden kunnen niet worden vastgesteld.

Niettemin heeft verdachte schuld aan het ongeval. Verdachte is een straat ingereden waar hij niet in mocht rijden en waar personen bij groen licht wilden oversteken. Hij heeft onvoldoende gekeken of de oversteekplaats voor fietsers en voetgangers vrij was van verkeer, heeft eerst een fietser licht geraakt en vervolgens een 9-jarig meisje. Zij hield daar zwaar lichamelijk letsel aan over en moet langdurig herstellen. Verdachte is beroepschauffeur, wat meebrengt dat hij zich extra bewust moet zijn van alle verkeersregels. Niettemin heeft hij niet gekeken toen hij met snelheid de oversteekplaats naderde, anders had hij een volle oversteekplaats gezien. Het geheel van gedragingen maakt dat sprake is van een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval, in de zin van aanmerkelijke onvoorzichtigheid.

De officier van justitie acht eveneens bewezen dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten, zoals onder feit 2 is ten laste gelegd, en rekent hem dit ook aan. Het is begrijpelijk dat verdachte is geschrokken van de hoeveelheid omstanders en de dreigende woorden die één van hen uitte. Niettemin was het verdachte niet toegestaan het slachtoffer in hulpeloze toestand achter te laten en zonder het bekend maken van zijn identiteit de plaats van het ongeval te verlaten. Er is geen sprake van psychische overmacht. Verdachte had 100 meter verder kunnen stoppen en 112 kunnen bellen met de mededeling dat hij was weggegaan omdat hij zich niet veilig voelde. In plaats daarvan heeft verdachte zijn auto enkele straten verder geparkeerd, de schade aan zijn bumper afgeplakt en is op bed gaan liggen in de woning van zijn ouders.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat verdachte zowel moet worden vrijgesproken van het overtreden van artikel 6 WVW (primair) als van artikel 5 WVW (subsidiair).

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde artikel 6 WVW, stelt de raadsman -samengevat en nader uiteengezet in zijn pleitnota- dat de tenlastelegging een drietal verwijten bevat. Het zonder ontheffing rijden op een trambaan, het bij het oversteken van de kruising niet goed opletten op kruisend verkeer en het geen voorrang verlenen aan een voetganger op de oversteekplaats, waarna een aanrijding volgde. Deze drie omstandigheden kunnen niet op zichzelf en ook niet in samenhang bezien, leiden tot de conclusie dat verdachte zeer, of aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Er zouden twee verkeersregels zijn overtreden.

Het niet beschikken over de vereiste ontheffing is een overtreding van administratieve aard en juridisch gezien niet relevant voor het verwijt van artikel 6 WVW. Verdachte meende dat het stuk trambaan open stond voor alle taxi’s (met blauwe nummerborden), temeer nu er geen reguliere rijbaan voor recht doorgaand verkeer aanwezig was. Belangrijker is dat deze overtreding niet in oorzakelijk verband staat tot het ongeval.

Resteert dat verdachte onoplettendheid wordt verweten en het geen voorrang verlenen aan een voetganger op een zebrapad. Verdachte reed met normale snelheid en door oranje licht de kruising over, zodat hij mocht aannemen dat hij tijd en ruimte zou hebben om zonder kruisend verkeer de overkant van het kruispunt te bereiken. Verdachte heeft het meisje, dat net het zebrapad op stapte, in het geheel niet gezien en niet is vastgesteld dat hij haar had kunnen zien, gezien haar beperkte lengte. Daarom kan hem niet worden verweten dat hij haar geen voorrang heeft verleend. Zelfs indien hem dit verwijt wel kan worden gemaakt, dan is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad een enkel moment van onoplettendheid of onvoorzichtigheid onvoldoende om schuld in de zin van artikel 6 WVW aan te nemen. Er zijn geen verzwarende omstandigheden die dat anders maken.

Voorgaande uiteenzetting is ook redengevend ten aanzien van artikel 5 WVW. De ten laste gelegde materiële gedragingen zijn -op zich zelf gezien en bij elkaar genomen- niet evident gevaarzettend of hinderend.

Ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 2 (artikel 7 WVW, eerste lid sub a en b), omdat hem niet kan worden verweten dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten. Hij is gestopt en naar het slachtoffer gelopen. Hij zag dat zij leefde, dat er mensen bij haar waren en vroeg of de hulpdiensten waren gebeld, wat het geval was. Omdat een omstander herhaaldelijk dreigend “Ik maak je dood” schreeuwde en verdachte in shock was, is hij teruggelopen naar zijn auto en weggereden. Het wegrijden was een stressreactie; verdachte wilde niet bewust strafvervolging ontlopen. Zijn auto was voor iedereen waarneembaar en ook was het kenteken gekoppeld aan zijn Uber-account, zodat hij gemakkelijk traceerbaar was. Ten aanzien van sub c stelt de raadsman dat verdachte het slachtoffer niet in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten, zodat hij van dat onderdeel moet worden vrijgesproken.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 primair

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, zoals primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.

Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en onoplettendheid (bijv. ECLI:NL:HR:2008:BD0544).

De rechtbank is net als de officier van justitie van oordeel dat verdachte schuld heeft gehad aan het ongeval gezien de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven, en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.1

Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij op 17 januari 2019 als bestuurder van een personenauto heeft gereden over de Admiraal de Ruijterweg, komende uit de richting van de Rijpstraat, en gaande in de richting van de Jan Evertsenstraat. Verdachte was taxichauffeur, in dienst van Uber, en reed in een auto met blauwe kentekenplaten, maar was ten tijde van de aanrijding niet in dienst. Verdachte is zeer bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Verdachte heeft verklaard dat het op dat tijdstip van de dag daar altijd druk is met fietsers en voetgangers in verband met de scholen in de buurt.

Bij de kruising van de Admiraal de Ruijterweg met de Jan van Galenstraat is verdachte het kruispunt overgestoken, en is –zonder in het bezit te zijn van een ontheffing– het voor het openbaar verkeer gesloten gedeelte van de Admiraal de Ruijterweg ingereden. Hij maakte een lus, omdat hij in eerste instantie linksaf had willen slaan, maar op het laatste moment besloot om rechtdoor te rijden. Volgens verdachte is dit gedeelte van de Admiraal de Ruijterweg ‘een klein stukje lijnbusbaan’ waar je eigenlijk niet in mag rijden.

Hij is vervolgens de op Admiraal de Ruijterweg gelegen voetgangersoversteekplaats genaderd. Hij reed niet harder dan 50 km/u. Ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats hoorde hij een klap. Op dat moment is verdachte in botsing gekomen met, naar later bleek,

[slachtoffer] . Verdachte heeft verklaard dat hij het meisje voorafgaand aan de aanrijding op geen enkel moment heeft gezien en dat hij mogelijk niet goed heeft gekeken.2

Er zijn meerdere getuigen van de aanrijding. Getuige [getuige 1] zag dat een Toyota-taxi over de Admiraal de Ruijterweg met hoge snelheid kwam aanrijden uit de richting van de Rijpstraat, waarna zij een klap hoorde en geschreeuw en zag dat er een kindje op de weg lag3. Getuige [getuige 2] zag een jong meisje op de voorbumper liggen van de auto en meegenomen worden met het voertuig, waarna het meisje van de voorbumper af viel. Blijkens diverse getuigenverklaringen had het slachtoffer, toen zij overstak, groen licht4. Getuige [getuige 3] stond met haar kinderen naast het slachtoffer te wachten om over te steken.

Op het moment dat zij groen licht kreeg, kwam een taxi van links aanrijden. Deze reed
eerst tegen een fietser aan die ook net wilde oversteken. Hierop trok zij haar kinderen naar achteren om te voorkomen dat zij geraakt zouden worden door de auto. Zij zag dat een meisje dat rechts van haar stond wel geschept werd door de auto en een eind verderop op de grond terecht kwam5. De betreffende fietser, getuige [getuige 4] , zag dat de auto hem met normale snelheid naderde, hem raakte en vervolgens op het zebrapad het meisje aanreed, waarna zij ongeveer twaalf meter werd meegesleurd6.

