Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2829

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
13/731013-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OM niet-ontvankelijk. Gelet op het gemankeerde - want niet voltooide - onderzoek, de marginale ruimte om bij een eventuele bewezenverklaring een straf op te leggen en het aanzienlijke tijdsverloop is een vervolging van verdachte niet langer opportuun.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/731013-15

Datum uitspraak: 3 juni 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (PI), [naam PI te plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 december 2014 en 3 juni 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.A. van der Vlugt, en van wat de raadsman van verdachte, mr. L.J.B.G. van Kleef, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

het witwassen van meerdere geldbedragen en goederen in de periode van 3 april 2010 tot en met 1 november 2012 te Amsterdam.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op voorhand laten weten dat hij ter terechtzitting tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (OM) zal rekwireren. Dit heeft hij reeds op 31 juli 2019 middels een brief aan de (toenmalige) raadsman van verdachte (mr. N.C.J. Meijering) kenbaar gemaakt. De zaak heeft voor het laatst in 2014 op zitting gestaan en werd gevoegd behandeld met andere strafbare feiten. Destijds is de behandeling van feit 3 (witwassen) op de dagvaarding echter afgesplitst en aangehouden om getuigen in Dubai nader te horen, waarvan in 2015 reeds bleek dat dit (binnen een aanvaardbare termijn) niet mogelijk was. Vervolgens heeft de strafzaak stilgelegen. Voor de overige feiten is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waardoor ten aanzien van het onderhavige feit artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is. De officier van justitie heeft er daarnaast op gewezen dat uit het oogpunt van opportuniteit en capaciteit besloten is om niet meer te investeren in nader (noodzakelijk) onderzoek naar een voertuig dat – qua waarde – het zwaartepunt van de huidige tenlastelegging vormt. Ten slotte heeft de officier van justitie gesteld dat, indien het ten laste gelegde nog niet eerder op zitting had gestaan, de strafzaak zelfstandig, door het Openbaar Ministerie, zou zijn geseponeerd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman kan zich vinden in het voorstel van de officier van justitie. Subsidiair, indien de rechtbank daar niet in mee zou gaan, verzoekt de raadsman om aanhouding van de behandeling van de strafzaak.

Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel (langdurig) tijdsverloop daarvoor niet voldoende. Er zijn in dit geval echter aanvullende omstandigheden die de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie kunnen dragen. De rechtbank wijst hierbij allereerst op het gemankeerde – want niet voltooide – onderzoek waaraan het Openbaar Ministerie niet langer capaciteit wenst te besteden. Ten tweede merkt de rechtbank op dat het gaat om een feit ten aanzien waarvan, in geval van een eventuele strafoplegging, artikel 63 Sr van toepassing zal zijn. De ruimte om bij een eventuele bewezenverklaring aan verdachte een straf op te leggen, zal dan ook marginaal zijn. Hierbij stelt de rechtbank bovendien vast dat deze eventueel op te leggen straf, gelet op het tijdsverloop waarbij de redelijke termijn in meer dan aanzienlijke mate is overschreden, tot een minimum zal worden gereduceerd. De vervolging van verdachte in de onderhavige strafzaak is dan ook niet langer opportuun. Gelet op het tijdsverloop, in combinatie met de overige omstandigheden zoals hiervoor weergegeven, zal de rechtbank de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte [verdachte] in de zaak met parketnummer 13/731013-15.

4 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte [verdachte] in de zaak met parketnummer 13/731013-15.

Dit vonnis is gewezen door

mr. I. Mannen, voorzitter,

mrs. A.A. Fase en M.E.M. James-Pater, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.P. Terwindt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juni 2020.

[...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]