Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2563

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2020
Datum publicatie
15-05-2020
Zaaknummer
8281781 KK EXPL 20-56
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een huurder die overlast veroorzaakt moet zijn huis in Amsterdam uiterlijk 1 juni 2020 verlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8281781 KK EXPL 20-56

vonnis van: 12 mei 2020

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

de stichting

STICHTING HVO-QUERIDO,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

nader te noemen: HVO,

gemachtigde: mr. J.J.L. Boudewijn,

t e g e n

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

nader te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. J.S. de Vlieger.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 28 januari 2020, met producties, heeft HVO een voorziening gevorderd.

Ter zitting van 12 maart 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens HVO zijn [naam 1] , teammanager, en [naam 2] , zorgcoördinator, verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Verder is [naam 3] verschenen, namens Eigen Haard. [gedaagde] is samen met zijn vader en zijn maatschappelijk werkster [naam 4] verschenen, vergezeld door de gemachtigde.

De gemachtigde van [gedaagde] heeft op voorhand stukken in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, de gemachtigde van [gedaagde] mede aan de hand van een pleitnotitie. Na verder debat is, in overeenstemming met partijen, de zaak aangehouden. Bij afzonderlijke berichten van 20 april 2020 hebben partijen zich uitgelaten over voortzetting van de procedure, waarbij [gedaagde] heeft gevraagd om nadere aanhouding van de zaak met drie maanden. Daarop heeft de gemachtigde van HVO bij e-mailbericht van 28 april 2020 gereageerd, waarop de gemachtigde van [gedaagde] op zijn beurt bij e-mailbericht van 1 mei 2020 heeft gereageerd. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1.1.

[gedaagde] , thans 36 jaar oud, kampt sinds een jaar of tien met psychische en verslavingsproblematiek, waarvoor hij door GGZ Mentrum wordt behandeld.

1.2.

[gedaagde] huurde vanaf 2015 de woning aan de [adres 1] van woningcorporatie Eigen Haard.

1.3.

Bij kort geding vonnis van 6 oktober 2017 van deze rechtbank is [gedaagde] bij verstek veroordeeld om binnen 48 uur na betekening van het vonnis deze woning te ontruimen.

1.4.

Bij vonnis in verzet van 9 november 2017 is het verstekvonnis van 6 oktober 2017 in stand gelaten behalve wat betreft de ontruimingstermijn, die op
14 dagen na betekening van het vonnis is gesteld. In het vonnis is onder meer overwogen:

“(…)

2.2.

Op 10 augustus 2017 heeft de buurvrouw (…) gemeld dat [gedaagde] het trappenhuis had besprenkeld met benzine. (…) De politie heeft ter plaatse geconstateerd dat [gedaagde] zeer verward en onrustig was en dat hij onsamenhangende verhalen hield (…). De politie heeft hem meegenomen naar de Spoedeisende Psychiatrie. Sindsdien verblijft [gedaagde] op een gesloten psychiatrische afdeling van Mentrum. Inmiddels is voor hem een Rechterlijke Machtiging aangevraagd.

2.3.

Uit de rapportage van de politie blijkt dat [gedaagde] begin augustus 2016, nadat de buurvrouw had geklaagd over vreemd gedrag, ook naar de Spoedeisende Psychiatrie is gebracht. Verder blijkt daaruit van klachten van buren over doordraaien, schreeuwen en timmeren en slaan met deuren op 28 oktober 2016 en 21 juni 2017.

2.4.

Uit een verklaring van de behandelend psychiater blijkt dat [gedaagde] de diagnose schizofrenie heeft gekregen, terwijl ook sprake is van ernstige verslavingsproblematiek. Als gevolg van drugsgebruik nemen psychotische symptomen zoals desorganisatie toe. Als hij van de drugs afblijft gaat het duidelijk beter, maar dat is tot nu toe nog niet voor lange tijd gelukt.
(…)

4.3.