Uit de Verkeersongevallenanalyse7 van de politie blijkt onder meer het volgende. De Admiraal de Ruijterweg was vanaf het kruispunt met de Jan van Galenstraat gesloten voor het openbare verkeer, uitgezonderd lijnbussen, trams en fietsers. Een en ander werd vanaf de rijrichting van verdachte aangegeven door middel van bord volgens Model D7 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990. Op de weg was witte belijning geschilderd in de vorm van bord Model D7. Aan het begin van de Admiraal de Ruijterweg stond aan de rechterzijde van de weg een gesloten verklaring door middel van bord volgens model C2 van Bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Behalve lijnbussen stond op dit onderbord ook ‘taxi’ vermeld (de rechtbank begrijpt dat dit het bord betrof aan de overzijde van de kruising).

De op het kruispunt aanwezige verkeerslichten waren in werking en vertoonden geen defecten. De auto van verdachte vertoonde geen defecten en remde en stuurde blijkens een proef zoals onder de omstandigheden van de auto mocht worden verwacht.

Het slachtoffer, [slachtoffer] heeft, zo blijkt uit diverse medische stukken, een gebroken rechter(scheen)been en een gebroken schouder opgelopen (AMC: fractuur van tibia en subcapitale fractuur van humerus). In de schouder zijn pennen geplaatst en het been is gegipst. In de maanden na het ongeval -in ieder geval tot april 2019- heeft het slachtoffer tweewekelijks fysiotherapie en maandelijks afspraken bij de Poli Kinderchirurgie gehad 8.

De rechtbank overweegt voorts als volgt

Het staat vast dat verdachte heeft verzuimd voorrang te verlenen aan een voetganger, die groen licht had gekregen en bezig was een zebrapad over te steken, strafbaar gesteld bij artikel 49, tweede lid RVV 1990. Dit is een ernstige verkeersfout. Het naderen en passeren van een zebrapad vereist van automobilisten uiterste alertheid. Verdachte was ter plaatse zeer bekend en kende het zebrapad en de gebruikelijke ochtenddrukte met veel fietsers en voetgangers vlak voor de aanvang van de scholen, maar heeft verklaard dat hij een moment niet heeft opgelet.

Volgens de geldende rechtspraak is één moment van onoplettendheid in de regel onvoldoende voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar kan daar onder omstandigheden anders over worden geoordeeld. (vgl: ECLI:NL:HR:2004:AO5822)

Op grond van het na te noemen geheel van gedragingen van verdachte en de specifieke omstandigheden van het geval, is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijke schuld heeft gehad aan het ongeval en dat hem dit ook kan worden aangerekend.

Meer in het bijzonder stelt de rechtbank dan ook het volgende vast.

Verdachte is allereerst het kruispunt –tegen de verkeersvoorschriften ter plaatse in– rechtdoor overgestoken. Rechtdoor rijden was hem echter niet toegestaan; ter plaatse geldt alleen een uitzondering voor lijnbussen en fietsers om rechtdoor te mogen rijden.

Het feit dat verdachte eerst linksaf wilde slaan de Jan van Galenstraat in, maar zich bedacht omdat in die richting sprake was van filevorming en daarom op het laatste moment besloot rechtdoor te rijden, is geen omstandigheid die in het voordeel van verdachte kan gelden. Het zegt de rechtbank in de eerste plaats dat verdachte zich bewust was van de drukte op het kruispunt en in de tweede plaats dat hij extra alert had moeten zijn, omdat hij plots een lus maakte om op de baan voor rechtdoor gaand verkeer uit te komen.

Vervolgens is verdachte de Admiraal de Ruijterweg ingereden, daar waar dit op dat gedeelte alleen toegestaan is voor lijnbussen en taxi’s. De rechtbank deelt het standpunt van de raadsman dat het rijden in een taxi zonder dat verdachte beschikte over de vereiste ontheffing voor die taxi op zichzelf een administratieve overtreding betreft en in deze zaak niet redengevend is voor het bewijs van ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW.

