Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2706

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
C/13/682990 / KG ZA 20-373
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG advocaat die voor cliënt in rechte heeft opgetreden is niet zonder meer bevoegd nadien een schikking te treffen, althans de wederpartij mag niet zonder meer op die bevoegdheid vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/682990 / KG ZA 20-373 MDvH/MV

Vonnis in kort geding van 28 mei 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RAPPANGE ADMINISTRATIE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie bij dagvaarding van 1 mei 2020,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W.J. [advocaat van Rappange] te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te Amsterdam,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. M.A. Johannsen te Amsterdam.

2. [gedaagde 2],

wonende te Amsterdam,
gedaagde,
niet verschenen.

Partijen zullen hierna Rappange, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd.

1 De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 14 mei 2020 heeft Rappange de dagvaarding toegelicht. [gedaagde 1] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening, en vervolgens een vordering in reconventie ingesteld.
Rappange heeft de vordering in reconventie bestreden.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

[betrokkene] van Rappange met mr. [advocaat van Rappange] ;

[gedaagde 1] met mr. Johannsen.
Na verder debat is vonnis bepaald op 28 mei 2020.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1] huurt sinds 1 april 1990 de woning aan de [betrokkene] te Amsterdam van Rappange.

2.2.

In de huurovereenkomst en de bijbehorende toepasselijke algemene bepalingen staat dat het niet is toegestaan om de woning zonder toestemming van de verhuurder geheel of gedeeltelijk aan derden in onderhuur of in gebruik te geven.

2.3.

Sinds 2012 woont [gedaagde 2] in de woning. Sinds ongeveer juli 2018 woont ook de meerderjarige zoon van [gedaagde 2] in de woning.

2.4.

Bij dagvaarding van 4 juli 2019 heeft Rappange bij de kantonrechter van deze rechtbank – kort gezegd – gevorderd de huurovereenkomst met [gedaagde 1] te ontbinden, alsmede ontruiming van de woning.

2.5.

Bij vonnis van 17 januari 2020 heeft de kantonrechter de vorderingen van Rappange toegewezen. De kantonrechter heeft de huurovereenkomst tussen Rappange en [gedaagde 1] ontbonden, omdat [gedaagde 1] de woning in strijd met de huurovereenkomst in gebruik heeft gegeven aan [gedaagde 2] en zijn zoon. De ontruiming is uitgesproken op een termijn van vier weken, vanaf de betekening van dit vonnis, met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In het vonnis is, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“(…)

3. Aan haar vordering legt Rappange ten grondslag dat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst door de woning zonder toestemming in gebruik te geven aan [gedaagde 2] en diens zoon en daar zelf niet zijn hoofdverblijf te hebben.

(…)

6. Niet betwist is dat [gedaagde 2] en diens zoon [naam 1] in de woning wonen, zonder dat daarvoor toestemming is gevraagd of verkregen van de verhuurder of Rappange. Volgens Rappange is daarmee sprake van verboden ingebruikgeving. Gedaagden voeren aan dat geen sprake is van verboden ingebruikgeving, maar dat [gedaagde 1] met [gedaagde 2] en diens zoon [naam 1] samenleeft in de woning en een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert. Rappange heeft betwist dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen gedaagden.

(…)

9. Los van dit alles is het de vraag of [gedaagde 1] voldoende tijd in de woning doorbrengt om te kunnen spreken van een gemeenschappelijke huishouding met [gedaagde 2] en diens zoon. [gedaagde 1] heeft op de zitting verklaard dat hij jaarlijks zo’n 4 tot 6 maanden per jaar in Marokko verblijft. Dat roept vragen op over het duurzame karakter van de samenwoning van deze drie personen. Daar komt bij dat de gestelde samenwoning van drie volwassen personen op een relatief bescheiden woonoppervlakte van 33m2 een nadere toelichting verdient. Een behoorlijke onderbouwing van [gedaagde 1] of [gedaagde 2] is op deze punten echter uitgebleven.

10. Het voorgaande leidt ertoe dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen gedaagden. De conclusie is dat het inwonen van [gedaagde 2] (en [naam 1] ) in de woning niet is toegestaan zonder toestemming van de verhuurder of Rappange. Niet betwist is dat deze toestemming nooit is verleend. [gedaagde 1] is op dit punt dus tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst.

