Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2826

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
05-06-2020
Zaaknummer
AMS 20/2343
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De gemeente heeft een aanvraag voor een urgentieverklaring van een man voor een woning terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/2343

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juni 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S.A. Adjiembaks),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Hamdach).

Procesverloop

Met het besluit van 3 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 6 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.1 Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende te bepalen dat aan hem een urgentieverklaring moet worden verstrekt totdat op zijn beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In verband met de maatregelen die zijn getroffen vanwege de uitbraak van het coronavirus zijn partijen in de gelegenheid gesteld om een via Skype-verbinding gehouden zitting bij te wonen. Deze zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2020. Daarbij is verzoeker verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde met een audio- en videoverbinding. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde met een audio- en videoverbinding. Na afloop van deze zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Wat is de aanleiding van deze procedure?

2.1.

Verzoeker verbleef ten tijde van het bestreden besluit in de winteropvang, waar hij dagelijks vóór 9.30 uur moet vertrekken en pas tussen 16.30 uur en 22.00 uur mag terugkomen. Momenteel verblijft hij in een inloophuis aan de [adres] , waar hij eveneens pas in de avond (om 18.00) welkom is en in de ochtend weer moet vertrekken. Verzoeker heeft een baan bij [bedrijf] . Daar werkt hij wisseldiensten (met ook avond- en nachtdiensten). Hij heeft vier kinderen, waarvan er drie minderjarig zijn (17, 14 en 9 jaar oud). De moeder van de kinderen mw. [naam moeder] (hierna: de moeder) van wie hij in 2017 is gescheiden, is geëmigreerd naar Malta en is slechts ca. 7-10 dagen per maand in Nederland. Zij is daarom niet in staat de volledige zorg voor de kinderen op zich te nemen. De voormalige woning van verzoeker en de moeder aan het adres [adres] staat nog op naam van de moeder, hier verblijft alleen de meerderjarige dochter (22 jaar oud) van verzoeker. In elk geval de twee jongste kinderen (hierna: de kinderen) zijn onder toezicht gesteld, tot december 2020 uit huis geplaatst en verblijven - niet gezamenlijk - bij pleeggezinnen.

2.2.

Verzoeker is naar eigen zeggen wel bereid om de zorg voor de kinderen op zich te nemen. Omdat hij echter niet over een zelfstandige woning beschikt, kan de Raad voor de Kinderbescherming volgens hem niet onderzoeken of de kinderen bij hem kunnen wonen. Om die reden heeft hij op 13 november 2019 een urgentieverklaring aangevraagd.

2.3.

Met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, heeft verweerder die aanvraag afgewezen, omdat er sprake is van drie algemene weigeringsgronden die zijn neergelegd in artikel 2.6.5, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (hierna: de Huisvestingsverordening). Zo is er volgens verweerder geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem, kon hij zijn huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen en is het huisvestingsprobleem het gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van verzoeker.2 Verder behoort verzoeker niet tot de urgentiecategorieën3 en bestaat er geen aanleiding de hardheidsclausule4 toe te passen, aldus verweerder.

Is er in het geval van verzoeker een algemene weigeringsgrond van toepassing?

3.1.

Aan verweerder komt bij de aan hem verleende bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring beoordelings- en beleidsruimte toe. Dit leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend moet toetsen. Het beleid in de gemeente Amsterdam is zeer strikt in het toekennen van voorrang op andere woningzoekenden. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State5 eerder heeft geoordeeld, is het restrictieve beleid dat verweerder in dat kader voert niet onredelijk. Het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring in relatie tot het geringe aantal beschikbare woningen is daarbij doorslaggevend.

3.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker een urgentieverklaring heeft aangevraagd, niet omdat hij zelf geen permanent dak boven zijn hoofd heeft, maar specifiek met als doel om een zelfstandige woning te krijgen waardoor mogelijk zijn kinderen bij hem kunnen wonen en hij de zorg voor hen op zich kan nemen. Dit blijkt onder meer uit het bij zijn aanvraag gevoegde e-mailbericht van M.H. Aalmoes van 27 oktober 2019, maar ook uit zijn verzoeks- en beroepsgronden.

3.3.

Het probleem dat verzoeker met de verkrijging van een urgentieverklaring wenst op te lossen, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan kunnen merken als geen urgent huisvestingsprobleem. De kinderen verblijven in ieder geval tot december 2020 bij pleeggezinnen en hebben dus tot die tijd een dak boven hun hoofd. Voor de huisvesting van de kinderen is dus niet met spoed een urgentieverklaring vereist. De door verzoeker gestelde belangen van de kinderen, de rol van de moeder en het al dan niet bestaande gevaar dat hij de voogdij over de kinderen dreigt te verliezen, acht de voorzieningenrechter niet bepalend voor de vraag of er sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. Deze omstandigheden worden, zoals hierna zal blijken, wel betrokken bij de vraag of verweerder aanleiding had moeten zien om de hardheidsclausule toe te passen.

