Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2791

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
05-06-2020
Zaaknummer
13-219807-19 (A), 13-259410-19 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 61-jarige vrouw krijgt 4 jaar gevangenisstraf onder meer omdat zij tot vier keer toe de bankpas van hoogbejaarde slachtoffers stal en met de eveneens achterhaalde pincode geld opnam. Zij deed dat tussen oktober 2016 en april 2019 in Amsterdam en Zaandam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13-219807-19 (A), 13-259410-19 (B)

Datum uitspraak: 3 juni 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 20 mei 2020.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. W.J. de Graaf, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. B.J. de Pree, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De verdenking komt er, na twee wijzigingen op de terechtzitting van 20 mei 2020
– kort gezegd – op neer dat verdachte:

zaak A:

- op 27 april 2019 in Amsterdam een bankpas, een toegangspas en € 40,- van
[naam 1] heeft gestolen, nadat zij [naam 1] drogerende middelen had toegediend (feit 1);

- op 27 april 2019 in Amsterdam met de gestolen bankpas van [naam 1] en bijbehorende pincode twee keer een geldbedrag van respectievelijk € 600,- en
€ 400,- heeft opgenomen (feit 2);

zaak B:

- op 26 januari 2017 te Zaandam een bankpas heeft gestolen van [naam 2] (feit 1);

- op 26 januari 2017 met de gestolen bankpas van [naam 2] en bijbehorende pincode een geldbedrag van € 1.000,- heeft opgenomen (feit 2);

- op 28 augustus 2017 te Zaandam door middel van een babbeltruc de bankpas met bijbehorende pincode van [naam 3] heeft bemachtigd (feit 3);

- op 28 augustus 2017 te Zaandam met de gestolen bankpas van [naam 3] en bijbehorende pincode een geldbedrag van € 1.000,- heeft opgenomen (feit 4);

- in de periode van 10 oktober 2016 tot en met 4 november 2016 te Zaandam twee bankpassen heeft gestolen van [naam 4] (feit 5);

- in de periode van 10 oktober 2016 tot en met 4 november 2016 te Zaandam en/of te Amsterdam met de gestolen bankpassen met bijbehorende pincodes geldbedragen heeft opgenomen tot een bedrag van in totaal € 1.061,65 (feit 6).

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1, die aan dit vonnis is gehecht en als hier ingevoegd geldt.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Alle aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen verklaard.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 tenlastegelegde:

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat zij één Primatour reisziekte pil in de koffie van [naam 1] heeft gedaan. Toen hij suffig werd, heeft zij zijn bankpas meegenomen. Zij kende de pincode omdat zij [naam 1] enkele dagen eerder in café [naam café] met een pintransactie had geholpen. Met de weggenomen pinpas heeft zij vervolgens eerst € 600,- en daarna € 400,- opgenomen. Zij heeft geen € 40,- uit de portemonnee van [naam 1] gepakt. Evenmin heeft zij een toegangspas van hem meegenomen.

De raadsman heeft betoogd dat deze feiten bewezen kunnen worden verklaard, met dien verstande dat de drogering van [naam 1] heeft plaatsgevonden door het toedienen van één Primatour tablet.

Ten aanzien van het in zaak B onder 1 t/m 6 tenlastegelegde:

Verdachte ontkent dat zij iets met deze zaken te maken heeft gehad. Zij is niet de persoon die op de camerabeelden van de geldopnames met de bankpassen van
[naam 2] , [naam 3] en [naam 4] is te zien.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle in zaak B tenlastegelegde feiten.

Op de beelden van de betreffende geldopnames zijn onvoldoende identificerende kenmerken te zien van de persoon die geld opneemt om vast te kunnen stellen of dit al dan niet verdachte is. Daarbij lijkt het uiterlijk van deze persoon eerder niet dan wel overeen te komen met dat van verdachte.

Verdachte heeft als vrijwilligster in verzorgingshuis [naam verzorgingshuis] contact gehad met slachtoffer [naam 4] . Verdachte heeft zich echter vanaf 17 oktober 2016 ziek gemeld en is daarna niet meer bij [naam 4] langs geweest. Omdat de bankpas van [naam 4] na
23 oktober 2016 moet zijn weggenomen, kan zij de diefstal niet hebben gepleegd.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Onderzoek Kerpen

[naam 1] (zaak A onder 1 en 2):

Aangever [naam 1] (geboren in [geboortedatum] ) heeft verklaard dat hij op woensdag
24 april 2019 op de galerij van zijn flatwoning in Amsterdam aan de praat raakte met een vrouw die zich [naam vrouw] noemde. Hij nodigde haar uit in zijn woning. Later die dag zijn zij samen naar een restaurant gegaan. Aangever wilde betalen maar het pinnen lukte niet. [naam vrouw] heeft hem toen geholpen met de pintransactie. Daarna zijn ze weer naar de woning van aangever gegaan en hebben daar wijn gedronken. [naam vrouw] had te veel gedronken om nog auto te kunnen rijden en is op de bank blijven slapen. Nadat zij de volgende dag, donderdag 25 april 2019, was weggegaan, kwam zij enige tijd later terug omdat zij de pinpas van aangever bij zich had en omdat zij haar telefoon was vergeten. Het bleek dat de pinpas van [naam vrouw] in de portemonnee van aangever zat. [naam vrouw] is die dag rond 18.00 uur weer weggegaan.