11. Slechts een tekortkoming van voldoende gewicht geeft recht op ontbinding van de huurovereenkomst. De beoordeling van de vraag of ontbinding gerechtvaardigd is moet geschieden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Gedaagden hebben zich met betrekking tot deze kwestie op het standpunt gesteld dat de tekortkoming, gezien haar geringe betekenis, de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt. (…)

(…)

14. Ten slotte is de kantonrechter van oordeel dat het belang van Rappange tot beëindiging van de huurovereenkomst bij verboden ingebruikgeving zwaarder weegt dan het persoonlijk woonbelang van gedaagden, hoewel [gedaagde 1] de woning al bijna 30 jaar huurt. Daarbij speelt een rol dat [gedaagde 1] verklaard heeft de laatste jaren ongeveer 4 tot 6 maanden per jaar in Marokko te verblijven, wat zijn woonbelang minder zwaar doet wegen. (…)

(…)

BESLISSING

(…)

II. veroordeelt [gedaagde 1] om de woning met al wie en al wat zich daarin vanwege [gedaagde 1] bevindt, waaronder [gedaagde 2] , binnen vier weken na de betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten (…)

(…)”.

2.6.

Advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de procedure bij de kantonrechter was mr. [naam 2] .

2.7.

Bij brief (e-mail) van 20 januari 2020 heeft mr. [advocaat van Rappange] namens Rappange mr. [naam 2] verzocht uiterlijk 24 januari 2020 schriftelijk te bevestigen dat de woning 2 maart 2020 zou zijn ontruimd en dat de proceskosten binnen veertien dagen zouden zijn voldaan.

2.8.

Op 23 januari 2020 heeft mr. [naam 2] aan mr. [advocaat van Rappange] als volgt bericht:

“Zoals zojuist besproken heb ik het vonnis doorgenomen met cliënten en willen zij hiertegen in hoger beroep. Om deze zaak niettemin finaal te beslechten en zodoende partijen, tijd, geld en energie te besparen doe ik u namens cliënten het volgende voorstel:

- Cliënten verlaten de woning uiterlijk 1 september 2020. Al dan niet middels een urgentieverklaring bij de gemeente (een dergelijke procedure duurt enkele maanden). (…) Als tegenprestatie zijn cliënten bereid van maart t/m augustus 2020 dubbele huur te betalen (= € 458,-).

- Een tegemoetkoming in de verhuiskosten ad €6.095,-.

- Uw cliënte ziet af van de –door de rechtbank- uitgesproken proceskosten.

Ik verneem graag uw reactie.”

2.9.

Nog dezelfde dag heeft mr. [advocaat van Rappange] aan mr. [naam 2] per e-mail als volgt gereageerd:

“Rappange is niet akkoord met uw voorstel.

Wat mogelijk nog – ter finale beslechting van het geschil – een oplossing zou kunnen zijn, is het volgende:

- Het gehuurde wordt uiterlijk 1 september 2020 leeg en ontruimd aan Rappange opgeleverd;

- Voor elke maand dat het gehuurde eerder wordt opgeleverd dan 1 september 2020, ontvangt huurder van Rappange een vergoeding van EUR 750,-- met een maximum van EUR 4.500,--;

- Tot de datum van de oplevering (laatstelijk 1 september 2020) wordt door huurder maandelijks een huurprijs van EUR 500,-- voldaan;

- De proceskosten worden niet verhaald op uw cliënten;

- Uw cliënten stellen geen hoger beroep in;

(…)”.

2.10.

Dit voorstel heeft mr. [naam 2] de volgende dag, 24 januari 2020, geaccepteerd als volgt:

“Onderstaand voorstel is akkoord. Cliënten zullen uiterlijk 31 augustus 2020 de woning opleveren.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.”

2.11.

Per e-mail van dezelfde dag heeft mr. [advocaat van Rappange] aan mr. [naam 2] het volgende geschreven:

“Ik bespreek het met cliënte. Ik kan mij voorstellen dat de afspraken in een vso worden vastgelegd, met een dwangsomveroordeling in het geval de afspraken niet worden nagekomen.

Ik bericht u nog even.”

2.12.

Hierop heeft mr. [naam 2] vrijwel meteen per e-mail gereageerd dat dat niet nodig is:

“Uw cliënte heeft immers een executoriale titel middels het vonnis.

Als mijn cliënten op 31 augustus a.s. de woning niet uit zijn dan kan de deurwaarder worden ingeschakeld voor een directe ontruiming. Echter cliënten hebben duidelijk toegezegd de woning voor 1 september 2020 te verlaten”

2.13.

