Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2626

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
11-06-2020
Zaaknummer
8056592 CV EXPL 19-19929
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ambtshalve toetsen (pre)contractuele informatieverplichtingen. Toepassen sanctie. Vordering toegewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8056592 CV EXPL 19-19929

vonnis van: 9 juni 2020

fno.: 534

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap Eneco Services B.V.

gevestigd te Rotterdam

eisende partij

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

niet verschenen

Verder verloop van de procedure

Bij tussenvonnis van 22 oktober 2019 is eisende partij in de gelegenheid gesteld om het bijgevoegde informatieformulier in te vullen en dit ingevulde formulier en de daarin aangegeven stukken in het geding te brengen, en een kopie hiervan aan gedaagde partij te sturen met de mededeling dat deze hierop kan reageren.

Eisende partij heeft op de rolzitting van 19 november 2019 een akte, met producties, ingediend en daarbij haar vordering verminderd. Gedaagde partij heeft hierop niet gereageerd.

Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing


Eisende partij vordert bij dagvaarding € 500,- onder reservering van het recht op het meerdere. Volgens eisende partij heeft gedaagde partij een aantal facturen (deels) onbetaald gelaten. Het betreft vier voorschotfacturen van ieder € 261,- op één waarvan een betaling van € 211,72 in mindering strekt, zodat in totaal een bedrag van € 832,28 openstond. Ook zijn buitengerechtelijke kosten (€ 79,84) en rente (verschenen rente € 14,11) verschuldigd, aldus eisende partij. Daarop strekt een bedrag van € 300,- dat aan de incassogemachtigde is betaald, in mindering.

Eisende partij stelt dat zij met gedaagde partij met ingang van 7 maart 2018 een overeenkomst is aangegaan die door opzegging door gedaagde wegens een overstap naar een andere leverancier is per 28 september 2018 is geëindigd.

Eisende partij heeft daarbij – voor zover van belang – de volgende stukken overgelegd:
a. een brief aan gedaagde partij van 7 maart 2018 met daarin ‘alle contractinformatie op een rij’ en met leveringsdatum 29 maart 2018 en een looptijd van 4 jaar;

b. contractvoorwaarden Eneco Ecostroom en Aardgas Premium 4 jaar;

c. een overzicht van de geschatte jaarkosten;
d. een modelformulier voor annulering;

e. een ongedateerde e-mail waarin het termijnbedrag wordt vermeld (dat overigens niet afwijkt van het bedrag genoemd in de bevestigingsbrief), de einddatum van het contract (29 maart 2022) en de wijze van betaling;
f. de eindnota van 6 oktober 2018;
g. een aantal overzichten van openstaande termijnbedragen, mogelijk verstuurd per e-mail; h. een brief over de mogelijke beëindiging van het contract wegens een onbetaald gebleven termijnbedrag
i. een overzicht van verschuldigde en betaalde bedragen;
j. een 14-dagenbrief van 8 augustus 2019;

Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.

Verder wordt vastgesteld dat gedaagde partij een consument is, zodat ambtshalve moet worden getoetst of eisende partij aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen heeft voldaan, of sprake is van een oneerlijk beding in de algemene voorwaarden dan wel van oneerlijke handelspraktijken.

Eisende partij stelt dat de overeenkomst via internet is gesloten, zodat sprake is van een overeenkomst op afstand. Op grond van artikel 6:230m lid 1 jo. 6:230v lid 1 BW was eisende partij daarom verplicht om voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst – kort gezegd – op passende, duidelijke en begrijpelijke wijze de in artikel 6:230m lid 1 BW opgesomde informatie aan de consument te verstrekken. Voor wat betreft:
- de voornaamste kenmerken van de zaak of dienst,

- de (totale) prijs en bijkomende kosten,

- de duur van de overeenkomst of, wanneer de overeenkomst voor onbepaalde duur is of stilzwijgend wordt verlengd, de voorwaarden voor opzegging en

- de minimumduur

had eisende partij daarbij, onmiddellijk voorafgaand aan het plaatsen van de bestelling, tevens op een in het oog springende wijze op deze informatie moeten wijzen (zie artikel 6:230v lid 2 jo. 6:230m lid 1 sub a, e, o, p BW).

Het doel van artikel 6:230m lid 1 BW is om de consument de mogelijkheid te geven een weloverwogen besluit te nemen over zijn aankoop. Een verwijzing achteraf naar waar de informatie als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 BW op de website dan wel in de algemene voorwaarden kan worden gevonden is, gelet op voornoemd doel, in beginsel niet afdoende. Op grond van artikel 6:230v lid 7 BW dient eisende partij aan de consument binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst een bevestiging van de overeenkomst te verstrekken (met daarin alle informatie) op een duurzame gegevensdrager, voor zover zij deze informatie niet al voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst op een dergelijke gegevensdrager aan de consument heeft verstrekt.

