Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2558

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2020
Datum publicatie
14-05-2020
Zaaknummer
C/13/682275 / KG ZA 20-321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kort geding, corona, zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/682275 / KG ZA 20-321 MvW/JE

Vonnis in kort geding van 12 mei 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie bij dagvaarding van 14 april 2020,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. C.J.A. Snouckaert van Schauburg-Buchwaldt te Veenendaal,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. C.E. van de Pas - Rutgers van der Loeff te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

In verband met het coronavirus is de rechtbank sinds 16 maart 2020 grotendeels gesloten geweest. Om toch op een redelijke termijn een rechterlijke beslissing te kunnen geven zijn zaken zoveel mogelijk schriftelijk behandeld. Ook zijn er zittingen gehouden via Skype for Business. In deze zaak heeft op 23 april 2020 een Skype-zitting plaatsgevonden. Aan de Skype-zitting hebben deelgenomen: partijen met hun advocaten. Tijdens deze zitting heeft [eiser] zijn vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft voorafgaand aan de zitting een conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke eis in reconventie ingediend. [eiser] heeft de tegenvordering bestreden. Beide partijen hebben schriftelijke stukken en een pleitnota in het geding gebracht. Na de Skype-zitting is de behandeling pro forma aangehouden tot 30 april 2020 om partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg een voorlopige zorgregeling af te spreken en een eerder gestart mediationtraject te hervatten. [eiser] heeft de rechtbank bericht dat partijen er niet in zijn geslaagd tot afspraken te komen en heeft vonnis gevraagd. Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest, maar zijn inmiddels gescheiden. In een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 21 december 2018 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Partijen zijn een regeling overeengekomen in een ouderschapsplan van 31 oktober 2018, dat deel uitmaakt van die beschikking.

2.2.

Partijen hebben een minderjarige zoon: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] . Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .

2.3.

[gedaagde] woont met [minderjarige] in Amsterdam. [eiser] woont in [woonplaats] en heeft een bedrijf in [vestigingsplaats] .

2.4.

In het ouderschapsplan van partijen is opgenomen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij [gedaagde] . Daarnaast zijn partijen daarin een zorgregeling overeengekomen, die – kort gezegd – inhoudt dat [eiser] het eerste jaar één of twee keer per week bij [gedaagde] langskomt om [minderjarige] te zien en dat [eiser] na het eerste jaar een dag en nacht per week voor [minderjarige] zal zorgen, waarbij [gedaagde] hem naar [eiser] brengt en [eiser] hem naar [gedaagde] terugbrengt. Daarnaast hebben zij afgesproken in overleg te zullen gaan over verdere uitbreiding van het contact tussen [eiser] en [minderjarige] en dat uitgangspunt is dat de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld, zodra [minderjarige] hieraan toe is.

2.5.

Ten aanzien van de kosten van [minderjarige] zijn partijen in het ouderschapsplan overeengekomen dat [eiser] naast kinderalimentatie de netto kosten zal betalen voor het kinderdagverblijf met een maximum van € 750,- per maand, welk bedrag vanaf 1 januari 2020 wordt geïndexeerd, en dat [gedaagde] hem zowel de facturen van de kinderopvang zal doen toekomen als de beschikkingen kinderopvangtoeslag.

2.6.

In een e-mail van 7 februari 2020 heeft [eiser] aan [gedaagde] het volgende geschreven:
“Al een paar keer heb ik aangegeven toe te willen werken naar de nieuwe fase zoals opgenomen in het ouderschapsplan, te weten vanaf zijn eerste verjaardag een overnachting in [woonplaats] . Jij hebt dit tegen gehouden met als reden dat [minderjarige] last heeft van allergie. (…) Deze winter is hij naar jouw zeggen vaak verkouden en ziek geweest, waardoor ik het iets meer tijd heb willen geven. Er is door mij aangegeven dat ik in het begin van de zomer 2020 wil toewerken naar een omgangsregeling, waarbij [minderjarige] meer met mij alleen is in mijn eigen omgeving. (…)”

2.7.

Op 11 februari 2020 heeft [gedaagde] aan [eiser] het volgende geschreven:
“(…) De omgangsregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan ten tijde van onze scheiding en voordat [minderjarige] zelfs nog geboren was, houdt geenszins rekening met de huidige stand van zaken. Daarom is het ook goed dat erin opgenomen staat dat we het plan ieder jaar horen te evalueren. Hetgeen we naar mijn weten ook hebben gedaan en geconcludeerd dat [minderjarige] nog veel te klein/ jong is om heen en weer gesleept te worden naar [woonplaats] .”

2.8.

Partijen hebben begin maart 2020 een eerste gesprek gevoerd bij [naam] in het kader van een mediationtraject, dat hierna is stopgezet in verband met de coronacrisis.

2.9.

Medio maart 2020 werd [gedaagde] ziek en heeft zij [minderjarige] ondergebracht bij haar ouders (grootouders moederszijde van [minderjarige] ) in [woonplaats] . Eind maart 2020 was [gedaagde] weer beter en sindsdien verblijven zij en [minderjarige] allebei bij grootouders moederszijde in [woonplaats] .