De volgende dag voelde aangever zich suffig. Hij had een vreemd gevoel bij [naam vrouw] en vertrouwde het niet helemaal.

Zaterdagmorgen, 27 april 2019, stond [naam vrouw] weer voor de deur. Aangever en [naam vrouw] zijn gaan klaverjassen. Tijdens het kaartspel maakte [naam vrouw] koffie. Deze koffie had een vreemde smaak. Kort daarna voelde aangever zich niet goed worden. [naam vrouw] vroeg of zij hem moest masseren. Aangever ging op het bed liggen en was daarna ‘van de wereld’.

Na enkele uren werd aangever in zorgwekkende toestand door zijn zoon op de grond aangetroffen. Hij is naar het ziekenhuis overgebracht en daar behandeld.

Het NFI heeft het bloed van aangever onderzocht. In dit bloed werden de stoffen Zopiclon, Tramadol, Nitrazepam en Citalopram aangetroffen. Deze stoffen behoren niet tot de medicatie van aangever en zijn evenmin toegediend in de ambulance of in het ziekenhuis. Het bewustzijn van [naam 1] was waarschijnlijk beïnvloed door het aanwezige Zopiclon.

Uit de opgevraagde bankgegevens van aangever komt naar voren dat op 25 april 2019 met de bankpas van [naam 1] een saldocheck heeft plaatsgevonden bij een geldautomaat op het Buikslotermeerplein te Amsterdam. Op 27 april 2019 aan het eind van de ochtend zijn met de gestolen bankpas van [naam 1] bij dezelfde geldautomaat twee geldbedragen opgenomen van respectievelijk € 600,- en € 400,-. Op 28 april 2019 is opnieuw geprobeerd om een bedrag van € 1.000,- op te nemen, maar deze transactie werd niet goedgekeurd, omdat de bankpas op dat moment al was geblokkeerd.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft bekend dat zij aangever [naam 1] heeft gedrogeerd, dat zij vervolgens zijn bankpas heeft meegenomen, een saldocheck heeft gedaan en dat zij met die pas in totaal € 1.000,- heeft opgenomen.

Haar verklaring dat zij bij [naam 1] één enkel tablet Primatour in de koffie heeft gedaan, acht de rechtbank in het licht van de bevindingen van het NFI niet geloofwaardig. Het is bovendien nauwelijks voorstelbaar dat dit middel in een dergelijke dosering tot de bij [naam 1] geconstateerde gevolgen heeft kunnen leiden.

Anders dan verdachte het probeert te doen voorkomen staat voor de rechtbank vast dat verdachte de feiten niet in een opwelling heeft gepleegd maar dat zij planmatig te werk is gegaan. Zij heeft zich voorgedaan als een zorgzame en gezellige vriendin en wist daarmee het vertrouwen van [naam 1] voor zich te winnen. Door hem zogenaamd te helpen bij een pintransactie heeft zij de pincode behorende bij de bankpas van
achterhaald. Enkele dagen later heeft zij [naam 1] gedrogeerd. Dat gaf haar de gelegenheid en tijd om met de bankpas van [naam 1] geld van zijn rekening op te nemen. Die dag heeft zij het maximum bedrag van zijn rekening opgenomen.

Op camerabeelden is te zien dat verdachte het verzorgingshuis in de ochtend van
27 april 2019 verlaat waarbij zij een sjaal draagt met kwastjes/franjes en dat zij kort daarna, vermomd met een rood/oranje pruik op haar hoofd met een soortgelijke sjaal met kwastjes/franjes om zich heen geslagen, geld opneemt bij een geldautomaat.

De volgende dag heeft zij opnieuw geprobeerd om het maximum bedrag op te nemen, maar inmiddels was [naam 1] reeds door zijn zoon gevonden en was de bankpas geblokkeerd. De ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte, dat zij op de bankpas van [naam 1] de bijbehorende pincode had geschreven en dat zij deze bankpas na de geldopname op 27 april 2019 op de vrijmarkt bij het winkelcentrum onder een kleed heeft achtergelaten, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. Verdachte heeft hier niet eerder over verklaard en lijkt dit verhaal tijdens de ondervraging op de zitting te hebben verzonnen.

Bewezenverklaring diefstal met geweld van bankpas en frauduleuze geldopnames

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte door het heimelijk toedienen van een cocktail medicijnen [naam 1] heeft gedrogeerd, waarna zij zich de bankpas van [naam 1] heeft toegeëigend. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld, zoals ten laste gelegd in zaak A onder 1. Vervolgens heeft verdachte met de weggenomen pinpas en de al eerder achterhaalde pincode geldbedragen opgenomen van de rekening van
. Daarmee heeft zij zich schuldig gemaakt aan diefstal door middel van valse sleutels, zoals ten laste gelegd in zaak A onder 2.