Wat betreft de precontractuele informatieverplichtingen licht eisende partij toe dat een klant – in dit geval gedaagde partij – via internet diverse stappen doorloopt en via diverse schermen wordt geïnformeerd over de te sluiten overeenkomst. Daarbij worden ook gegevens van de klant gevraagd, waarna de klant de diverse keuzemogelijkheden te zien krijgt. Na te hebben gekozen krijgt de klant de prijs en prijsopbouw (btw, belastingen, vaste kosten e.d.) te zien. Alvorens de definitieve bevestiging van zijn keuze verschijnt een samenvatting met daarin de tarieven en voorwaarden en de klantgegevens.

Eisende partij heeft van het bestelproces geen schermafdrukken overgelegd.

Mede vanwege het ontbreken van een schriftelijke onderbouwing kan uit voorgaande niet worden opgemaakt dat eisende partij, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan al haar informatieverplichtingen jegens gedaagde partij heeft voldaan. Zo heeft zij niet concreet gesteld dat zij gedaagde partij onmiddellijk voor het plaatsen van de bestelling heeft gewezen op de duur van de overeenkomst, voorwaarden voor opzegging en de minimum duur van de overeenkomst, zoals is vereist. Voorts heeft eisende partij niet gesteld en onderbouwd dat zij aan gedaagde partij de overige informatie uit artikel 6:230m lid 1 BW heeft verstrekt, zoals het herroepingsrecht en de modaliteiten voor de uitoefening daarvan en de betaalwijze, zodat ook daarvan niet kan worden uitgegaan.

Wat betreft de contractuele informatieverplichtingen heeft eisende partij gesteld dat de klant de overeenkomst van haar heeft ontvangen en is gewezen op de mogelijkheid tot annuleren. Zij heeft een bevestigingsbrief met bijlagen overgelegd die ruim voor de aanvang van de levering is verstuurd. Uit deze stukken volgt dat afgezien van de betaalwijze (daarop is pas na de aanvang van de levering gewezen in een ongedateerde e-mail), op de meest essentiële informatie is gewezen, zoals het herroepingsrecht en de wijze waarop daarvan gebruik kan worden gemaakt, de startdatum van de levering, looptijd, de kenmerken van de zaak, de tarieven voor energie en de geschatte kosten, zowel per jaar als per maand.

Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat niet gebleken is dat (volledig) aan de precontractuele verplichtingen van artikel 6:230m lid 1 BW is voldaan, maar wel grotendeels aan de contractuele informatieverplichtingen ingevolge artikel 6:230v lid 7 BW.

Gelet op de jurisprudentie van het HvJEU dient de sanctie daarop doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig te zijn. Dat betekent dat de vordering, ook indien voor het overige aan de voorwaarden voor toewijsbaarheid is voldaan, niet zonder meer kan worden toegewezen. Daarvan zou immers een onjuist signaal uitgaan naar handelaren die wel volledig aan hun verplichtingen voldoen. Anderzijds kan een algehele afwijzing van de vordering niet als ‘evenredig’ worden aangemerkt. Een en ander geeft de kantonrechter aanleiding de hoofdsom gedeeltelijk toe te wijzen. Afwijzing van 10% van de toewijsbaar geachte hoofdsom acht de kantonrechter onder de gegeven omstandigheden een doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige sanctie als hiervoor bedoeld.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat 90% van de openstaande facturen toewijsbaar is (€ 749,05) waarop € 300,- is betaald, zodat door gedaagde partij € 449,05 aan hoofdsom verschuldigd is.

Hoewel buitengerechtelijke kosten en rente berekend zijn over een te hoog bedrag, word dit verschil onvoldoende groot geacht om deze posten geheel af te wijzen. Wel worden de buitengerechtelijke kosten iets verminderd en gesteld op € 67,35 en de reeds verschenen rente op € 10,-.

Al deze bedragen tezamen (€ 526,40) overstijgen de tot € 500,- beperkte vordering, zodat deze geheel wordt toegewezen.

Als de in het ongelijk gestelde partij, wordt gedaagde partij veroordeeld in de kosten van het geding.


BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde partij tot betaling aan eisende partij van € 500,-, met daarover de wettelijke rente vanaf 6 september 2019 tot de algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde partij in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van eisende partij begroot op:
exploot € 85,18
salaris € 72,-
griffierecht € 121,-
-----------------
totaal € 278,18
voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt gedaagde partij in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 18,- aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,- en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat gedaagde partij niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.J. Ros, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.