Ter zitting is namens Eigen Haard verklaard dat het niet de bedoeling is het verstekvonnis ten uitvoer te leggen zolang er geen nieuwe klachten zijn. Ook ontruimt Eigen Haard geen psychiatrische patiënten zonder dat een vangnet van hulpverlening aanwezig is. Aangeboden is [gedaagde] elders woonruimte te verschaffen. Hij kan daar dan met een schone lei beginnen. De huurovereenkomst pleegt in zo’n geval op naam van een hulpverlenende instantie te worden gezet. Als het goed blijkt te gaan, kan betrokkene na twee jaar weer een huurovereenkomst op eigen naam krijgen. (…)”

1.5.

Tijdens zijn gedwongen opname met rechterlijke machtiging is de woning van [gedaagde] tegen de met Eigen Haard daarover gemaakte afspraken in toch ontruimd. Eigen Haard heeft hem hiervoor schadevergoeding betaald en ervoor gezorgd dat aan [gedaagde] een andere woning werd aangeboden, maar onder de voorwaarde dat hij een zorgovereenkomst zou sluiten met HVO.

1.6.

[gedaagde] en zijn toenmalige bewindvoerder hebben vervolgens twee overeenkomsten met HVO gesloten: een zorg- en dienstverleningsovereenkomst (hierna: zorgovereenkomst) en een onderhuurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres 2] (hierna: de woning), die HVO op haar beurt huurt van Eigen Haard.

1.7.

In de zorgovereenkomst is onder meer bepaald:

“1. (…) Uitsluitend ten behoeve van haar dienstverlening aan cliënten, biedt HVO-Querido huisvesting aan, waarbij het zorgelement te allen tijde vooropstaat, hetgeen door de cliënt ondubbelzinnig wordt onderkend.

2. De overeenkomst geldt met ingang van 15-12-2017 en duurt:

– voor de duur van 24 maanden, waardoor deze eindigt van rechtswege op 15-12-2019. De overeenkomst kan door de cliënt of zorgaanbieder (eerder of op grond van andere redenen) worden beëindigd onder voorwaarden zoals omschreven in de artikelen 25 en 28 van de geldende algemene leveringsvoorwaarden zorg. (…)”

1.8.

In de geldende algemene leveringsvoorwaarden zorg is in artikel 25 onder meer bepaald dat de zorgovereenkomst eindigt (a) na afloop van de termijn zoals is vermeld in de overeenkomst zorg- en dienstverlening en (e) na een eenzijdige opzegging door HVO met in achtneming van het bepaalde in artikel 28. In artikel 28 is onder meer bepaald dat HVO gerechtigd is de zorgovereenkomst op te zeggen indien de cliënt herhaaldelijk diens verantwoordelijkheden uit de zorgovereenkomst niet nakomt of kan nakomen, daarop herhaaldelijk is aangesproken maar hij zijn gedrag niet verandert en dit heeft geleid tot een zodanige situatie dat het voortduren van de overeenkomst in redelijkheid niet langer van HVO kan worden gevergd. HVO dient bij opzegging een redelijke termijn in acht te nemen, maar indien de omstandigheden dit vergen, mag HVO volgens artikel 28 ook onmiddellijk zonder opzegtermijn opzeggen.

1.9.

In de onderhuurovereenkomst is onder meer in aanmerking genomen dat in de relatie tussen huurder en verhuurder het zorgelement overheersend zal zijn, de zorg- en dienstverlening door verhuurder en het in huur geven van woonruimte onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden en de onderhuurovereenkomst zal worden beëindigd wanneer de zorg- en dienstverlening eindigt. Verder is in artikel 3 van de onderhuurovereenkomst bepaald dat de onderhuurovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, te weten voor de duur van de zorgovereenkomst en in artikel 4 is onder meer bepaald: “(…) In de relatie tussen huurder en verhuurder zal het zorgelement overheersend zijn en huurder kan daarom geen succesvol beroep doen op huurbescherming. De onderhuurovereenkomst zal derhalve worden beëindigd en huurder zal de woonruimte moeten verlaten, wanneer de overeenkomst zorg- en dienstverlening eindigt. (…)”.