Vrijspraak diefstal € 40,- en toegangspas

Aangever denkt dat verdachte ook een geldbedrag van € 40,- en een toegangspas uit zijn woning heeft meegenomen. De rechtbank is van oordeel dat de aangifte met betrekking tot deze goederen onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.

Onderzoek Bolivia

[naam 4] (zaak B onder 5 en 6):

Aangeefster [naam 4] (geboren in [geboortedatum] ) heeft verklaard dat zij op 10 oktober 2016, in het verzorgingshuis [naam verzorgingshuis] te [plaats] waar zij woonde, contact kreeg met een vrijwilligster genaamd [naam vrijwilligster] . Op verzoek van aangeefster ging [naam vrijwilligster] met haar mee naar het gemeentehuis voor het aanvragen van een nieuwe identiteitskaart. Tijdens de wandeling naar het gemeentehuis of in het gemeentehuis schreef aangeefster de pincode van haar bankpas op een papiertje. Het viel haar op dat [naam vrijwilligster] zeer opvallend aan het meekijken was.

Twee dagen later miste aangeefster haar bankpas. Haar dochter blokkeerde daarop de pas en vroeg een nieuwe aan, met behoud van pincode. Op 17 oktober 2016 gingen aangeefster en [naam vrijwilligster] naar de ABN-AMRO bank om de nieuwe bankpas op de halen. Daar bleek echter dat de pas per post naar aangeefster zou worden verzonden. Omdat aangeefster veel geld op haar betaalrekening had staan adviseerde de bank om een spaarrekening te openen. In het bijzijn van [naam vrijwilligster] opende aangeefster een spaarrekening en boekte zij een groot geldbedrag van haar betaalrekening naar deze spaarrekening. Aangeefster had zelf geen papieren van deze nieuwe rekening in ontvangst genomen, maar vond deze enkele dagen later op het bureau in haar kamer.

Op 19 oktober 2016 ontving aangeefster haar nieuwe bankpas, die zij op
21 oktober 2016 activeerde. Op 3 november 2016 was zij opnieuw haar bankpas kwijt, waarna zij ook deze pas blokkeerde.

Uit informatie van de bank bleek dat op 11 oktober 2016 is geprobeerd om de opnamelimiet van de rekening van aangeefster te verhogen. Ook was een online bankieren app aangemaakt voor deze rekening. Op 2 november 2016 is € 15.000,- vanaf de spaarrekening overgeboekt naar de betaalrekening. Op 2 november 2016 is met de nieuwe bankpas parkeergeld betaald voor een geldbedrag van € 1,30. Kort daarna is een geldbedrag van € 500,- opgenomen bij een geldautomaat aan de IJdoornlaan te Amsterdam. Ook de volgende ochtend, 3 november 2016, werd € 500,- bij diezelfde geldautomaat opgenomen met de weggenomen bankpas van [naam 4] . Deze geldopnames zijn op camerabeelden vastgelegd.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat zij vrijwilligster is geweest in verzorgingshuis [naam verzorgingshuis] en dat zij met aangeefster [naam 4] naar het gemeentehuis en de bank is geweest. Zij is de vrouw die samen met aangeefster [naam 4] is te zien op de foto op bladzijde 80 van het dossier.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij na 17 oktober 2016 niet meer in verzorgingshuis [naam verzorgingshuis] is geweest, omdat zij zich ziek zou hebben gemeld. Deze verklaring van verdachte is echter niet onderbouwd en de rechtbank hecht hier weinig waarde aan. Uit de verklaring van de vrijwilligerscoördinator van [naam verzorgingshuis] is eerder af te leiden dat verdachte niet door ziekte met haar werk als vrijwilligster is gestopt, maar dat zij op enig moment daar niet meer welkom was omdat zij verdacht werd van diefstal.

Camerabeelden

Op de stills van de camerabeelden van de geldopname op 2 november 2016 is een vrouw te zien met een zwarte bril op en een zwart/witte sjaal om haar nek.

Hoewel een herkenning op basis van deze beelden niet mogelijk is, stelt de rechtbank vast dat de vrouw die op de beelden is te zien, wat betreft leeftijd en uiterlijk past bij de persoon van verdachte. Opvallend acht de rechtbank bovendien dat de sjaal/omslagdoek die de pinnende vrouw om haar nek heeft, grote overeenkomsten vertoont met de sjaal/omslagdoek die verdachte draagt op de foto waarop zij samen met aangever [naam 4] in verzorgingshuis [naam verzorgingshuis] is te zien. Hoewel slechts een deel van de sjaal/omslagdoek van de pinnende vrouw is te zien, komt het patroon terug in de sjaal/omslagdoek die verdachte draagt in gezelschap van [naam 4] . Op deze laatste foto is te zien dat de sjaal/omslagdoek kwastjes heeft.