Met ingang van februari 2020 betaalt [gedaagde 1] per maand een huurprijs van € 500,-.

2.14.

Op 25 februari 2020 heeft mr. Johannsen namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan Rappange bij exploot laten aanzeggen dat zij in hoger beroep komen van het vonnis van de kantonrechter.

2.15.

Mr. [advocaat van Rappange] heeft vervolgens contact opgenomen met mr. [naam 2] die hem liet weten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet meer bij te staan, waarna hij per e-mail van 27 februari 2020 mr. Johannsen heeft gewezen op de tussen hem en mr. [naam 2] gemaakte afspraken. Daarop meldde mr. Johannsen dat [gedaagde 1] mr. [naam 2] geen opdracht had gegeven om afspraken in der minne te maken (bevestigd per e-mail van 11 maart 2020).

2.16.

Bij herstelexploot van 16 maart 2020 is de eerdere aanzegging hoger beroep gerectificeerd, in die zin dat het hoger beroep alleen namens [gedaagde 1] wordt aangezegd. Per e-mail van 20 april 2020 heeft mr. Johannsen bevestigd dat zij inderdaad alleen voor [gedaagde 1] optreedt.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Rappange vordert – kort gezegd – het volgende:
I. [gedaagde 1] op straffe van dwangsommen te veroordelen de met Rappange gemaakte afspraken na te komen, door
a. het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in te trekken;
b. deze intrekking niet ongedaan te maken;
c. tijdig de huurprijs van € 500,- per maand te voldoen;
d. de woning uiterlijk 1 september 2020 te ontruimen;
II. [gedaagde 2] op straffe van dwangsommen te veroordelen de met Rappange gemaakte afspraken na te komen, door
a. de woning uiterlijk 1 september 2020 te ontruimen;
III. elke andere voorziening te treffen die de voorzieningenrechter passend acht;
IV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Rappange stelt hiertoe – kort gezegd – dat tussen partijen (via hun advocaten) een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde 1] heeft afgezien van hoger beroep en is gehouden de woning uiterlijk 1 september 2020 te ontruimen. Rappange verwijst naar de hiervoor onder 2.8 - 2.12 weergegeven correspondentie tussen de advocaten.

3.3.

[gedaagde 1] voert verweer. Hij stelt dat hij geen opdracht heeft gegeven aan mr. [naam 2] om namens hem deze overeenkomst aan te gaan en dat hij daaraan dus niet is gebonden. Van schijn van volmachtverlening is geen sprake. Mr. [naam 2] had slechts opdracht hem bij te staan tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde 1] vordert – kort gezegd – het volgende:
I. Rappange op straffe van dwangsommen te verbieden over te gaan tot executie van het vonnis van 17 januari 2020 totdat in het hoger beroep is beslist;
II. de uitvoering van de vermeende overeenkomst van 24 januari 2020 te schorsen, zodat die overeenkomst niet langer voor [gedaagde 1] geldt;
III. ongedaanmaking van de ongerechtvaardigde verrijking van Rappange;
IV. met veroordeling van Rappange in de kosten van dit geding.

4.2.

Rappange voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Tegen de niet-verschenen gedaagde [gedaagde 2] wordt verstek verleend.

5.2.

Rappange, althans mr. [advocaat van Rappange] , heeft er op grond van het enkele feit dat mr. [naam 2] advocaat is niet vanuit mogen gaan dat hij bevoegd was namens [gedaagde 1] een regeling overeen te komen. Artikel 80 lid 3 Rv geldt alleen voor het optreden in rechte en het verrichten van proceshandelingen. Buiten rechte gelden de ‘gewone’ regels voor schijn van volmachtverlening zoals ontwikkeld in de jurisprudentie. Hoewel begrijpelijk is dat mr. [advocaat van Rappange] heeft aangenomen dat mr. [naam 2] namens [gedaagde 1] handelde toen hij – vlak nadat de kantonrechter vonnis had gewezen – aan mr. [advocaat van Rappange] een schikkingsvoorstel deed, heeft hij geen feiten en omstandigheden gesteld die [gedaagde 1] betreffen en die rechtvaardigen dat deze in zijn verhouding tot Rappange het risico moet dragen van de onbevoegde vertegenwoordiging als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671 (ING/Bera)).