1.10.

Per 15 december 2017 woont [gedaagde] in de woning aan de [adres 2] . Zowel direct onder als direct boven [gedaagde] woonde een alleenstaande moeder met (een) jong(e) kind(eren).

1.11.

Bij brief van 19 juli 2019 heeft [gedaagde] een officiële waarschuwing gekregen van HVO naar aanleiding van meldingen van Eigen Haard over klachten van buren van 21 december 2018 en 6 juni 2019, bestaande uit ’s nachts lawaai maken, smijten met deuren en op het balkon schreeuwen. Op
2 juli 2019 heeft de bovenbuurvrouw bij Eigen Haard gemeld dat [gedaagde] zonder toestemming ’s avonds ineens in haar woonkamer zat. De brief vermeldt onder meer:

“(…) We hebben je uitgenodigd om op dinsdag 16 juli 2019 hierover in gesprek te gaan met je buren, de woningbouwvereniging, behandelaar en ons. Helaas was je niet tijdig aanwezig ondanks dat de behandelaar de afspraak mondeling aan je heeft doorgegeven en wij de afspraak schriftelijk hebben doorgegeven aan je. (…)

Naast de overlastmeldingen hebben wij de afgelopen 3 maanden op diverse manieren contact gezocht met jou, door te bellen, appen, sms-en, brieven te brengen en langs je woning te gaan, waarbij we jou niet thuis troffen. Een enkele maal heb je teruggebeld en een voicemail ingesproken, maar voorgestelde afspraken ben je niet nagekomen of zei je op voorhand af. Helaas moeten we concluderen dat je je niet begeleidbaar opstelt. (…)

[gedaagde] wilde niet tekenen, wel waarschuwingsbrief voorgelezen.”

1.12.

Op 19 november 2019 heeft [gedaagde] in aanwezigheid van zijn behandelaar bij brief een tweede officiële waarschuwing gekregen van HVO. In de brief is onder meer vermeld:

“(…) Middels de bovenbuurvrouw hebben wij vernomen dat jij deze ochtend 19 november de woning van de bovenbuurvrouw bent binnen gekomen. Je zal hebben geklopt, waarop zei geantwoord heeft met ‘Hallo’ daarna bleef het lang stil. Uiteindelijk heb jij toch de deur open gedaan en bent de gang in gekomen, eenmaal toen je haar zag heb je besloten de deur weer dicht te doen en te vertrekken naar je eigen woning. (…)

[gedaagde] wilde niet tekenen, wel waarschuwingsbrief voorgelezen”

1.13.

Tussen partijen is afgesproken dat [gedaagde] de volgende dag om 12 uur de woning voor 10 dagen (een zogenaamde time-out) zou verlaten. Daarbij heeft HVO verblijf op De Rijswijk aangeboden, maar [gedaagde] heeft ervoor gekozen om de dagen bij een vriendin te verblijven.

1.14.

Op 21 november 2019 heeft [gedaagde] een derde en laatste officiële waarschuwing gekregen omdat HVO was gebleken dat [gedaagde] op
20 november 2019, nadat hij de woning voor de time-out van tien dagen had verlaten, dezelfde dag alweer was teruggekeerd naar de woning.

1.15.

Op 23 november 2019 heeft [gedaagde] vanaf de trap op de derde verdieping een bord spaghetti naar beneden gegooid. De bovenbuurvrouw van drie hoog heeft [gedaagde] hierop aangesproken en hij heeft uiteindelijk aan haar verklaard dat “het spaghetti-monster” hiervoor aansprakelijk zou zijn.

1.16.