Dat de haarkleur van de pinnende vrouw niet overeenkomt met de haarkleur van verdachte acht de rechtbank van ondergeschikt belang. Aannemelijk is dat zij op dat moment een pruik droeg, zoals ook het geval was bij de door verdachte verrichte frauduleuze geldopnames in zaak A op 27 april 2019. Ook toen droeg verdachte overigens een soortgelijke sjaal/omslagdoek met kwastjes om als de hiervoor bedoelde sjaal/omslagdoek.

Bewezenverklaring diefstal twee bankpassen en frauduleuze geldopnames

Op basis van de omstandigheden genoemd in de aangifte van [naam 4] en de constatering dat verdachte de persoon is geweest die aangeefster naar het gemeentehuis en de bank heeft vergezeld, kan reeds worden aangenomen dat het zeer waarschijnlijk is dat het verdachte is geweest die tot twee keer toe een bankpas van [naam 4] heeft weggenomen en geld van de rekening van [naam 4] heeft opgenomen. De hiervoor genoemde bevindingen met betrekking tot de persoon die op de camerabeelden van de geldopname is te zien bevestigen deze aanname. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van twee bankpassen van [naam 4] , zoals ten laste gelegd in zaak B onder 5. Zij acht tevens bewezen dat verdachte met één van deze passen en de bijbehorende pincode die ze van [naam 4] had afgekeken, tot twee keer toe een geldbedrag van € 500,- heeft opgenomen en dat zij met de bankpas parkeergeld heeft betaald voor een geldbedrag van € 1,30. Daarmee heeft zij zich schuldig gemaakt aan diefstal door middel van valse sleutels, zoals ten laste gelegd in zaak B onder 6.

Vrijspraak diefstal geldbedragen € 50,40 en € 9,95 op 10 oktober 2016

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte op 10 oktober 2016 geldbedragen van

€ 50,40 en € 9,95 heeft weggenomen van [naam 4] . Deze beschuldiging vindt onvoldoende steun in de bewijsmiddelen en verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Onderzoeken Pickering en Brockville

[naam 2] (zaak B onder 1 en 2):

Aangever [naam 2] (geboren in [geboortedatum] ) heeft verklaard dat op 26 januari 2017 een vrouw van tussen de 50 en 60 jaar oud bij hem in zijn woning te [plaats] aanbelde. Deze vrouw zei dat haar vader met zijn invalidewagentje tegen de auto van aangever was aangereden en dat zij de schade wilde regelen. Aangever heeft haar in zijn woning binnengelaten. Nadat aangever op verzoek van de vrouw een schadeformulier uit zijn auto had gehaald en waarbij de vrouw achterbleef in zijn woning, zei de vrouw dat het eigenlijk niet meer nodig was en dat zij genoeg gegevens had, waarna zij is vertrokken. Aangever vertrouwde het niet en keek in zijn portemonnee. Toen bleek de ING pas op naam van hem en zijn vrouw te zijn verwisseld met een bankpas op naam van [naam 5] . Kort nadat de vrouw was vertrokken werd er met de gestolen bankpas
€ 1.000,- opgenomen bij een pinautomaat op het Waterlandplein te Amsterdam. Deze geldopname is op camerabeelden vastgelegd. Aangever weet niet hoe de vrouw achter zijn pincode is gekomen.

[naam 3] (zaak B onder 3 en 4):

Aangeefster [naam 3] (geboren in [geboortedatum] ) heeft verklaard dat zij op
28 augustus 2017 slachtoffer is geworden van een babbeltruc. Een blonde vrouw van ongeveer 50 jaar kwam bij haar aan de deur van haar woning te [plaats] en zei dat ze van de bezorgdienst van Bruynzeel was. De vrouw had een bos bloemen bij zich die voor haar en haar man bestemd zou zijn. De man van aangeefster werkte vroeger bij Bruynzeel. Aangeefster moest voor de bezorgkosten € 1,95 pinnen op een tablet die de vrouw bij zich had. Dit lukte niet, waarna aangeefster op verzoek van de vrouw haar bankpas met bijbehorende pincode gaf. Nadat de vrouw enige handelingen met dit pasje had verricht kreeg aangeefster een bankpas terug. Kort daarna werd € 1.000,- van haar rekening opgenomen bij een pinautomaat in winkelcentrum Gibraltar te Zaandam. Deze geldopname is op camerabeelden vastgelegd.

Het bankpasje dat aangeefster van de vrouw had teruggekregen bleek op naam staan van [naam 2] , slachtoffer in zaak B onder 1 en 2.

Een à twee weken voor 28 augustus 2017 was de man van aangeefster in Albert Heijn in Zaandam aangesproken door een blonde vrouw die tegen hem zei dat zij bij hetzelfde bedrijf had gewerkt als hij. In het daarop volgende gesprek maakte hij kenbaar dat hij bij Bruynzeel had gewerkt en noemde hij het adres waar hij en [naam 3] woonden.