2.10.

In een e-mail van 20 maart 2020 heeft [gedaagde] aan [eiser] het volgende geschreven:

“Het is natuurlijk niet zo, dat ik je zou willen weghouden bij [minderjarige] en al helemaal niet dat je geen contact met hem zou mogen hebben. (…)
De gevaren van de corona crisis zijn een realiteit, maar je negeert de adviezen van de overheid en hebt toch nog steeds veel contacten, in o.a. je werk. Dat is de reden waarom je een groot risico bent voor mijn ouders, die (…) tot een kwetsbare groep behoren.
Daarnaast vind ik het net zo goed een heel naar idee dat je [minderjarige] blootstelt aan dat risico. (…)
Ik zal (vooralsnog) akkoord gaan met je voorstel om de bezoeken te beperken tot buitenwandelingen, onder de voorwaarden dat:

  • -

    je niet binnenkomt bij mijn ouders;

  • -

    gepaste afstand van 1,5 meter aanhoudt;

  • -

    de wandelingen weer-afhankelijk zijn. Indien, het weer het niet toelaat zal er een andere dag afgesproken worden tussen ons (dus niet met mijn ouders);

  • -

    Bovenstaande geldt uiteraard enkel zolang je geen symptomen vertoont. Ik hoop op je eerlijkheid wat dat betreft.
    (…)”

2.11.

Sinds [gedaagde] en [minderjarige] bij de grootouders moederszijde in [woonplaats] verblijven, komt [eiser] naar [woonplaats] voor de omgang met [minderjarige] , onder de door [gedaagde] in haar e-mail van 20 maart 2020 genoemde voorwaarden.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] vordert – samengevat –:

  1. [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van de in het ouderschapsplan vastgelegde omgangsregeling, met hieraan voorafgaand een opbouwfase, en haar te veroordelen vanaf het eerste weekend gedurende de opbouwfase op de zaterdagen naar de woning van [eiser] te komen met [minderjarige] om hem in haar aanwezigheid te laten wennen aan die omgeving, met de bedoeling [eiser] zo veel mogelijk zorgtaken zelf te laten uitvoeren, waarnaast [eiser] op de tussenliggende woensdagen van 19.00 tot 21.00 uur naar [gedaagde] in [woonplaats] zal komen, waarna de in het ouderschapsplan overeengekomen regeling zal gelden;

  2. te bepalen dat [eiser] , indien hij geen corona-achtige verschijnselen heeft, [minderjarige] vanaf het eerstvolgende contactmoment na het vonnis fysiek mag aanraken, hem mag knuffelen, hem mag laten rondlopen en met hem mag spelen en normaal contact met hem mag hebben;

  3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een dwangsom voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij zich niet houdt aan hetgeen onder 1 en 2 is omschreven.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert voorwaardelijk, voor het geval [eiser] wordt ontvangen in zijn vorderingen, – samengevat – hem te veroordelen aan [gedaagde] € 756,- te betalen, alsmede over de maanden mei 2020 en volgende te ontvangen nota’s van het KDV, tot maximaal het in het ouderschapsplan bepaalde maximum.

4.2.

[eiser] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering.

5.2.

Tijdens de Skype-zitting heeft de voorzieningenrechter – samengevat – het volgende voorlopig oordeel gegeven. In zijn algemeenheid kunnen ouders die niet bij elkaar wonen in het kader van een omgangsregeling ook fysiek contact hebben met hun kinderen, zolang zij geen corona-achtige ziekteverschijnselen hebben. Dit is in overeenstemming met de huidige richtlijn van het RIVM. Dat betekent dat [eiser] als vader contact mag hebben met [minderjarige] en dat hij daarbij niet 1,5 meter afstand hoeft te houden. [gedaagde] maakt zich zorgen over het risico op besmetting voor grootouders moederzijde, die volgens haar behoren tot een voor corona kwetsbare groep. Dit risico wordt beperkt doordat [eiser] heeft toegezegd voorafgaand aan de omgang zijn handen en gezicht te wassen en naar andere volwassenen 1,5 meter afstand te houden. Hieronder vallen ook zijn collega’s en zijn volwassen kinderen. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat [eiser] het direct zal melden als hij corona-achtige ziekteverschijnselen heeft. In dat geval is de situatie anders en kan de omgang niet doorgaan.

5.3.