3.4.

Reeds vanwege hetgeen onder 3.3. is overwogen, was verweerder op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening gehouden de aanvraag van verzoeker af te wijzen, tenzij er sprake is van omstandigheden die nopen tot toepassing van de hardheidsclausule, zoals neergelegd in artikel 2.6.11, eerste lid, van de Huisvestingsverordening. De voorzieningenrechter komt dan ook niet toe aan een oordeel over de andere algemene weigeringsgronden die verweerder verzoeker in het bestreden besluit heeft tegengeworpen.

Bestond er aanleiding om toepassing te geven aan de hardheidsclausule?

4.1.

Ook bij de besluitvorming omtrent de toepassing van de hardheidsclausule komt verweerder beoordelings- en beleidsruimte toe, waardoor de voorzieningenrechter het bestreden besluit ook op dit punt terughoudend dient te toetsen. Een beroep op de hardheidsclausule kan slechts bij uitzondering slagen, waarbij het aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat er sprake is van omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule nopen.

4.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de in artikel 2.6.11, eerste lid, van de Huisvestingsverordening neergelegde hardheidsclausule. Hoewel de voorzieningenrechter onderkent dat de verzoeker zich in een lastige situatie bevindt, dat hij belang heeft bij het beschikken over van een zelfstandige woning en dat er voor hem (en mogelijk ook voor de kinderen) veel op het spel staat, is het niet zo dat de weigering van een urgentieverklaring tot een schrijnende situatie leidt. Zoals verweerder terecht stelt, verblijven de kinderen momenteel bij pleeggezinnen en zijn ze niet dakloos. Of verzoeker daarbij als alleenstaande of als alleenstaande ouder wordt aangemerkt, is anders dan verzoeker stelt dan ook niet relevant. Het huisvestingsprobleem zoals dat zich bij verzoeker voordoet, is bovendien niet ontstaan door een overmachtssituatie, maar door een scheiding. Bij een scheiding is het niet ongebruikelijk dat één van de echtelieden de echtelijke woning overneemt en de ander op zoek moet naar een eigen woning. In zoverre onderscheidt verzoeker zich dus niet van iedere andere gescheiden ouder. Dat het in het geval van verzoeker gecompliceerder ligt, omdat de moeder volgens hem onvoorzien naar Malta is vertrokken, zij daardoor in strijd met het ouderschapsplan niet meer de zorg voor de kinderen voor haar rekening neemt en de kinderen als gevolg daarvan uit huis zijn geplaatst, is een omstandigheid die niet op het bord van verweerder komt te liggen. Het is namelijk de verantwoordelijkheid van verzoeker en de moeder om de zorg voor de kinderen op een zo goed mogelijke wijze te regelen en om hier samen - al dan niet met hulp van instanties of juridische procedures - een oplossing voor te vinden. Van verweerder kan niet worden gevergd om in dergelijke situaties als ‘derde partij’ in te springen en om in het kader van huisvesting een urgentieverklaring te verlenen.

4.3.

Voor dit oordeel acht de voorzieningenrechter ook van belang dat niet gebleken is dat verzoeker alle mogelijkheden al heeft uitgeput om de voormalige echtelijke woning bij de woningbouwvereniging op te eisen dan wel daar zijn intrek te nemen in overleg met de woningbouwvereniging, de moeder en de meerderjarige dochter die daar thans blijkt te wonen. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheden die verzoeker heeft om de moeder te houden aan de afspraken zoals opgenomen in het ouderschapsplan, dat deel uitmaakt van de echt scheidingsbeschikking van 20 september 2017.

Conclusie voorzieningenrechter

5.1.

Het bezwaar van verzoeker heeft bij de huidige stand van zaken geen redelijke kans van slagen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

5.2.

De voorzieningenrechter maakt geen gebruik van de bevoegdheid die is neergelegd in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en beslist dus niet ook op het beroep van verzoeker. De reden daarvan is dat daardoor in de beroepsprocedure nader aandacht kan worden besteed aan de vraag wat de mogelijke rol van verweerder in het licht van artikel 8 van het EVRM6 is bij de verlening van urgentieverklaringen, in het geval er minderjarige kinderen gedwongen uit huis zijn geplaatst en dit mogelijk voorkomen of opgelost kan worden door (een van) de ouders middels een urgentieverklaring voorrang te verlenen bij het verkrijgen van een zelfstandige sociale huurwoning.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

WETTELIJK KADER

Huisvestingsverordening Amsterdam 2016

Artikel 2.6.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring

1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:

(…)

b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;

c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;

(…)

e. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden;

(…)

Artikel 2.6.11 Hardheidsclausule

1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:

a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,

b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.

(…)

1 Geregistreerd onder zaaknummer AMS 20/1744.

2 Artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b, c en e, van de Huisvestingsverordening.

3 Artikel 2.6.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening.

4 Artikel 2.6.11 van de Huisvestingsverordening.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3424, en 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:84.

6 Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.