Overeenkomsten op camerabeelden

De camerabeelden van de geldopnames met betrekking tot de slachtoffers [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] zijn met elkaar vergeleken. Verbalisant [naam verbalisant] heeft daarbij geconstateerd dat de vrouw die in alle zaken te zien is een opvallend grote neus heeft.

Deze vrouw draagt steeds een bandage/sjaal om het hoofd. De camerabeelden zijn tevens vergeleken met camerabeelden waarbij verdachte een transactie verricht bij een pinautomaat op haar eigen rekening.

Bij de geldopname met de pas van [naam 4] is te zien dat de vrouw steeds naar lucht hapt, waardoor haar gezicht opgezwollen lijkt. Bij de geldopname met de pas van [naam 3] is te zien dat de vrouw waarschijnlijk geen gebit in heeft. Bij de recente camerabeelden van verdachte is te zien dat verdachte met haar gebit in haar mond aan het spelen is.

Verbalisant is ervan overtuigd dat het, gelet op houding, postuur, handelingen, en opvallende gelaatsuitdrukkingen/bewegingen, in alle gevallen steeds om dezelfde persoon gaat.

Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat zij in haar mond boven een kunstgebit heeft.

Bankpas slachtoffer [naam 2] aantroffen bij slachtoffer [naam 3]

De bankpas van slachtoffer [naam 3] is tijdens de oplichting op 28 augustus 2017 verwisseld met de op 26 januari 2017 gestolen bankpas van het slachtoffer [naam 2] . Deze connectie maakt aannemelijk dat in beide zaken sprake is geweest van dezelfde dader.

Modus operandi

De vier ten laste gelegde zaken, met de slachtoffers [naam 1] , [naam 4] , [naam 2] en [naam 3] , vertonen veel overeenkomsten in de wijze waarop de dader te werk is gegaan. In alle gevallen had de dader een hoogbejaard slachtoffer geselecteerd. De dader opereerde steeds alleen en ging planmatig te werk. Zij nam de tijd om uiteindelijk haar slag te kunnen slaan. Zij probeerde het vertrouwen van de slachtoffers te winnen door zich meelevend en hulpvaardig op te stellen. Op deze wijze kon zij telkens de pincode van de slachtoffers achterhalen. Vervolgens was het haar er om te doen om de bankpas in handen te krijgen, waarna geldbedragen van de rekeningen van de slachtoffers werden opgenomen. De dader opereerde tussen Zaandam en Amsterdam Noord; drie van de slachtoffers woonden in Zaandam en één in Amsterdam Noord, terwijl bij drie van de slachtoffers de frauduleuze bankopnames zijn verricht bij geldautomaten in Amsterdam Noord en bij één slachtoffer in Zaandam.

De rechtbank zal de bewijsmiddelen in de onderzoeken Kerpen, Pickering, Brockville en Bolivia in onderling verband en samenhang bezien.

De rechtbank is van oordeel dat de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezen geachte feiten in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 5 en 6 tevens kunnen dienen als schakelbewijs voor de feiten in zaak B onder 1 t/m 4, nu sprake is van een herkenbare, specifieke modus operandi van verdachte.

Met de term schakelbewijs wordt een bewijsvoering aangeduid waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaken sprake.

Conclusie

Op basis van de opvallende onderlinge overeenkomsten tussen de pinnende vrouwen die op de camerabeelden zijn te zien in de vier ten laste gelegde zaken, de overeenkomende modus operandi in deze vier zaken en de aangetroffen bankpas van slachtoffer [naam 2] bij slachtoffer [naam 3] , is de rechtbank van oordeel dat in alle zaken sprake is geweest van één en dezelfde dader.

In zaak B onder 5 en 6 en in zaak A heeft de rechtbank bewezen geacht dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Nu steeds sprake is geweest van dezelfde dader, acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte de persoon is die de in zaak B onder 1 t/m 4 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Deze conclusie sluit bovendien aan bij de bevindingen van verbalisant [naam verbalisant] , dat de vrouw die steeds op de beelden van de frauduleuze geldopnames is te zien overeenkomt met verdachte op de beelden uit 2018 waarbij zij een transactie verricht op haar eigen rekening.

Bewezenverklaring diefstal, oplichting en frauduleuze geldopnames

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal van een bankpas van [naam 2] , zoals ten laste gelegd in zaak B onder 1. Zij acht tevens bewezen dat verdachte met deze pas en de kennelijk al eerder door haar achterhaalde pincode een geldbedrag van € 1.000,- heeft weggenomen. Daarmee heeft zij zich schuldig gemaakt aan diefstal door middel van valse sleutels, zoals ten laste gelegd in zaak B onder 2.