5.3.

Rappange – mr. [advocaat van Rappange] – heeft allereerst slechts (vele) feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat mr. [naam 2] [gedaagde 1] in de procedure bij de kantonrechter mocht vertegenwoordigen en heeft vertegenwoordigd. Het enkele feit dat mr. [naam 2] [gedaagde 1] heeft vertegenwoordigd in die procedure, is echter niet voldoende om aan te (mogen) nemen dat hij ook bevoegd was namens hem een schikking te treffen (vgl. HR 3 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:277, JOR 2017/150, m.nt. S.C.J.J. Kortmann, HR 16 juni 1967, ECLI:NL:HR:1967:AC4753, NJ 1967, 340, m.nt. G.J. Scholten en Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004/43). Verder heeft Rappange aangevoerd dat zij erop mocht vertrouwen dat ook [gedaagde 1] achter de getroffen regeling stond, omdat hij na totstandkoming van de regeling de daarin overeengekomen hogere huur (gebruiksvergoeding) is gaan betalen. Dit enkele feit legt echter onvoldoende gewicht in de schaal, aangezien – zoals zijdens [gedaagde 1] onweersproken is aangevoerd – deze hogere huur wordt afgeschreven van de bankrekening van [gedaagde 1] op grond van een (door Rappange zelf) aangepaste incassomachtiging en reeds op 25 februari 2020 (dus in de eerste maand waarvoor de hogere huur is afgeschreven) het hoger beroep is aangezegd. Aan deze huurbetaling(en) heeft Rappange dan ook niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat [gedaagde 1] mr. [naam 2] opdracht had gegeven de regeling namens hem te treffen. Ook de omstandigheid dat mr. [naam 2] voorafgaand aan de procedure bij de kantonrechter heeft geprobeerd de zaak in der minne te regelen, legt onvoldoende gewicht in de schaal, te meer nu het voorstel dat mr. [naam 2] toen deed niet zag op beëindiging van de huurovereenkomst.

5.4.

Dit alles leidt voorshands tot de conclusie dat [gedaagde 1] niet gebonden is aan de tussen mr. [naam 2] en mr. [advocaat van Rappange] (namens Rappange) overeengekomen regeling. Dat mr. [naam 2] kennelijk (ten onrechte) heeft gemeend namens [gedaagde 1] met mr. [advocaat van Rappange] deze regeling te kunnen treffen en zelf bij mr. [advocaat van Rappange] de schijn heeft opgewekt dat hij dat mocht doen, kan [gedaagde 1] niet worden tegengeworpen. Als hij onbevoegd heeft gehandeld, is dat het probleem van mr. [naam 2] . Mr. [naam 2] moet immers instaat voor zijn volmacht (artikel 3:70 BW).

5.5.

Dit betekent dat de vorderingen zullen worden afgewezen, nu deze alle zijn gebaseerd op (nakoming van) de tussen mr. [naam 2] en mr. [advocaat van Rappange] (namens Rappange) overeengekomen regeling. Rappange zal tevens in de proceskosten van [gedaagde 1] worden veroordeeld.

5.6.

Ten aanzien van [gedaagde 2] geldt dat de vorderingen, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, ongegrond voorkomen. Ook ten aanzien van hem zullen de vorderingen dus worden afgewezen.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

[gedaagde 1] stelt dat hij in de procedure bij de kantonrechter onvoldoende is bijgestaan door mr. [naam 2] . Mr. [naam 2] heeft slechts een twee pagina’s omvattende conclusie van antwoord ingediend met weinig inhoud en zonder enige bewijslevering. Uit de vier in dit kort geding overgelegde verklaringen volgt, aldus [gedaagde 1] , dat hij wel degelijk zelf in de woning woont. Er is dan ook sprake van een feitelijke misslag en bij een juiste procesvoering had de kantonrechter anders geoordeeld. Bovendien zal in geval Rappange overgaat tot ontruiming bij [gedaagde 1] een noodtoestand ontstaan. [gedaagde 1] is op leeftijd en zal op straat komen te staan.

6.2.

