Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2766

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
29-07-2020
Zaaknummer
13/751914-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB België; interneringsmaatregel; overlevering toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751914-19

RK nummer: 19/6496

Datum uitspraak: 2 juni 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 november 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 19 juni 2019 door het Parket van de procureur des Konings te Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] (België),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] te [woonplaats] ,

gedetineerd in [naam PI] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 januari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Bij tussenuitspraak van 28 januari 2020 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit informatie over de huidige stand van zaken betreffende de detentieomstandigheden van personen met een (ernstige) psychiatrische stoornis aan wie een interneringsmaatregel voor onbepaalde tijd is opgelegd, met name in de afdeling tot bescherming van de maatschappij van de strafinrichting Turnhout en de inrichting voor sociaal verweer in Merksplas.


Op 18 februari 2020 is het onderzoek met toestemming van partijen voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing van het onderzoek bevond. Gehoord zijn de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek, de opgeëiste persoon en zijn raadsman.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. De rechtbank is niet tot schorsing van de overleveringsdetentie overgegaan en verwijst in dat verband naar de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:729). Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak sprake van groot vluchtgevaar dat niet door het opleggen van passende maatregelen tot aanvaardbare proporties kan worden teruggebracht.

De rechtbank heeft op 3 maart 2020 een tussenuitspraak gedaan waarbij het onderzoek is heropend en heeft het onderzoek geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen om een reactie op de informatie van de Afdelingspsycholoog bij het FPC Antwerpen ten aanzien van de hiervoor genoemde afdelingen in Merksplas en Turnhout, met name gelet op de mededeling dat in deze afdelingen veelal wordt ingezet op ogenschijnlijke stabilisatie van het toestandsbeeld door middel van het overmatig toedienen van sederende medicatie.

Op 19 mei 2020 is het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing van het onderzoek bevond. Gehoord zijn de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek, de opgeëiste persoon, via een telehoorverbinding, en zijn raadsman.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft.

3 Tussenuitspraak van 28 januari 2020

De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 28 januari 2020. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4 Interneringsmaatregel van onbepaalde duur

4.1

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar de overwegingen onder punt 5.3 van de tussenuitspraak van 28 januari 2020; ook deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4.2

De raadsman heeft betoogd dat gelet op de stukken die hij heeft ingebracht de rechtbank haar oordeel moet herzien ten aanzien van de garantie dat de opgeëiste persoon binnen uiterlijk vier maanden op een FPC wordt geplaatst. Uit deze stukken blijkt namelijk dat plaatsing in een FPC binnen vier maanden in de praktijk niet is te realiseren en dat uiteindelijk de FPC over de plaatsing beslist. De Belgische Staat kan dus geen garantie tot plaatsing binnen vier maanden in een FPC geven. Er is dus sprake van dreigende langdurige periode van niet-behandelen.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de ingebrachte stukken niet maken dat de rechtbank op haar eerdere beslissing over dit onderwerp terugkomt. De omstandigheden die in de overgelegde stukken worden geschetst, zijn reeds bij het oordeel in de tussenuitspraak van 3 maart 2020 meegewogen. De rechtbank verwijst dan ook in dit kader naar de overwegingen onder punt 4.5.1 van de tussenuitspraak van 3 maart 2020; ook deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Daarnaast merkt de rechtbank op dat de officier van justitie heeft aangeboden om te monitoren dat deze garantie wordt nageleefd.

4.3.1

De raadsman voert verder aan dat sprake is van een reëel gevaar voor een onmenselijke of vernederendere behandeling van personen die gedetineerd zitten op een psychiatrische afdeling, nu daar veelal wordt ingezet op ogenschijnlijke stabilisatie van het toestandsbeeld door middel van het overmatig toedienen van sederende medicatie. De aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 29 april 2020 strookt niet met de het beeld dat in tal van bronnen (CPT, De Morgen, de Belgische wet, mr. Verpoorten, psycholoog mevrouw Slootmans en tal van overgelegde uitspraken) wordt geschetst. Daarnaast is psychiater mevrouw Kluiver niet werkzaam op de afdeling waar de opgeëiste persoon zou moeten worden geplaatst en psycholoog Slootmans wel. Het is dus onwaarschijnlijk dat psychiater Kluiver iets kan zeggen over de omstandigheden op de afdeling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijk zal worden geplaatst. De overlevering moet daarom worden geweigerd op grond van artikel 11 OLW, aldus de raadsman.

Subsidiair verzoekt de raadsman om schorsing van het onderzoek om meer duidelijkheid te vragen aan de Belgische autoriteiten over de mededelingen van psycholoog.

4.3.2

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 29 april 2020 en met name de brief van psychiater Kluiver blijkt dat de mededeling van psycholoog Slootmans niet klopt. Psychiater Kluiver ontkent niet dat medicatie wordt gegeven maar uitsluitend als het toestandsbeeld dat vereist. Ze geeft aan dat (overmatige) sedatie nooit een doel op zich is. De overlevering kan worden toegestaan.

4.3.3

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn standpunt en overweegt hiertoe als volgt. In de voornoemde aanvullende informatie van 29 april 2020 met verwijzing naar de bijgevoegde brieven van de Hoofdgeneesheer van de FPC Antwerpen en de psychiater Kluiver wordt afstand genomen van de mededelingen van de psycholoog Slootmans en de uitleg over de behandeltrajecten op de Afdelingen ter Bescherming van de Maatschappij in de gevangenissen Merksplas en Turnhout. De rechtbank gaat, op grond van het vertrouwensbeginsel, uit van de juistheid van de inhoud hiervan. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Gelet op het voorgaande staat het bepaalde in artikel 4 van het Handvest niet in de weg aan het nemen van een (positieve) beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het onderzoek te schorsen om nadere vragen te stellen.

5 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 138, 180, 285b, 300 en 350 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Parket van de procureur des Konings te Antwerpen (België).

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. H.P. Kijlstra en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 2 juni 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.