Verder wordt het in het belang van [minderjarige] geacht dat partijen beginnen met een opbouw van het contact bij [eiser] in [woonplaats] . Hij is nu ongeveer 1,5 jaar oud en kan gaan wennen aan omgang in de woning van zijn vader. Het is daarom tijd om [eiser] te betrekken bij de dagelijkse verzorging van [minderjarige] , die volgens [gedaagde] mede in verband met de allergieën en het dieet van [minderjarige] , veel voeten in de aarde heeft. [gedaagde] zal [eiser] voor wat betreft de verzorging van [minderjarige] dan ook moeten inwerken. Dat kan het beste met een zorgregeling waarbij [minderjarige] op de zaterdagen in [woonplaats] is, eerst nog een aantal keer met beide ouders en daarna alleen met [eiser] . Gelet op het voorgaande zal een tijdelijke zorgregeling worden vastgesteld, die geldt totdat een rechter anders beslist of partijen anders overeenkomen, inhoudende als volgt. De eerste vier zaterdagen na heden (waarbij de eerste zaterdag plaatsvindt op 16 mei 2020) gaat [gedaagde] met [minderjarige] naar [eiser] in [woonplaats] van 11.00 tot 15.00 uur en neemt zij hem daarna weer mee terug. Daarna geldt een zorgregeling waarbij [gedaagde] [minderjarige] op zaterdag om 10.00 uur bij [eiser] in [woonplaats] brengt en [eiser] hem om 17.00 uur weer terugbrengt. Daarnaast vindt omgang plaats op de woensdagen, waarbij [eiser] naar [minderjarige] toe gaat en waarbij de tijden tussen partijen nader worden afgesproken.

5.4.

Partijen dienen in onderling overleg, eventueel onder begeleiding van een mediator, afspraken te maken over verdere uitbreiding van de zorg door [eiser] . In de voorlopige zorgregeling zal geen overnachting worden opgenomen, omdat in dit kort geding geen plaats is voor een beslissing die pas over een aantal maanden ingaat. Het is in dit stadium te vroeg om over de overnachting een rechterlijke beslissing te geven. De verstandhouding van partijen is tot enkele maanden geleden goed genoeg geweest om in onderling overleg afspraken over [minderjarige] te kunnen maken. Nu beide partijen zich bereid hebben verklaard in mediation te gaan, wordt ervan uitgegaan dat zij zich ervoor zullen inzetten die situatie weer te bereiken.

5.5.

Aan nakoming door [gedaagde] van de zorgregeling wordt geen dwangsom verbonden, aangezien ervan wordt uitgegaan dat partijen in mediation gaan en daarbij een dwangsom niet past. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat [gedaagde] zich niet aan de zorgregeling zal houden.

5.6.

Nu partijen ex-echtgenoten zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

[gedaagde] stelt dat [eiser] vanaf 5 maart 2020 in strijd met de afspraak in het ouderschapsplan niet de kosten van het kinderdagverblijf heeft vergoed, terwijl zij de bijdrage wel aan het kinderdagverblijf heeft moeten betalen. De kosten zullen worden vergoed door de overheid vanaf de start van de corona-maatregelen, maar [eiser] dient deze volgens [gedaagde] toch te vergoeden. Zij stelt dat zij dit weer zal verrekenen met [eiser] , zodra zij het geld van de overheid ontvangt.

6.2.

[gedaagde] heeft geen spoedeisend belang bij deze vordering. Zij krijgt de bedoelde kosten voor het kinderdagverblijf terug en zij is ook degene die daarvoor de aanvraag moet doen. Aan de hand van de stellingen van [gedaagde] is niet aannemelijk dat het voor haar een financieel probleem is de kosten, die ze terugkrijgt, zelf voor te schieten. Er is daarom geen aanleiding [eiser] te veroordelen de kosten aan haar te betalen. Bovendien valt dit, anders dan [gedaagde] stelt, ook niet onder de in het ouderschapsplan neergelegde afspraak. Over deze situatie, die partijen niet hadden voorzien, hebben zij geen afspraken gemaakt. Daarom kan niet worden gezegd dat [eiser] de afspraak niet nakomt.

6.3.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering wordt afgewezen.

6.4.

Nu partijen ex-echtgenoten zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie:

7.1.

bepaalt dat met ingang van heden tussen partijen voorlopig de volgende zorgregeling geldt:

  • -

    de eerste vier zaterdagen na heden verblijft [minderjarige] bij [eiser] van 11.00 tot 15.00 uur, waarbij [gedaagde] met hem meegaat en hem weer mee terugneemt;

  • -

    daarna verblijft [minderjarige] op zaterdagen van 10.00 tot 17.00 bij [eiser] , waarbij [gedaagde] [minderjarige] bij [eiser] brengt en [eiser] hem om 17.00 uur weer terugbrengt;

  • -

    naast de zaterdagen heeft [minderjarige] contact met [eiser] op de woensdagen, waarbij [eiser] naar [minderjarige] toe gaat en waarbij de tijden tussen partijen onderling worden afgesproken,

7.2.

bepaalt dat [eiser] , indien hij geen corona-achtige verschijnselen heeft, [minderjarige] vanaf het eerstvolgende contactmoment na het vonnis fysiek mag aanraken, hem mag knuffelen, hem mag laten rondlopen en met hem mag spelen en normaal contact met hem mag hebben,

7.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.4.

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

In reconventie:

7.6.

weigert de gevraagde voorziening,

7.7.

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.M. Eisenhardt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2020.1

1 type: JE coll: MV