Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2657

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2020
Datum publicatie
07-06-2020
Zaaknummer
C/13/680842 / HA RK 20-79
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek gericht tegen een politierechter is afgewezen. Een rechterlijke (tussen)beslissing kan als zodanig nooit een grond tot wraking zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op ter terechtzitting van 4 februari 2020 gedane en onder rekestnummer C/13/680842 / HA RK 20/79 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum] 1988,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. H.P.H.I. Cleerdin, politierechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

 het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam op 4 februari 2020,

1.2.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

2 De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1.

Bij de rechter zijn zaken tegen verzoeker in behandeling met de parketnummers 13/005978 en 13/021741-20. Op 4 februari 2020 zijn deze zaken ten overstaan van de rechter behandeld. Het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door mr. K. van der Willigen, officier van justitie. Verzoeker - die toen uit anderen hoofde was gedetineerd - werd op de zitting niet bijgestaan door een advocaat omdat hij naar eigen zeggen - blijkens het proces-verbaal - geen geld had om deze te bekostigen en geen gebruik wenste te maken van een toegevoegde advocaat.

2.2.

Blijkens het proces-verbaal wordt verzoeker verdacht van het overtreden van het verblijfsverbod voor het Centraal Station in Amsterdam op 25 januari 2020, het spugen naar verbalisanten, het onbruikbaar maken van een dagverblijf op het politiebureau op 7 januari 2020 door daar te plassen en het beledigen van agenten. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij het recht had om te plassen maar geen agenten heeft beledigd. Hij heeft aangevoerd dat hij wil dat de tolk die bij het verhoor aanwezig was wordt gehoord. Voorts is hij ten onrechte op het Centraal Station aangehouden omdat het gebiedsverbod al was afgelopen en hij het recht heeft om te slapen waar hij wil. Hij heeft aangevoerd dat de politie bij zijn aanhouding op het station geweld heeft gebruikt en dat daarvan camerabeelden moeten zijn.

De rechter heeft verklaard geen noodzaak te zien de verbalisanten of de tolk als getuigen te horen. Verzoeker heeft hierna aangevoerd dat hij geen eerlijk proces kreeg omdat op camerabeelden van het Centraal Station te zien moet zijn dat hij met geweld door de verbalisanten werd aangehouden en hij er niet van op de hoogte was dat hij voorafgaand aan de zitting had moeten verzoeken om getuigen te horen.

2.3.

Nadat de officier van justitie het woord had gevoerd en de strafeis had geformuleerd, heeft verzoeker verklaard: “Ik heb ook bewijs, namelijk de camerabeelden van het Centraal Station te Amsterdam. De politierechter kan op de camerabeelden zien dat de verbalisanten mij op de grond hebben gegooid. Nu de politierechter de camerabeelden niet wil opvragen ontneemt hij mij het recht om bewijs te leveren.” Nadat de politierechter had verklaard dat de beelden niet zouden worden toegevoegd aan het dossier, heeft verzoeker de politierechter gewraakt waarna hij - woedend en schreeuwend – is teruggebracht naar het cellenblok.

2.4.

De politierechter heeft vervolgens als gronden van de wraking in het proces-verbaal laten opnemen: “het afwijzen van het verzoek om camerabeelden op te vragen, nadat een eerder verzoek om getuigen te horen eveneens was afgewezen”.

3 De ontvankelijkheid van het verzoek

3.1.

Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek moet worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden en alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen, zo volgt uit de wet. Voor latere aanvulling van de gronden van het verzoek biedt de wet geen ruimte.

3.2.

Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.

3.3.

In zijn arrest van 25 september 2019 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.

Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.

3.4.

In het licht van dit arrest heeft verzoeker in het geheel niet gemotiveerd waaruit hij (de schijn van) vooringenomenheid van de rechter jegens hem heeft afgeleid.

Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.

4. Op grond van het vorenstaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Wrakingskamer:

 wijst het verzoek tot wraking af.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, A.W.J. Ros en P.B. Martens, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.