De rechtbank acht tevens bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting, zoals ten laste gelegd in zaak B onder 3, waarbij zij op geraffineerde wijze de bankpas van [naam 3] met bijbehorende pincode in haar bezit heeft gekregen. Met deze bankpas en pincode heeft zij vervolgens een gelbedrag van € 1.000,- opgenomen. Daarmee heeft zij zich schuldig gemaakt aan diefstal door middel van valse sleutels, zoals ten laste gelegd in zaak B onder 4.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 2 opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde:

op 27 april 2019 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pinpas toebehorende aan [naam 1] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [naam 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, welk geweld bestond uit het die [naam 1] drogeren door het toedienen van een hoeveelheid drogerende en kalmerende middelen verwerkt in een kop koffie;

ten aanzien van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde:

op 27 april 2019 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 600 euro en een geldbedrag van 400 euro toebehorend aan [naam 1] , waarbij zij, verdachte, dat weg te nemen geld onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas en pincode van die [naam 1] , waartoe zij, verdachte, niet gerechtigd was die te gebruiken;

ten aanzien van het in zaak B onder 1 tenlastegelegde:

op 26 januari 2017 te Zaandam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bankpas van de ING, met serienummer [nummer] , toebehorende aan [naam 2] ;

ten aanzien van het in zaak B onder 2 tenlastegelegde:

op 26 januari 2017 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (door te pinnen) heeft weggenomen een geldbedrag, te weten € 1.000,-, welk geldbedrag toebehoorde aan [naam 2] en/of [naam 6] , waarbij zij, verdachte, het weg te nemen geld onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [naam 2] , met bijbehorende pincode waartoe zij, verdachte, niet gerechtigd was;

ten aanzien van het in zaak B onder 3 tenlastegelegde:

op 28 augustus 2017 te Zaandam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, slachtoffer [naam 3] heeft bewogen tot de afgifte van een pinpas met bijhorende pincode,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk, listiglijk, bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- tegen die [naam 3] gezegd dat zij, verdachte, van de bezorgdienst van Bruynzeel was en dat zij bloemen kwam brengen en

- daarbij een mand met een bos bloemen in haar handen had en

- vervolgens gevraagd aan die [naam 3] of ze binnen mocht komen omdat de bloemen zwaar waren en

- gezegd dat die [naam 3] wel 1,95 euro bezorgkosten moest betalen en

- vervolgens die [naam 3] een tablet heeft laten zien, waarop die [naam 3] haar pincode in moest toetsen en

- toen de betaling mislukt was die [naam 3] om haar bankpas en pincode gevraagd,

waardoor die [naam 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

ten aanzien van het in zaak B onder 4 tenlastegelegde:

op 28 augustus 2017 te Zaandam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 1.000 euro, toebehorende aan [naam 3] , waarbij verdachte dat weg te nemen geldbedrag van 1.000 euro onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een gestolen bankpas op naam van [naam 3] ;

ten aanzien van het in zaak B onder 5 tenlastegelegde:

in de periode van 10 oktober 2016 tot en met 4 november 2016 te Zaandam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee bankpassen, toebehorende aan [naam 4] ;

ten aanzien van het in zaak B onder 6 tenlastegelegde:

in de periode van 10 oktober 2016 tot en met 4 november 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen
(totaal 1.001,30 euro), toebehorende aan [naam 4] , waarbij verdachte die weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een gestolen bankpas op naam van [naam 4] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, uitgaande van een bewezenverklaring alleen in zaak A, betoogd dat met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest kan worden volstaan, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in een periode van tweeënhalf jaar tot vier keer toe van hoogbejaarde slachtoffers de bankpas weggenomen om vervolgens met de eveneens achterhaalde pincode geldbedragen op te nemen. Bij drie van de slachtoffers wist zij met behulp van leugens en kletsverhalen de woning binnen te komen. Het vierde slachtoffer verbleef in een verzorgingshuis waar verdachte vrijwilligster was. Verdachte ging planmatig te werk en lijkt haar slachtoffers zorgvuldig te hebben geselecteerd. Door zich sociaal en hulpvaardig op te stellen wist zij het vertrouwen van de slachtoffers te winnen. Daarna kon zij gemakkelijk haar slag slaan.

Door zo te handelen heeft verdachte schade veroorzaakt en heeft zij het vertrouwen van de slachtoffers in de medemens ernstig geschaad. Ouderen zijn vaak sterk afhankelijk van de zorg en aandacht van anderen en dit soort feiten kan hun veiligheidsgevoel en zelfvertrouwen sterk aantasten. Dat dit in de vier gevallen het geval is geweest, blijkt ook uit de aangiftes.

Zeer ernstig is dat verdachte één van de slachtoffers heeft gedrogeerd met een cocktail van medicijnen. Zij is er vervolgens met de bankpas van het slachtoffer vandoor gegaan en heeft de hoogbejaarde man hulpeloos in de woning achtergelaten. Als gevolg van de door verdachte toegediende middelen is hij gevallen. Het slachtoffer werd uren later door zijn zoon onderkoeld op de grond aangetroffen en moest naar het ziekenhuis worden overgebracht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering benadeelde partij en uit datgene wat zijn zoon ter terechtzitting heeft verklaard blijkt dat het slachtoffer door het gebeuren zowel lichamelijk als psychisch achteruit is gegaan. Daarbij is zijn traumatische oorlogsverleden in volle hevigheid teruggekomen.