Verdachte heeft echter twee verkeersborden genegeerd en is, terwijl hij wist dat dit niet was toegestaan, de lijnbus-/trambaan opgereden. Op korte afstand voorbij het zebrapad waar de aanrijding plaats vond bevindt zich een tramhalte. Ter hoogte van een tramhalte mag slechts met een gepaste snelheid van 20 à 30 km/u worden gereden. Hoewel de rechtbank aanneemt dat verdachte de toegestane maximumsnelheid van 50 km/u niet heeft overschreden, staat vast dat hij zijn snelheid bij het naderen van het zebrapad niet heeft verminderd. Verdachte heeft verklaard dat hij snelheid maakte omdat hij door oranje reed en niet meer kon stoppen. Hij heeft, toen hij het zebrapad naderde, het slachtoffer niet gezien, niet gezien dat ze al bezig was over te steken en hij heeft haar zelfs niet gezien toen zij zich voor en tegen de rechtervoorzijde van zijn auto bevond. Pas toen verdachte de klap hoorde besefte hij, achteraf, dat hij iemand had geraakt. Dat verdachte het 9-jarige slachtoffer niet heeft gezien, kan niet aan haar (de rechtbank neemt aan: leeftijd conforme dus relatief geringere) lengte worden geweten. Hiervoor kan slechts als verklaring gelden dat verdachte niet heeft geanticipeerd op het naderen van een voetgangersoversteekplaats en ook gedurende minimaal een aantal seconden absoluut niet heeft opgelet. Dat wordt bevestigd door het gegeven dat verdachte kort voordat hij het meisje raakte eerst nog een fietser heeft geraakt zonder dat hij dat heeft gemerkt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een druk kruispunt en dat het ongeval plaatsvond in de ochtendspits, even voor half negen, op een moment dat sprake was van veel verkeer, onder meer van schoolgaande kinderen en ouders met hun (kleine) kinderen. Verdachte had hierop moeten anticiperen en zijn rijgedrag hierop moeten aanpassen.

Niet kan objectief worden vastgesteld dat verdachte door een voor hem oranje verkeerslicht reed. Indien dit echter wel het geval was, dan verontschuldigt dat het rijgedrag van verdachte niet, nu dit verkeerslicht alleen geldig was voor links- en rechts afslaand verkeer (de verplichte rijrichtingen ter plaatse). Het was ook de intentie van verdachte om linksaf te slaan, hij bedacht zich pas nádat hij het verkeerslicht was gepasseerd.

De rechtbank volgt de raadsman dan ook niet in het verweer dat verdachte geen verkeer hoefde te verwachten op het zebrapad aan de overzijde van de kruising.

De rechtbank rekent de onoplettendheid van verdachte extra aan ingevolge de zogenaamde ‘Garantenstellung’. Van verdachte mocht, als beroepschauffeur, extra oplettendheid worden verwacht op de weg.

Het letsel is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht, nu uit de medische stukken blijkt dat er sprake is van een langdurig herstel.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht feit 2 eveneens bewezen.

Uit artikel 7, tweede lid in verbinding met het eerste lid onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 volgt dat degene die bij een verkeersongeval is betrokken, de plaats van het ongeval niet mag verlaten zonder behoorlijk de gelegenheid te hebben geboden tot vaststelling van zowel de eigen identiteit als die van het bestuurde motorrijtuig en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten (eerste lid onder c).

Verdachte heeft verklaard dat hij iets hoorde en toen in zijn binnenspiegel keek en het meisje zag liggen. Hij was in eerste instantie gestopt, maar was na doodsbedreigingen aan zijn adres door een omstander en in een toestand van totale ontreddering uiteindelijk weggereden van de plaats van het ongeval. Hij had vervolgens enkele straten verderop zijn auto geparkeerd en was naar de woning van zijn ouders gelopen en daar op bed gaan liggen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging omdat dit feit hem, gezien de omstandigheden, niet kan worden verweten.