HVO heeft in deze procedure een brief van 29 november 2019 aan [gedaagde] overgelegd waarin zij [gedaagde] uitnodigde voor een multidisciplinair overleg (MDO) op 4 december 2019 met HVO, de behandelaar en Eigen Haard.

1.17.

Op 4 december 2019 heeft het MDO plaatsgevonden. [gedaagde] is niet verschenen. Door de GGZ is in dat gesprek bevestigd dat het niet goed ging met [gedaagde] en dat hij last had van psychoses. Verder werd medegedeeld dat een aanvraag tot een rechterlijke machtiging werd voorbereid. Ook werd in dat gesprek geconcludeerd dat [gedaagde] zich op alle mogelijke manieren onttrok aan de begeleiding van HVO. Tot slot is besloten de zorgovereenkomst met [gedaagde] te beëindigen.

1.18.

Bij What’s app bericht van 14 december 2019 is aan HVO bericht:

“(…) Gister stond [gedaagde] weer voor m’n deur. Ik ga vandaag met de kinderen naar m’n zus toe om daar te verblijven totdat [gedaagde] de woning heeft verlaten. Ik voel me in m’n eigen woning gewoon niet meer fijn. Elke keer weer wat. (…)”

1.19.

Bij brief van 16 december 2019 heeft HVO – kort gezegd – aan [gedaagde] bericht dat zij het hulpverleningstraject per direct beëindigde en de zorgovereenkomst en de onderhuurovereenkomst opzegde tegen 15 januari 2020.

1.20.

Op 17 december 2019 is er een gesprek geweest tussen partijen, waarbij [gedaagde] heeft laten weten het niet eens te zijn met de beëindiging.

1.21.

Op 15 januari 2020 hebben medewerkers van HVO de woning bezocht. [gedaagde] was niet aanwezig, maar hij bleek de woning niet te hebben ontruimd.

1.22.

Begin februari 2020 is [gedaagde] vanwege psychotische decompensatie met een rechterlijke machtiging opgenomen in kliniek Spaarne Gasthuis te Hoofddorp.

1.23.

HVO heeft een verklaring overgelegd van de onderbuurvrouw van [gedaagde] , waarin onder meer is vermeld:

“(…) Vele keren om 2uur, 3uur in de nacht naar boven lopen vragen of het zachter kan maar het heen en weer lopen in huis hield aan.

Mijn nachten zijn al best gebroken doordat ik een zoontje heb met een verstandelijke beperking die niet door slaapt. En dan het gestommel en gerommel en schreeuwen op de 2e verdieping (boven mijn hoofd). Daardoor ik soms maar 2 of 3 uurtjes had geslapen en dat brak bij mij op. (…) Ook heb ik tijdens het gesprek aangegeven dat door [gedaagde] onberekenbare gedrag ik mij totaal niet meer veilig voel in huis waar ik al 20 jaar met heel veel plezier heb gewoond.”

1.24.

De onderbuurvrouw van [gedaagde] is inmiddels verhuisd.

1.25.

Tijdens de mondelinge behandeling op 12 maart 2020 heeft HVO, ter voorkoming van dakloosheid en omdat [gedaagde] op dat moment gedwongen was opgenomen en daarom geen overlast kon veroorzaken, aangeboden om te onderzoeken of [gedaagde] na zijn opname kon worden geplaatst in een instelling met meer zorg en begeleiding. Daarop is de zaak twee weken aangehouden.

1.26.

Door het uitbreken van de coronacrisis is op verzoek van partijen de zaak langer aangehouden, zodat een (digitaal) intake gesprek met het Ambulant Team Noord van HVO kon plaats hebben. Na dit gesprek en nadat [gedaagde] de locatie digitaal heeft kunnen bezichtigen, heeft [gedaagde] bericht aan HVO dat hij geen gebruik wil maken van het aanbod. Enerzijds omdat hij de aangeboden etage dient te delen met een andere bewoner en anderzijds omdat hij de aangeboden locatie ziet als een te grote stap terug ‘in zijn wooncarrière’.

