Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2561

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-04-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
AMS - 19 _ 4222
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing individuele studietoeslag o.g.v. Participatiewet. Vermogen boven de vermogensgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/4222

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. F. Bogaerts),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: C. Telting).

Procesverloop

Met het besluit van 6 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van individuele studietoeslag op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Met het besluit van 23 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven om zonder zitting op het beroep te beslissen.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 17 april 2019 individuele studietoeslag1 op grond van de Participatiewet (Pw) aangevraagd.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser volgens hem over vermogen beschikt dat hoger is dan de wettelijke vermogensgrens van € 6.120,-.2

3. Eiser voert aan dat in werkelijkheid geen sprake is van een te hoog vermogen en dat hij sinds februari 2019 ook niet meer over het geld beschikt. Eiser erkent dat hij begin 2019 een bedrag van totaal € 12.000,- op zijn rekening had staan, maar er is sprake van een lening bij zijn moeder die hij gedeeltelijk heeft afgelost. In de periode januari 2017 tot en met december 2018 heeft eiser van zijn moeder een lening voor zijn studiekosten gehad. De afspraak was dat hij de lening terug zou betalen, indien hij daartoe in staat was. Eiser heeft in januari 2019 een bedrag afgelost, zodat sinds die datum een bedrag openstaat van ongeveer € 4.500,-. Van de lening van zijn moeder is geen schriftelijke leenovereenkomst. Eiser heeft op 12 juni 2019 samen met zijn moeder een brief opgesteld die door hen beiden is ondertekend en brengt deze brief in als bewijs van de lening. Daarnaast moet volgens eiser het vermogen worden verminderd met zijn (studie)schulden (bij DUO).3 Eiser heeft ook een beslissing op bezwaar van 4 maart 2020 ingebracht, waarbij hem voor het collegejaar 2019-2020 individuele studietoeslag is toegekend.
Komt eiser in aanmerking voor bijstand?

4.1.

Niet in geschil is dat eiser in de periode van drie maanden voorafgaand aan de aanvraag op zijn bankrekening een bedrag had staan wat hoger is dan het vrij te laten vermogen van € 6.120,-. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overschrijving naar zijn moeder in februari 2019 betrekking heeft op een direct opeisbare schuld. Er is namelijk geen schriftelijke leenovereenkomst, zodat niet aannemelijk is geworden dat een concrete terugbetalingsverplichting bestond. Uit de door eiser en zijn moeder achteraf opgemaakte verklaring van 12 juni 2019 blijkt ook niet dat toen hij het geld van zijn moeder kreeg, met haar de afspraak had gemaakt dat het om een lening ging die terugbetaald moet worden en wanneer dat moet gebeuren. Verweerder heeft daarom het bedrag terecht meegenomen bij de vaststelling van het vermogen.

4.2.

Eisers stelling dat het vermogen moet worden verminderd met zijn studieschuld bij DUO, volgt de rechtbank ook niet. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep wordt een studieschuld in het kader van bijstandverlening niet aangemerkt als negatief vermogen.4 De reden hiervoor is dat het niet op voorhand vaststaat dat een studieschuld daadwerkelijk geheel moet worden terugbetaald. Het uitgangspunt is weliswaar dat de studieschuld moet worden afgelost, maar de verplichting tot aflossing is afhankelijk van de draagkracht. Als er aan het einde van de aflossingsperiode nog een schuld openstaat, hoeft deze niet terug worden betaald.

4.3.

Ook de beslissing op bezwaar van 4 maart 2020 werpt geen ander licht op de zaak. Daarin staat namelijk dat het daar om een aanvraag voor een ander collegejaar gaat. Verder blijkt uit die beslissing op bezwaar dat eisers financiële situatie toen anders was. Op eisers rekeningen stond toen namelijk geen noemenswaardig saldo meer.
Conclusie

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse‑Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als uw zaak spoedeisend is, kunt u de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter vragen om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Artikel 36b van de Pw.

2 Artikel 34, derde lid, onder a, van de Pw

3 Artikel 34.1a van de Pw.

4 Zie de uitspraak van 6 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3394).