Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2756

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
04-06-2020
Zaaknummer
13/752058-19
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Litouwen ten behoeve van executie; overlevering toegestaan; geen reëel gevaar meer voor onmenselijke of vernederende behandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752058-19

RK nummer: 19/6403

Datum uitspraak: 2 juni 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 november 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 16 september 2019 door Klaipéda Regional Court (Litouwen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1979,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [plaats detentie],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 januari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp en door een tolk in de Litouwse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst in afwachting van de vertaling van het bericht van de Litouwse autoriteit over de detentieomstandigheden dat op de dag van de zitting is binnengekomen.

De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling voortgezet op de openbare zitting van 30 januari 2020 in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing van 9 januari 2020 bevond. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp en door een tolk in de Litouwse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst.

De behandeling van de vordering is, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de openbare zitting van 19 mei 2020 in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing van

30 januari 2020 bevond. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon, via een telehoorverbinding aanwezig, is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp en door een tolk in de Litouwse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een Judgement of the District Court of Šiluté region of the 6th of april 2017 in criminal case no. 1-7-351/2017; Judgement of the District Court of Tauragé, Chamber of Šiluté of the 26th of February 2018 in criminal case no. 1-69-1069/2018; ruling of the District Court of Tauragé, Chamber of Šiluté of the 13th of September 2018 in criminal case no. T-497-204/2018.

In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 5 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

  • -

    openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

  • -

    medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

  • -

    medeplegen van mishandeling;

  • -

    diefstal.

5. Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest)

5.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman voert aan dat de overlevering ontoelaatbaar is vanwege de detentieomstandigheden. De door het Comité voor de preventie van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT) geconstateerde zorgen ten aanzien van Pravieniškés Prison, in het bijzonder wat betreft “interprisoner violence” is niet weggenomen met de aanvullende informatie van april 2020 van de Litouwse autoriteiten. De overlevering moet daarom worden geweigerd.

5.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden geen belemmering vormt voor overlevering. Gelet op de aanvullende informatie van april 2020 is het reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling weggenomen.

5.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft eerder, op 20 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:6202), in een andere overleveringszaak geoordeeld dat een reëel gevaar bestaat voor onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) in de Litouwse detentie-instellingen: Alytus Correction Home, Marijampolė Correction Home en Pravieniškės Prison, waar Pravieniškės Correctional House–Open Colony onderdeel van is.

De rechtbank is tot deze conclusie gekomen op grond van het meest recente rapport van het Comité voor de preventie van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT) dat is uitgebracht naar aanleiding van het bezoek van het CPT aan Litouwen in 2018, waarin buitengewone niveaus van geweld, intimidatie en uitbuiting zijn beschreven. Het gaat om zowel onderling geweld tussen gedetineerden als excessief geweld door beveiligers om aan deze situaties een einde te maken. Dit is het gevolg van ruime aanwezigheid van drugs, alcohol, telefoons en steekwapens enerzijds en zeer geringe aanwezigheid van gevangenismedewerkers en soms ook corruptie bij deze medewerkers anderzijds.

Daarom heeft de rechtbank bij voornoemde tussenuitspraak van 23 januari 2020 de beslissing over het overleveringsverzoek uitgesteld.

In de aanvullende informatie van april 2020 van het Prison Department under the Ministry of Justice of the Republic Lithuania staat dat personen die via een EAB aan Litouwen worden overgeleverd in een bepaald aantal detentie-instellingen worden geplaatst, waar Pravieniškės Correctional House–Open Colony er één van is.

Verder staat in voornoemde aanvullende informatie samengevat dat er sprake is van persoonlijke ruimte van 7 m² in een éénpersoonscel en tenminste 6 m² in een meerpersoonscel in nieuwe en gerenoveerde detentie-instellingen en dat de cellen die door het CPT te klein zijn bevonden in de detentie-instellingen (waaronder Pravieniškės Prison) niet langer in gebruik zijn. Daarnaast wordt vermeld wat de compenserende factoren binnen de detentie-instelling zijn, zoals onbeperkte toegang tot water- en sanitaire voorzieningen, ventilatiesystemen alsook toegang tot buitenlucht en sportvoorzieningen. Ook wordt vermeld welke maatregelen er zijn genomen om gedetineerden tegen geweld binnen de detentie-instellingen te beschermen. Zo is de structuur van the Criminal Intelligence Board gecentraliseerd en worden hun werkzaamheden vermeld. Ook worden alle geweldsincidenten door hen onderzocht. Daarnaast wordt vermeld op welke wijze de preventie van het geweld binnen de detentie-instelling plaatsvindt. Genoemd wordt onder meer dat er intensief contact met de gedetineerden is en dat bij geweld betrokken gedetineerden van elkaar worden gescheiden en dat zelfs de aanstichter van het geweld in een andere detentie-instelling kan worden geplaatst.

De rechtbank is, met de officier van justitie en anders dan de raadsman, van oordeel dat gelet op deze informatie geen reëel gevaar meer bestaat voor een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest, ten aanzien van opgeëiste personen die na overlevering in Litouwen gedetineerd worden.

Gelet op het voorgaande staat het bepaalde in artikel 4 van het Handvest niet in de weg aan het nemen van een (positieve) beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47, 141, 282 en 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Klaipéda Regional Court (Litouwen).

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. H.P. Kijlstra en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 2 juni 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.