1.27.

[gedaagde] is inmiddels ontslagen uit de kliniek en per 16 april 2020 teruggekeerd naar de woning aan de [adres 2] .

Het geschil

2. HVO vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden tot ontruiming van de woning aan de [adres 2] en tot betaling van de proceskosten.

3. HVO stelt hiertoe dat de huurovereenkomst in ieder geval per 15 januari 2020 rechtsgeldig is opgezegd. [gedaagde] veroorzaakt overlast aan zijn direct omwonenden en vormt in potentie een gevaar voor zichzelf en anderen, nu hij zich onttrekt aan de begeleiding van HVO. Zij heeft hem andere passende opvang aangeboden, maar die heeft hij geweigerd.

4. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen, wordt hieronder, voor zover van belang, nader ingegaan.

Beoordeling

5. HVO heeft spoedeisend belang bij haar vordering in kort geding, gelet op de door haar gestelde overlast en de omstandigheid dat [gedaagde] sinds 16 april 2020 weer in de woning verblijft.

6. In dit kort geding dient voorts te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van HVO in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhuurovereenkomst onlosmakelijk is verbonden met de zorgovereenkomst, dat het zorgelement daarbij voorop staat en dat als de zorgovereenkomst rechtsgeldig eindigt ook de onderhuurovereenkomst beëindigd mag worden. Dit blijkt ook overigens uit de schriftelijke overeenkomsten, zie hiervoor 1.7, 1.8 en 1.9.

8. De zorgovereenkomst liep volgens HVO tot 15 december 2019, omdat de overeengekomen termijn op dat moment verstreken was. [gedaagde] voert aan dat hem is voorgehouden dat de zorgovereenkomst voor slechts één jaar was afgesloten, maar tegenover de overgelegde schriftelijke overeenkomsten met een handtekening van hem en zijn bewindvoerder, heeft hij onvoldoende toegelicht op grond waarvan hij in die veronderstelling verkeerde. Er wordt dan ook vanuit gegaan dat de overeenkomsten een looptijd hadden tot 15 december 2019. Dit volgt bovendien ook uit de omstandigheid dat [gedaagde] niet alleen in 2018 maar ook in 2019 is begeleid door HVO en dat hij op die grond in de woning verbleef.

9. Nu de zorgovereenkomst echter pas per brief van 16 december 2019 is opgezegd, moet worden geconcludeerd dat de zorgovereenkomst na 15 december 2019 stilzwijgend is verlengd en dat HVO ingevolge de toepasselijke algemene leveringsvoorwaarden zorg alleen gerechtigd was om na 15 december 2019 de zorgovereenkomst op te zeggen als was voldaan aan artikel 28 van deze voorwaarden, zoals beschreven onder 1.8.

10. HVO heeft voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] zich niet begeleidbaar opstelde en overlast veroorzaakte voor zijn omwonenden. Onbetwist is dat hij al op 19 juli 2019 daarvoor een officiële waarschuwing heeft gekregen, zie 1.12. Vervolgens heeft hij op 19 november 2019 een tweede officiële waarschuwing (zie 1.13) gekregen omdat hij zonder toestemming (opnieuw) de woning van de bovenbuurvrouw heeft betreden, hetgeen een ernstige vorm van overlast is. [gedaagde] voert weliswaar aan dat hij dit heeft gedaan omdat hij een gaslucht rook en de gaskraan wilde dichtdraaien, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk sprake was van een gaslek. Verder heeft hij betwist dat hij de waarschuwingen schriftelijk heeft ontvangen. Uit de door HVO overgelegde brieven volgt echter dat [gedaagde] deze niet wilde ondertekenen, maar dat deze wel aan hem zijn voorgelezen. Verder is namens HVO ter zitting verklaard dat deze brieven aan hem zijn overhandigd, dan wel onder zijn deur door zijn geschoven. Er is geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Daarbij geldt dat onbetwist is dat [gedaagde] op dat moment met verslavings- en psychische problemen kampte, waardoor hij wellicht de werkelijkheid op dat moment anders beleefde dan anderen. In ieder geval is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] van deze waarschuwingen mondeling op de hoogte is gebracht.