Sinds het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) geldt in een executiegeschil (de vordering onder I) het volgende. Uitgangspunt blijft dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis direct ten uitvoer kan worden gelegd, nog voordat in hoger beroep is beslist. Het vonnis van de kantonrechter van 17 januari 2020 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zonder motivering van die beslissing. In dat geval kan afwijking van het hiervoor genoemde uitgangspunt – volgens de Hoge Raad in het hiervoor genoemde arrest van 20 december 2019, r.o. 5.6.2 – worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Hieraan ligt onder meer de gedachte ten grondslag dat, in het geval de eerste rechter een niet gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarheid bij voorraad, moet worden aangenomen dat daarover nog geen afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden. De rechter in het executiegeschil moet deze afweging daarom alsnog maken. Bij die belangenafweging moet worden uitgegaan van de inhoud van het vonnis en moet de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing worden gelaten, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of het ten uitvoer te leggen vonnis berust op een kennelijke misslag.

6.3.

In dit geval wegen de belangen van [gedaagde 1] bij behoud van de bestaande toestand niet zwaar genoeg om af te wijken van de hoofdregel dat Rappange een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis direct ten uitvoer mag leggen. De voorzieningenrechter gaat hierbij uit van de inhoud van het vonnis van 17 januari 2020. Dat [gedaagde 1] volgens zijn huidige advocaat in die procedure niet goed is bijgestaan, kan naar haar voorlopig oordeel de conclusie dat het vonnis berust op een kennelijke misslag niet dragen. De kantonrechter heeft ter zitting, zo blijkt uit het vonnis, zelfstandig onderzoek gedaan naar de feiten, in het bijzonder naar de vraag of sprake kan zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. [gedaagde 1] heeft in dat verband ter zitting zelf (bijgestaan door een tolk Marokkaans) verklaard dat hij jaarlijks zo’n vier tot zes maanden per jaar in Marokko verblijft en deze verklaring heeft een belangrijke rol gespeeld in de beoordeling. De kans van slagen in het hoger beroep (die volgens [gedaagde 1] groot is en volgens Rappange gering) moet voor de beoordeling buiten beschouwing worden gelaten.

6.4.

In dit kort geding kunnen slechts de belangen worden afgewogen met betrekking tot de vraag of [gedaagde 1] moet wachten met ontruiming tot de uitslag van het hoger beroep bekend is. De belangen die thans door [gedaagde 1] zijn gesteld zien er met name op dat het voor hem bijzonder ingrijpend is dat hij zijn woning kwijtraakt (hij spreekt van een ‘noodtoestand’), maar dat is vanzelfsprekend en er mag dan ook vanuit worden gegaan dat die belangen reeds zijn meegewogen door de kantonrechter in haar beslissing over de ontruiming. Dat de kantonrechter dit heeft meegewogen, blijkt ook uit het vonnis waar (in r.o. 14) is overwogen dat het belang van Rappange tot beëindiging van de huurovereenkomst zwaarder weegt dan het persoonlijk woonbelang van [gedaagde 1] .

6.5.

Dit brengt met zich dat de vordering onder I zal worden afgewezen.

6.6.

De vordering onder II zal in het licht van de beslissing in conventie worden afgewezen wegens gebrek aan belang.

6.7.

Nu, zoals in conventie is beslist, [gedaagde 1] niet is gebonden aan de tussen mr. [naam 2] en Rappange gemaakte afspraken, heeft [gedaagde 1] vanaf februari van dit jaar zonder rechtsgrond de in die afspraken vastgelegde hogere huurprijs betaald. Dit betekent dat Rappange het bedrag aan huur dat maandelijks bovenop de op grond van de huurovereenkomst verschuldigde huur van de bankrekening van [gedaagde 1] is afgeschreven, aan hem zal moeten terugbetalen. Dit betekent dat de vordering onder III zal worden toegewezen.

6.8.

[gedaagde 1] zal in reconventie als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie:

7.1.

verleent verstek tegen de niet-verschenen gedaagde [gedaagde 2] ,

7.2.

weigert de gevraagde voorzieningen,

7.3.

veroordeelt Rappange in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde 1] begroot op € 83,- aan griffierecht en € 980,- aan salaris advocaat, en aan de zijde van [gedaagde 2] begroot op nihil,

7.4.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie:

7.5.

veroordeelt Rappange tot terugbetaling aan [gedaagde 1] van het verschil tussen de op grond van de huurovereenkomst verschuldigde huur en het vanaf februari 2020 maandelijks betaalde bedrag van € 500,-,

7.6.

veroordeelt [gedaagde 1] in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van Rappange begroot op € 980,- aan salaris advocaat,

7.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2020.1

1 type: MV coll: EB