De rechtbank kan begrijpen dat verdachte zich bedreigd voelde omdat er diverse mensen bij het aangereden meisje stonden en een omstander herhaaldelijk riep “Ik maak je dood” en dat er een in zijn ogen dreigende sfeer ontstond. Door weg te rijden van de plaats ongeval om verdere escalatie met getuigen te voorkomen is nog niet meteen sprake van het ‘verlaten plaats ongeval’ als bedoeld in artikel 7 WVW. Verdachte had echter vervolgens alsnog zo snel mogelijk 112 of de politie moeten bellen om zijn identiteit bekend te maken en te melden dat hij betrokken was bij een ongeval waarbij hij iemand had aangereden. Dat heeft verdachte niet gedaan. De politie heeft daardoor onderzoek moeten doen naar de identiteit van verdachte aan de hand van getuigenverklaringen. De politie heeft contact opgenomen met de werkgever van verdachte die op zijn beurt verdachte belde met de vraag wat er was gebeurd en dat de politie hem wilde spreken. Pas daarna is verdachte naar de politie gegaan.

Dat verdachte zodanig in shock verkeerde dat hij daardoor niet in staat was de politie te bellen, kan de rechtbank moeilijk rijmen met het feit dat die shocktoestand verdachte kennelijk niet belemmerde om zijn auto vlak na het ongeval op ‘neutraal terrein’ te parkeren en de schade aan de bumper af te plakken met ducttape.

Nu verdachte zonder zijn identiteit kenbaar te maken de plaats van het ongeval heeft verlaten en vervolgens heeft verzuimd om uit eigen beweging contact te leggen met de politie om alsnog zijn identiteit kenbaar te maken, terwijl hij daar alle gelegenheid toe had, is sprake van het overtreden van artikel 7 van de WVW.

Tot slot kan ten aanzien van sub c geen vrijspraak volgen. Het feit dat verdachte zich ervan had vergewist dat de hulpdiensten waren gebeld en omstanders zich om het slachtoffer bekommerden, maakt niet dat het meisje op dat moment niet in hulpeloze toestand door verdachte werd achtergelaten. Deze opvatting is naar zijn algemeenheid onjuist (vgl: ECLI:NL:HR:2020:394). Hulpdiensten waren nog niet aanwezig en verdachte had gezien dat het meisje gewond op het wegdek lag.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in 4.4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:

op 17 januari 2019 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de Admiraal de Ruijterweg zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken schouder en gebroken rechterbeen, werd toegebracht, bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Admiraal de Ruijterweg, komende uit de richting van de Rijpstraat, en gaande in de richting van de Jan Evertsenstraat,

verdachte heeft, gekomen bij de kruising van de Admiraal de Ruijterweg met de Jan van Galenstraat, in strijd met artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en bord D7 van de bijlage RVV 1990, het kruispunt rechtdoor overgestoken,

verdachte heeft vervolgens, in strijd met artikel 62 van het RVV 1990 en bord C2 van de bijlage RVV 1990, zonder ontheffing, de voor het openbaar verkeer gesloten Admiraal de Ruijterweg betreden en/of bereden,

verdachte is vervolgens een op de Admiraal de Ruijterweg gelegen voetgangersoversteek-plaats genaderd,

verdachte heeft zich daarbij niet vergewist dat de Admiraal de Ruijterweg vrij was van enig (kruisend) verkeer,

verdachte heeft vervolgens in strijd met het gestelde in artikel 49 lid 2 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een voetganger, te weten [slachtoffer] die doende was om die voetgangersoversteekplaats over te steken, geen voorrang verleend en heeft niet afgeremd en heeft niet uitgeweken voor deze voetganger,

verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Amsterdam aan de Admiraal de Ruijterweg, op 17 januari 2019, de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel was toegebracht en een ander (te weten [slachtoffer] ) bij dat ongeval in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. De rechtbank verwijst ten aanzien van feit 2 naar de bewijsoverweging onder 4.4.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Verdachte heeft geen relevante documentatie. De afdoening van de zaak is vertraagd omdat verdachte graag een mediation-traject had gewild. Hij heeft zich ingespannen om excuses te maken en is door het ongeval zeer geraakt, waar bij de eis rekening mee is gehouden.

De gevolgen voor het meisje zijn ernstig en ook zijn haar familieleden indirect getroffen.