11. Vervolgens is besloten om [gedaagde] een time-out op te leggen van tien dagen om daarmee ook de rust voor de bovenbuurvrouw te laten terugkeren. [gedaagde] heeft erkend dezelfde dag te zijn teruggekeerd naar de woning. [gedaagde] voert aan dat dit was om zijn kleding op te halen, maar HVO heeft onweersproken gesteld dat hij onder begeleiding van HVO de woning op 21 november 2019 heeft verlaten, zodat onwaarschijnlijk is dat [gedaagde] op dat moment geen kleding heeft meegenomen. Bovendien gebeurde twee dagen later het incident met het bord spaghetti, waaruit niet alleen volgt dat [gedaagde] zich niet aan de time-out van tien dagen heeft gehouden maar ook dat hij zich opnieuw op de trap naar de derde verdieping van de bovenbuurvrouw heeft begeven, terwijl hij daar niets te zoeken had, nu [gedaagde] op de tweede verdieping woont. De derde waarschuwing is dan ook eveneens terecht gegeven.

12. In het daarna gehouden MDO is geconcludeerd, in het bijzijn van zijn behandelaar, dat [gedaagde] niet begeleidbaar is. [gedaagde] weerspreekt dat hij de uitnodiging voor dit overleg heeft gekregen en dat hij daarom afwezig was, maar ook als dat het geval is geweest, doet dat niet af aan de uitkomst van dit gesprek. Tot slot is de gedwongen opname vanwege psychotische decompensatie die daarop volgde een sterke indicatie dat [gedaagde] , al dan niet bewust, op 4 december 2019 ook al niet goed (meer) te begeleiden was.

12. Ondanks de waarschuwingen van HVO duurde de overlast voort en liet [gedaagde] zich niet begeleiden. Van HVO kon op dat moment in redelijkheid niet worden gevergd om de zorgovereenkomst langer te laten voortduren. Naar het voorlopig oordeel is daarmee voldaan aan artikel 28 van de algemene leveringsvoorwaarden zorg en kon HVO de zorgovereenkomst en de huurovereenkomst bij brief van 16 december 2019 rechtsgeldig opzeggen. [gedaagde] betwist nog dat hij deze brief heeft ontvangen, terwijl HVO stelt deze aangetekend te hebben verstuurd, maar hij betwist niet dat op
17 december 2019 hierover met hem is gesproken. Conclusie is dan ook voorshands dat [gedaagde] tijdig op de hoogte is gesteld van de opzegging per 15 januari 2020 en dat daarbij gelet op de omstandigheden een redelijke termijn voor opzegging in acht is genomen, zoals voorgeschreven in artikel 28 van de algemene leveringsvoorwaarden zorg.

14. [gedaagde] voert nog aan dat als hij eerder adequate hulp had gekregen van behandelaars bijsturing van zijn gedrag wellicht tijdig mogelijk was geweest. Hiertegenover stelt HVO dat de GGZ verantwoordelijk is voor de behandeling en dat HVO steeds zijn behandelaar van een en ander op de hoogte heeft gesteld. Niet kan dan ook worden geconcludeerd dat HVO op dit punt tekort is geschoten.

15. Slotsom is dat aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de zorgovereenkomst en de onderhuurovereenkomst rechtsgeldig zijn opgezegd en dat [gedaagde] als gevolg daarvan vanaf 16 januari 2020 zonder recht of titel in de woning verblijft. Dat betekent dat [gedaagde] de woning moet verlaten. Dat inmiddels de coronacrisis is uitgebroken, maakt dat oordeel niet anders. Het huidige beleid is weliswaar om in ieder geval tot 1 juni 2020 geen veroordelingen tot ontruimingen uit te spreken behoudens specifieke omstandigheden, maar de achterliggende gedachte daarvan is het voorkomen van dakloosheid.