De drie andere slachtoffers zijn inmiddels overleden. Hoewel geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen de feiten en hun overlijden, mag worden aangenomen dat de feiten een negatieve invloed hebben gehad op hun algemene toestand. Het is bijzonder tragisch dat zij in hun laatste levensdagen met dit soort feiten zijn geconfronteerd.

Verdachte heeft maar zeer beperkt verantwoordelijkheid voor de feiten genomen. Zij geeft weliswaar toe dat zij de bejaarde man heeft gedrogeerd, maar probeert vervolgens haar gedrag te rechtvaardigen door het slachtoffer in een kwaad daglicht te stellen.

Bij de andere feiten heeft zij haar betrokkenheid ontkend. Ter terechtzitting heeft zij een naar het oordeel van de rechtbank leugenachtige houding aangenomen, waarbij het de rechtbank is opgevallen dat zij haar verklaringen steeds lijkt aan te passen om zo gunstig mogelijk voor de dag te komen.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte volgens het uittreksel justitiële documentatie van 14 april 2020 niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Uit de door drs. K.A. Rose over verdachte opgemaakte psychologische rapportage van 6 december 2019 komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken. Daarnaast is sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een persisterende depressieve stoornis, een lichte stoornis in alcoholgebruik en een gokstoornis.

De antisociale kenmerken bij verdachte uiten zich in een gemis aan emotionele verbinding met andere mensen, waardoor het voor haar makkelijker is om handelingen uit te voeren die een ander kunnen schaden. Ze kan makkelijker over maatschappelijke normen en regels heenstappen als het haar beter uitkomt, waardoor ze minder last heeft van medeleven, berouw of schaamte en handelt vanuit haar eigen perspectief en behoeftes. Passend bij antisociale kenmerken rechtvaardigt ze haar gedrag door de overtuiging dat ze anderen slechts terugpakt, ongeacht of dit nu een persoonlijke vete is of niet en ongeacht of het motief nu financieel gewin is geweest of wraak. De wereld is tegen haar, dus is zij tegen de wereld en het is geoorloofd om misbruik te maken van anderen, omdat anderen dat ook bij haar doen. Deze cognities hangen samen met haar persoonlijkheidsproblematiek.

De psycholoog adviseert om verdachte het tenlastegelegde enigszins verminderd toe te rekenen. De kans op recidive is verhoogd.

Verdachte beschikt wel over praktische en cognitieve vaardigheden om problemen op te lossen, maar doordat ze haar eigen problemen minimaliseert, ziet ze geen reden tot gedragsverandering. Doordat verdachte geïsoleerd leeft wordt ze weinig gecorrigeerd of aangespoord tot gedragsverandering.

Om het recidiverisico te beperken zijn interventies nodig op het gebied van haar probleeminzicht, verantwoordelijkheidsgevoel, haar antisociale kenmerken en haar gokverslaving. De psycholoog adviseert een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel.

In het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 4 mei 2020 is te lezen dat verdachte in een sociaal isolement leeft. Ze heeft geen vrienden en kennissen. Zij zegt geen behoefte te hebben aan andere mensen en is graag op zichzelf. Voor haar aanhouding dronk zij een fles wijn per dag. Ze gaat regelmatig naar het casino om te gokken. De reclassering adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling bij De Waag, een alcoholverbod en een contactverbod met het slachtoffer in zaak A.

Verdachte heeft schaamteloos misbruik gemaakt van de afhankelijkheid en kwetsbaarheid van de bejaarde slachtoffers. De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de feiten een forse gevangenisstraf rechtvaardigen.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf ligt het zwaartepunt bij de bewezen verklaarde diefstal met geweld in zaak A. De LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting nemen voor een overval in een woning met licht geweld een gevangenisstraf van drie jaar als uitgangspunt. Als strafverhogende omstandigheden weegt de rechtbank mee de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de gewiekste wijze waarop verdachte het vertrouwen van het slachtoffer heeft gewonnen. In combinatie met de bewezen verklaarde feiten in zaak B, waarbij eveneens sprake was van kwetsbare slachtoffers, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van vier jaar, met aftrek van voorarrest, zoals geëist door de officier passend en geboden is. Daarin heeft de rechtbank verdisconteerd dat zij verdachte voor de feiten enigszins verminderd toerekeningsvatbaar acht. De rechtbank zal aan verdachte geen voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden opleggen. Gezien de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het de voorkeur dat pas ten tijde van de voorwaardelijke invrijheidstelling beoordeeld wordt of, en ja welke, behandelingen en interventies noodzakelijk zijn.

