Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2842

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
C/13/680916 / HA ZA 20-284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (Wamca). Overgangsrecht. Art. 1018c lid 2, eerste zin, Rv; sanctie. Art. 1018d lid 1 Rv; termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/680916 / HA ZA 20-284

Vonnis van 1 april 2020

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING STOP ONLINE SHAMING,

gevestigd te Amsterdam,

2. de stichting

STICHTING EXPERTISEBUREAU ONLINE KINDERMISBRUIK,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

advocaat mr. O.M.B.J. Volgenant te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.F. Dammers te Tilburg.

Partijen zullen hierna de Stichtingen en [gedaagde] genoemd worden.

1 Inleiding

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is in werking getreden de Wet van 20 maart 2019, Stb. 130, tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken (de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie, hierna: de Wamca).

1.2.

Artikel 6:119a lid 2 (nieuw) Overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek regelt, kort gezegd, het BW-overgangsrecht: “In afwijking van artikel 68a, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld op of na [datum inwerkingtreding wet] (lees: 1 januari 2020; rechtbank) de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016”.

1.3.

Artikel III onderdeel 2 van de Wamca regelt, kort gezegd, het Rv-overgangsrecht: “Artikel II van deze wet is van toepassing op gedingen die aanhangig zijn gemaakt op of na het tijdstip van het in werking treden van deze wet en die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016”.

1.4.

Merk op dat artikel III onderdeel 2 van de Wamca alleen artikel II van die wet noemt, niet artikel IIa van die wet. Artikel II van de Wamca betreft, kort gezegd, ‘KEI-zaken’, artikel IIa van die wet betreft, kort gezegd, ‘niet-KEI-zaken’. De onderhavige zaak is een ‘niet-KEI-zaak’.

2 De procedure

2.1.

De Stichtingen hebben [gedaagde] op 26 februari 2020 gedagvaard tegen 11 maart 2020.

2.2.

De dagvaarding is aangetekend in het in artikel 3:305a lid 7 Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde centraal register voor collectieve vorderingen. Daarbij staat als datum vermeld 27 februari 2020.

2.3.

Het exploot van dagvaarding is ter griffie ingekomen op 10 maart 2020.

2.4.

Ter rolle van 11 maart 2020 heeft mr. Dammers zich gesteld voor [gedaagde] (en heeft mr. Dammers gevraagd om zes weken uitstel voor antwoord).

2.5.

Bij brief van 12 maart 2020 van de griffier heeft de rechtbank de Stichtingen een bevel gegeven op de voet van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Veronderstellenderwijs uitgaande van toepasselijkheid van het vanaf 1 januari 2020 geldende recht heeft de rechtbank bij die brief voorts aandacht gevraagd voor twee processuele kwesties.

2.6.

De Stichtingen zijn in de gelegenheid gesteld zich ter rolle van 18 maart 2020 bij akte uit te laten over het hiervoor onder 2.5 vermelde. De Stichtingen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld ter rolle van 25 maart 2020 een antwoordakte te nemen. [gedaagde] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

3 De beoordeling

3.1.

In de brief van 12 maart 2020 heeft de rechtbank te kennen gegeven dat naar haar voorlopig oordeel in artikel III onderdeel 2 van de Wamca voor “Artikel II” dient te worden gelezen “Artikel II en artikel IIa”. De Stichtingen en [gedaagde] sluiten zich bij dit oordeel aan, zodat hierna van die lezing zal worden uitgegaan.

3.2.

Nu het geding aanhangig is gemaakt op 26 februari 2020 (zie artikel 125 lid 1 Rv), is de vraag of het betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor dan wel op of na 15 november 2016. Het bevel op de voet van artikel 22 Rv heeft betrekking op die kwestie. De nadere toelichting van de Stichtingen is beknopt; zij stellen slechts dat hun vorderingen niet beperkt zijn tot gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. Die stelling impliceert dat hun vorderingen ook betrekking hebben op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. Die omstandigheid staat echter niet in de weg aan de door de Stichtingen bepleite (en door [gedaagde] aanvaarde) toepasselijkheid van het vanaf 1 januari 2020 geldende recht. In dit verband is mede van belang de toelichting bij het amendement van het lid Van Gent c.s. (Kamerstukken II, vergaderjaar 2018-2019, 34 608, nr. 13, bladzijde 2): “In het theoretische geval dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel vóór als na 15 november 2016 plaatsvinden, is het recht van toepassing zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden”.

3.3.

Artikel 1018c lid 2, eerste zin, Rv schrijft op straffe van niet ontvankelijkheid voor dat in afwijking van artikel 125 lid 2 Rv het exploot van dagvaarding ter griffie wordt ingediend binnen twee dagen na de dag van dagvaarding, onder gelijktijdige aantekening van de dagvaarding in het centraal register voor collectieve vorderingen. De Stichtingen hebben dit voorschrift niet volledig in acht genomen. De van 26 februari 2020 daterende dagvaarding is kennelijk op 27 februari 2020 (dus tijdig) aangetekend in het centraal register voor collectieve vorderingen. Het exploot van dagvaarding is echter pas op 10 maart 2020 (dus te laat) ter griffie ingediend. Het is de vraag of dit laatste tot niet ontvankelijkheid moet leiden.

3.4.

Artikel 1018c lid 2 Rv is als volgt tot stand gekomen.