Het verlaten van de plaats van het ongeval kan worden beschouwd als een strafverzwarende omstandigheid, waarmee ophoging met één schaal binnen de oriëntatiepunten voor strafoplegging op zijn plaats is.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij een strafoplegging rekening te houden met de proceshouding van verdachte. Hij is open geweest en heeft veel spijt van wat er is gebeurd, wat zich ook uit in psychische klachten. Hij heeft er alles aan gedaan om zijn excuses te maken en zal dat blijven doen. Het verlaten van de plaats van het ongeval was een stressreactie. Hij is zich bewust van de gevolgen van zijn gedrag. Verdachte is ten gevolge van het ongeval zijn inkomsten als taxichauffeur kwijtgeraakt. De raadsman verzoekt de rechtbank een geheel voorwaardelijke (taak)straf op te leggen en geen ontzegging van de rijbevoegdheid, in ieder geval niet onvoorwaardelijk, omdat hij voor familieaangelegenheden en vrijwilligerswerk zijn rijbewijs niet kan missen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een ernstige verkeersovertreding begaan. Hij heeft als bestuurder van een auto bij een zebrapad verzuimd voorrang te verlenen aan een overstekende voetgangster, waardoor zij is aangereden en zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Voetgangers behoren tot de meest kwetsbare verkeersdeelnemers waarbij elk contact tussen een voetganger en een rijdende auto fatale of verstrekkende gevolgen kan hebben. Dat is ook in deze zaak gebleken. Het slachtoffer, een destijds 9-jarig meisje, heeft een gebroken been en schouder opgelopen, waarna een maandenlang revalidatietraject volgde. Het is niet bekend of zij volledig zal herstellen.

Verdachte heeft bovendien de plaats van het ongeval verlaten. Ondanks dat verdachte erg van slag was door de aanrijding en hij zijn weg vervolgde omdat hij werd bedreigd, rekent de rechtbank hem aan dat hij zich niet kort daarna alsnog zelf heeft gemeld.

Bij de keuze voor de op te leggen straf en het bepalen van de hoogte ervan heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen wat in de jurisprudentie doorgaans wordt opgelegd voor het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld. De LOVS geeft voor het begaan van dit misdrijf als oriëntatiepunt voor een straf een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegd voor de duur van zes maanden. Het verlaten van de plaats van het ongeval kan als strafverzwarende omstandigheid worden aangemerkt.

Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 april 2020. Hieruit blijkt dat verdachte nooit is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

De rechtbank houdt bovendien in positieve zin rekening met het feit dat verdachte zich heeft ingezet om het gesprek met de familie van het slachtoffer aan te gaan en zijn excuses aan te bieden. Verdachte heeft psychische klachten aan het ongeval overgehouden en de rechtbank heeft ter zitting waargenomen dat het verdachte nog steeds emotioneel zeer raakt. Het voorval heeft hem ook financieel geraakt. Er is sprake van hulpverlening in een vrijwillig kader. De rechtbank deelt dan ook de conclusie van de reclassering dat verplicht reclasseringscontact geen meerwaarde heeft. Tot slot verkeert verdachte al geruime tijd in onzekerheid over de afdoening van deze zaak.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, aanleiding bestaat bij de straftoemeting ten voordele van verdachte af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank zal daarom geen hogere schaal toepassen.

Een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de raadsman bepleit, doet geen recht aan de ernst van de feiten.

De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, beiden geheel onvoorwaardelijk, passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

De artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

2:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 (HONDERDTWINTIG) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (ZESTIG) dagen.

Ontzegt verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. M.A.E. Somsen en I. Mannen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.M.E. Leyten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juni 2020.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 27 mei 2020.

3 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] (P. 39-40).

4 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] (P.44-45).

5 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 5] (P. 94-95).

6 Proces-verbaal verhoor betrokkene [getuige 4] (P. 64, 65).

7 Proces-verbaal Onderzoek plaats ongeval (VOA) (P. 122-140).

8 Geschriften, zijnde bijlagen bij een brief d.d. 8 april 2019 van [vader slachtoffer] , vader van het slachtoffer. Onder meer inhoudende een letselverklaring, behandelaanwijzing en een verwijzing voor fysiotherapie van het AMC; alsmede e-mails en brieven met betrekking tot behandelingen. (P. 170-181)