De rechtbank ziet een reëel gevaar dat verdachte zich opnieuw zal schuldig maken aan het plegen soortgelijke strafbare feiten. Zij is daarom van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis, die loopt tot het moment van de uitspraak, niet zal worden gecontinueerd. Zij wijst daarom het ter terechtzitting gedane verzoek van de raadsman, om de schorsing van de voorlopige hechtenis ook na de uitspraak voort te laten duren en verdachte in de gelegenheid te stellen een eventueel hoger beroep in vrijheid af te mogen wachten, af.

7.4.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.4.1.

De benadeelde partij [naam 1] vordert € 85,- aan vergoeding van materiële schade (€ 40, contant en € 45 aftershave) en € 2.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Verdachte heeft verklaard dat zij bereid is de door de benadeelde partij gevorderde schade te vergoeden. De raadsman is van mening dat de vordering slechts voor en deel kan worden toegewezen, omdat het gevorderde immateriële schadebedrag te hoog is.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Als gevolg van de door verdachte toegediende drogerende stoffen is de benadeelde partij ten val gekomen, waarna hij langere tijd in hulpeloze toestand in zijn woning heeft moeten doorbrengen. Nadat een zoon van aangever hem had gevonden is hij naar het ziekenhuis overgebracht waar hij aan zijn verwondingen is behandeld. Het herstel heeft geruime tijd in beslag genomen, maar zijn algehele toestand is na het gebeuren blijvend achteruit gegaan. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (27 april 2019).

Omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de ten laste gelegde diefstal van

€ 40,- uit de portemonnee en de diefstal van een fles aftershave niet is ten laste gelegd, komen deze schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet ontvankelijk verklaren in dit deel van de gevorderde materiële schade.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak A onder 1 en 2 bewezengeachte is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (27 april 2019).

7.4.2.

De benadeelde partij [benadeelde partij], nabestaande van het slachtoffer [naam 4] , vordert

€ 1.139,40,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft, gezien zijn pleidooi tot vrijspraak van het in zaak B onder 5 en 6 tenlastegelegde, betoogd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank stelt vast dat de dochter van het slachtoffer, [benadeelde partij] , zich als nabestaande en wettelijk erfgenaam van het slachtoffer, namens haar als benadeelde partij heeft gesteld. Ingevolge artikel 51f, tweede lid, Sv kunnen de erfgenamen van (kort gezegd) een slachtoffer zich voegen in het strafproces, indien het slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit is overleden. Deze situatie doet zich in deze zaak niet voor. Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 25 juli 2011 (ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2933) is de rechtbank echter van oordeel dat de erfgenamen van een slachtoffer zich ook, namens het slachtoffer, als benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen in het geval (I) het slachtoffer overlijdt nadat hij zich als benadeelde partij heeft gevoegd, maar voordat op de vordering is beslist en (II) het slachtoffer overlijdt voordat hij zich formeel als benadeelde partij heeft kunnen voegen, mits duidelijk is dat het slachtoffer de geleden schade op de verdachte wilde verhalen en zich daartoe in het strafproces zou hebben gevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank doet laatstgenoemde situatie zich in de onderhavige zaak voor. In haar aangifte op 6 november 2016 heeft het slachtoffer [naam 4] duidelijk en expliciet aangegeven dat zij de schade wil verhalen op de verdachte en dat zij op de hoogte wil worden gehouden van het strafrechtelijk onderzoek. Gelet op dit wilsbesluit van het slachtoffer is de rechtbank van oordeel dat de dochter van het slachtoffer, de wettelijk erfgenaam, zich, namens het slachtoffer, kan voegen in het strafproces.

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 5 en 6 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Zij waardeert deze schade op een bedrag van € 1.079,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (3 november 2016). Dit betreft de twee door verdachte op 3 november 2016 met de bankpas van [naam 4] opgenomen geldbedragen van € 500,-, een bedrag van € 1,30 parkeergeld dat verdachte op diezelfde dag met de bankpas van [naam 4] heeft betaald en een bedrag van € 78,40 aan reiskosten in verband met het doen van aangifte.

Omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de ten laste gelegde geldopnames met de bankpas van [naam 4] op 10 oktober 2016 van € 50,40 en € 9,95 komen deze schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de gevorderde materiële schade met betrekking tot deze transacties.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak B onder 5 en 6 bewezengeachte is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.079,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (3 november 2016).

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 310, 311, 312 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde:

diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden;

ten aanzien van het in zaak A onder 2 en in zaak B onder 2, 4 en 6 bewezenverklaarde:

telkens diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

ten aanzien van het in zaak B onder 1 en 5 bewezenverklaarde:

telkens diefstal;

ten aanzien van het in zaak B onder 3 bewezenverklaarde:

oplichting.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [naam 1] gedeeltelijk toe, tot € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) (immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 april 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] , € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade
(27 april 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 35 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [benadeelde partij] , nabestaande van het slachtoffer [naam 4] , gedeeltelijk toe tot € 1.079,70 (duizend negenenzeventig euro en zeventig cent) (materiële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 november 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] , € 1.079,70 (duizend negenenzeventig euro en zeventig cent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade
(3 november 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. J.G. Vegter en Ch.A. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juni 2020.