16. HVO heeft echter huisvesting aangeboden bij het Ambulant Team Noord en stelt in haar laatste akte dat daar ook (nog steeds) plaats is. [gedaagde] heeft dit aanbod evenwel geweigerd, maar zonder voldoende gemotiveerd te weerleggen dat deze huisvesting voor hem niet passend is. De enkele omstandigheid dat hij de aangewezen etage moet delen met een andere bewoner en hij één en ander ervaart als een teruggang ‘in zijn wooncarrière’, is daarvoor onvoldoende. Daarbij komt dat uit zijn woongeschiedenis van de afgelopen vijf jaar blijkt dat [gedaagde] is teruggevallen in drugsgebruik (GHB, zoals hij ter zitting heeft verklaard) met psychoses tot gevolg en dat hij als gevolg daarvan voor de tweede keer gedwongen is opgenomen. Net als op de [adres 1] ervoeren de omwonenden hierdoor overlast in de vorm van geluidsoverlast ’s nachts en voelden zij zich door het gedrag van [gedaagde] niet veilig in hun eigen woning. In de gegeven omstandigheden weegt het belang van omwonenden, HVO en Eigen Haard bij ontruiming dan ook zwaarder dan dat van [gedaagde] bij behoud van de woning. Dat de onderbuurvrouw inmiddels is verhuisd, doet hieraan niet af. De woning zal verhuurd worden aan een nieuwe huurder, die ook niet gediend zal zijn van overlast. Daarbij is in aanmerking genomen dat [gedaagde] geen stukken van zijn behandelaars heeft overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat hij zich, zoals hij aanvoert, na zijn gedwongen opname wél begeleidbaar opstelt en dat de verwachting bestaat dat dit zal voortduren, waardoor de kans op overlast voor omwonenden ook op de lange termijn is uitgesloten. Dit had te meer op zijn weg gelegen nu hij zelf ter zitting - toen hij al was opgenomen - nog steeds verklaarde liever niet begeleid te worden door HVO en bij voorkeur zelfstandig wil wonen.

17. Nu vervangende huisvesting voor [gedaagde] per direct is gegarandeerd, staat het huidige beleid in deze crisis een veroordeling tot ontruiming onder de gegeven omstandigheden niet in de weg. Wel wordt daarin reden gezien de ontruiming pas uit te spreken per 1 juni 2020.

18. Tot slot geldt nog het volgende. [gedaagde] voert aan en ook ter zitting is gebleken dat hij het zich erg heeft aangetrokken dat hij in 2017 op de [adres 1] tegen de gemaakte afspraken in is ontruimd. Onbetwist is echter gebleven dat HVO hiervoor schadevergoeding heeft betaald en hem ter compensatie onderhavige woning heeft aangeboden, terwijl aan de ontruiming een rechtsgeldige ontruimingstitel, te weten het kort gedingvonnis van 9 november 2017, ten grondslag lag. Bovendien is inmiddels gebleken dat de bijbehorende zorgovereenkomst niet voor niets is afgesloten aangezien [gedaagde] desondanks is teruggevallen in drugsgebruik en gedwongen is opgenomen vanwege psychotische decompensatie. Hoewel Eigen Haard, naar eigen zeggen per abuis, de afspraak niet meteen tot ontruiming over te gaan niet is nagekomen, kan dat alleen al gezien het voorgaande geen reden zijn om de onderhavige ontruiming thans niet toe te wijzen.

19. [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [adres 2] per 1 juni 2020 te ontruimen en ter beschikking van HVO te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van HVO begroot op € 480,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2020 in tegenwoordigheid van mr. T.C. van Andel, griffier.