In het oorspronkelijke, slechts op ‘KEI-zaken’ gerichte wetsvoorstel (Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 34 608, nr. 2, p. 3) werd de indiening ter griffie logischerwijs niet als ontvankelijkheidsvereiste genoemd. Met de (indiening van de) procesinleiding is immers ook de indiening ter griffie een feit. Artikel 1018c lid 2 Rv bevatte – en bevat – voor ‘KEI-zaken’ alleen de regel dat (op straffe van niet ontvankelijkheid) binnen twee dagen na indiening van de procesinleiding daarvan aantekening in het centraal register moet worden gemaakt.
Deze bepaling is in de Memorie van Toelichting als volgt toegelicht: “Om het doel van een efficiënte en effectieve afwikkeling van collectieve vorderingen te kunnen bereiken is het belangrijk dat elke ingestelde collectieve vordering daadwerkelijk in het centrale register terechtkomt. Alleen zo kan een gecoördineerde afwikkeling worden gewaarborgd en kunnen andere belangenorganisaties daadwerkelijk de kans krijgen voor dezelfde gebeurtenis over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen ook een collectieve vordering in te stellen. Dit rechtvaardigt dat de verplichting van de eiser om binnen twee dagen na indiening van zijn procesinleiding de aantekening in het register te maken, geldt op straffe van niet ontvankelijkheid van eiser in zijn collectieve vordering” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 34 608, nr. 3, p. 38).

De verplichting om de dagvaarding binnen twee dagen ter griffie in te dienen is geïntroduceerd bij derde nota van wijziging en maakt deel uit van een aantal wijzigingen die als volgt zijn toegelicht: “De nota van wijziging bevat louter technische aanpassingen die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat de nieuwe titel 14A over de rechtspleging in zaken betreffende collectieve actie en collectieve schadeafwikkeling zowel geldt voor digitaal gevoerde procedures («KEI») als voor op papier gevoerde procedures” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 34 608, nr. 20, p. 8). Een specifieke toelichting van de wijziging van artikel 1018c lid 2 Rv voor ‘niet-KEI-zaken’ ontbreekt. Aannemelijk is echter dat de wetgever zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij het ‘KEI-regime’ en in het bijzonder heeft willen voorkomen dat dagvaardingen in het centraal register worden aangetekend waarvan de griffie van de betrokken rechtbank geen weet heeft.

3.5.

Mede in het licht van het systeem van de Wamca is die doelstelling begrijpelijk. Zo impliceert artikel 1018c lid 2 Rv dat de daar bedoelde niet ontvankelijkheid kan worden uitgesproken vóór de roldatum waartegen is gedagvaard (en ongeacht het standpunt van de gedaagde dienaangaande). Voorts vraagt een bepaling als artikel 1018c lid 6 Rv om juiste en volledige informatie bij de betrokken griffie(s).

3.6.

De sanctie van niet ontvankelijkheid gaat in dit geval echter te ver, nu daarmee geen enkel belang is gediend. [gedaagde] stelt dat ook niet. Artikel 1018c lid 2 Rv is eerst en vooral een publiciteitsvoorschrift. De Stichtingen hebben van de dagvaarding tijdig aantekening gemaakt in het centraal register. Eventuele andere belangenhartigers zijn daarmee tijdig geïnformeerd over het bestaan van de onderhavige collectieve vordering. Gesteld noch gebleken is dat een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen is ingesteld. Aldus is de te late indiening ter griffie in dit geval niet meer dan een administratief verzuim waardoor geen (potentiële) procespartijen in hun belangen zijn geschaad, een administratief verzuim dat ook voor het overige geen blijvende nadelige gevolgen heeft gehad of zal hebben.

3.7.

In de meergenoemde brief van 12 maart 2020 heeft de rechtbank te kennen gegeven dat naar haar voorlopig oordeel de omstandigheid dat de aantekening in het centraal register voor collectieve vorderingen heeft plaatsgevonden vóór de indiening ter griffie niet van invloed is op de datum waarop de in artikel 1018d lid 1 Rv bedoelde termijn begint te lopen. De Stichtingen zeggen zich bij dit oordeel aan te sluiten, maar laten die termijn aanvangen op 11 maart 2020. Dit laatste ten onrechte. Artikel 1018d lid 1 Rv (en overigens ook artikel 1018c lid 3 Rv) laat er geen misverstand over bestaan dat die termijn aanvangt bij de aantekening in het centraal register voor collectieve vorderingen. Deze heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. De omstandigheid dat het exploot van dagvaarding pas op 10 maart 2020 ter griffie is ingekomen, maakt dat niet anders. Het hiervoor onder 3.6 gegeven oordeel komt er immers op neer dat het exploot van dagvaarding (waarmee het geding aanhangig is gemaakt) geacht moet worden tijdig te zijn ingediend (waarmee de Stichtingen ontvankelijk zijn in hun vorderingen). Het is in deze stand dat de behandeling van de zaak na ommekomst van de in artikel 1018d Rv bedoelde termijn wordt voortgezet.

3.8.

Voor de door [gedaagde] geopperde regiezitting ziet de rechtbank in dit stadium geen aanleiding.

3.9.

De zaak zal worden verwezen naar de rol van 27 mei 2020 voor beraad voortzetting Wamca-procedure.

3.10.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank:

- verwijst de zaak naar de rol van 27 mei 2020 voor beraad voortzetting Wamca-procedure;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2020.1

1 type: AAJW coll: