Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2510

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2020
Datum publicatie
15-05-2020
Zaaknummer
8322794
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet. Skypezitting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0559
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8322794 EA VERZ 20-111

beschikking van: 6 mei 2020

func.: 811

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

nader te noemen: [verzoekster] ,

gemachtigde: mr. M. Amrani,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

nader te noemen: [verweerster] ,

gemachtigde: mr. D.M. Lai.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoekster] heeft op 13 februari 2020 een verzoek, met producties, ingediend dat primair strekt tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst met nevenverzoeken.

[verweerster] heeft een verweerschrift ingediend tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, met producties.

In verband met de Coronacrisis is met instemming van partijen de zaak op 15 april 2020 mondeling behandeld via een skypeverbinding.

[verzoekster] en haar gemachtigde maakten los van elkaar deel uit van deze skypebijeenkomst. Namens [verweerster] namen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en de gemachtigde ook ieder los van elkaar deel aan de skypebijeenkomst. Voorafgaande aan de bijeenkomst heeft de gemachtigde van [verzoekster] bij brief van 8 april 2020 aanvullende producties toegezonden en een half uur voor aanvang een pleitnotitie. Partijen hebben hun standpunten tijdens de bijeenkomst toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt. Partijen hebben getracht een minnelijke regeling te treffen, maar toen dat niet lukte, is een datum voor beschikking bepaald.

Feiten

1.1.

[verweerster] drijft onder meer een kinderdagverblijf en een buitenschoolse opvang (hierna: BSO) in Amsterdam Zuid-Oost. [betrokkene 1] is statutair bestuurder van [verweerster] en haar zus, [betrokkene 2] , leidinggevende.

1.2.

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1987, onderhoudt vier jonge kinderen. Zij is op 24 september 2018 in de functie van pedagogisch medewerkster in dienst getreden van [verweerster] . Het salaris bedroeg bij aanvang € 1.987,00 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. De duur van de arbeidsovereenkomst is verlengd tot 1 november 2020.

1.3.

In mei 2019 heeft [verzoekster] een schriftelijke waarschuwing gekregen, waarin onder meer is vermeld:

“(…) Wij hebben geconstateerd dat je op vrijdag 3 mei ruzie hebt gehad met een collega (…). Hierbij heb jij geschreeuwd naar je collega waar de kinderen op de groep bij waren en moesten er collega’s tussen beide komen om de situatie te sussen. (…) Zoals je weet gelden binnen onze organisatie diverse afspraken omtrent hoe wij ons gedragen binnen kinderopvang [verweerster] . Het waarborgen van de (emotionele) veiligheid van de kinderen is daarbij heel belangrijk. Door de situatie van afgelopen vrijdag is de emotionele veiligheid van de kinderen in het gevaar gekomen. Hiervoor ontvang je dan ook een officiële waarschuwing. Wij gaan ervan uit dat je de binnen onze organisatie geldende afspraken nakomt en dat dergelijk gedrag niet meer wordt vertoond. Mocht je wederom in strijd handelen met onze afspraken, dan kan dit consequenties hebben voor de voortzetting van jouw dienstverband. (…)”.

1.4.

Op 13 december 2019 gingen de kinderen van de buitenschoolse opvang naar het Winterfeest. Een van de kinderen, 8 jaar oud, dochter van mevrouw [naam] , weigerde om mee te gaan en wilde haar jas niet aantrekken. [verzoekster] is toen bij haar gaan zitten en heeft geprobeerd het kind haar jas aan te trekken. Volgens [verzoekster] heeft het meisje haar daarbij in het gezicht geslagen. [verzoekster] was hierdoor overstuur en heeft hiervan melding gemaakt bij [betrokkene 2] . Daarop is de moeder, [naam] , gebeld. Deze heeft het kind vervolgens opgehaald van de opvang.

1.5.

Op verzoek van [naam] heeft [betrokkene 2] vervolgens op 17 december 2020 een bespreking gepland tussen haarzelf, [naam] en haar dochter en [verzoekster] .

1.6.

Tijdens haar werk op 17 december 2019 hoorde [verzoekster] een uur van te voren van [betrokkene 2] dat dit gesprek die middag op de locatie was gepland.

1.7.

Van dat gesprek heeft [betrokkene 2] een verslag opgemaakt, waarin onder meer het volgende is beschreven. Vanaf het moment dat [verzoekster] aan het gesprek deelnam, begon [naam] rechtstreeks verwijtend tegen [verzoekster] te praten. Zij sprak daarbij met haar handen en opgewonden. [betrokkene 2] en [verzoekster] kregen er geen woord tussen. Daarop heeft [verzoekster] met behoorlijke stemverheffing gesproken “Ga jij nog naar mij luisteren of blijf je alleen maar praten?”. Daarop escaleerde het gesprek, leidend tot dreigend geschreeuw tussen [verzoekster] en [naam] . [betrokkene 2] heeft [verzoekster] uiteindelijk uit de kamer geduwd.

Collega’s hoorden het geschreeuw en zijn naar [verzoekster] gelopen. [betrokkene 2] is terug de kamer ingegaan naar [naam] . [verzoekster] is naar buiten gegaan om een sigaret te roken.

1.8.

Uit de verschillende schriftelijke verklaringen van collega’s, komt het volgende naar voren. Op het moment dat [naam] met haar dochter naar huis wilde gaan en naar buiten kwam, was [verzoekster] ook nog steeds buiten. Zij is toen naar [naam] toegelopen en dit leidde snel opnieuw tot geschreeuw. [verzoekster] heeft daarbij tegen [naam] gezegd: “kom dan, hoer, junkie”. Collega’s hebben [naam] en [verzoekster] opnieuw uit elkaar gehaald. [naam] heeft daarbij gezegd: “houden jullie haar voordat ik haar ga steken” en “ik ga ervoor zorgen dat jij ontslagen wordt”.

1.9.

Vervolgens is [verzoekster] heel boos naar [betrokkene 2] gegaan en heeft laten weten dat zij zich erg bedreigd voelde door [naam] en in de steek gelaten door [betrokkene 2] . Daarbij is zij verbaal uitgevallen tegen [betrokkene 2] . Daarna is [verzoekster] naar huis gegaan.

1.10.

Later die dag heeft [betrokkene 1] telefonisch aan [verzoekster] medegedeeld dat zij op staande voet ontslagen was.

1.11.

Bij What’s App bericht van 23 december 2019 heeft [verzoekster] aan Zangrond- [betrokkene 2] bericht dat zij het niet eens was met het ontslag en dat zij aan [betrokkene 2] haar excuses voor haar gedrag jegens haar aanbood.

1.12.

Bij e-mailbericht van 24 december 2019 aan [verzoekster] heeft [betrokkene 1] het ontslag bevestigd. In dat bericht is onder meer vermeld: “(…) Met deze brief bevestig ik dat u met ingang van 17-12-2019 op staande voet ontslagen bent. Aan dat ontslag ligt de volgende reden ten grondslag: Agressief gedrag en bedreiging van een klant in het bijzijn van een kind. De situatie van vandaag en de eerdere officiële waarschuwing van 7 mei 2019 leveren te samen een dringende reden om tot ontslag op staande voet over te gaan. (…)”.

1.13.

Bij brief van 6 januari 2020 heeft de gemachtigde van [verzoekster] aan [verweerster] medegedeeld dat het ontslag vernietigbaar is en dat [verzoekster] zich beschikbaar houdt voor de werkzaamheden.

1.14.

Bij e-mailbericht van 17 januari 2020 heeft het UWV aan [verzoekster] bericht dat zij verwijtbaar werkloos is en daarom niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering.

1.15.

Met ingang van 1 februari 2020 is [verzoekster] in dienst getreden bij Kinderdagverblijf “ [naam bedrijf] ” B.V. met een proeftijd van 2 maanden. Per 31 maart 2020 is deze arbeidsovereenkomst beëindigd omdat het kinderdagverblijf van de inspectie moest sluiten.

Verzoek en (voorwaardelijk) tegenverzoek

2. [verzoekster] verzoekt het ontslag op staande voet te vernietigen, [verweerster] te veroordelen het loon door te betalen, haar weder te werk te stellen en [verweerster] te veroordelen in de proceskosten.

3. Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag – kort weergegeven – dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Zij betwist dat zij agressief of bedreigend is geweest tegen een klant in het bijzijn van een kind. [verzoekster] stelt dat juist zij daadwerkelijk is bedreigd door de klant en dat [verweerster] haar daartegen niet (voldoende) heeft beschermd.

4. [verweerster] heeft verweer gevoerd en een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend, voor het geval het ontslag op staande voet geen stand mocht houden, tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

5. [verzoekster] heeft verweer gevoerd tegen het ontbindingsverzoek en voorwaardelijk, indien het ontbindingsverzoek wordt toegewezen, om een billijke vergoeding verzocht van € 20.000,00, aangezien [verweerster] volgens haar een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij [verzoekster] niet heeft beschermd tegen agressie en bedreiging door een klant.

6. Op de stellingen van partijen zal hieronder voor zover van belang nader worden ingegaan.

Beoordeling

7. De kantonrechter dient te beoordelen of de reden die de werkgever aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd als een dringende reden kwalificeert als bedoeld in artikel 7:677 BW. Bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag moeten de omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang worden bezien. De aard en de ernst van het gedrag van de werknemer spelen daarbij een rol, evenals de duur van de arbeidsovereenkomst en ook de (persoonlijke) omstandigheden van de werknemer en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor de werknemer heeft.

8. Niet weersproken is dat het gesprek tussen [betrokkene 2] , [verzoekster] , [naam] en haar dochter is geëscaleerd. Uit het gespreksverslag van [betrokkene 2] blijkt dat [naam] in eerste instantie opgewonden en onophoudelijk tegen [verzoekster] heeft gesproken. Dat [verzoekster] dit als bedreigend heeft ervaren is goed mogelijk en wordt niet door [verweerster] ontkend. In de skypebijeenkomst heeft [betrokkene 2] verklaard dat het gesprek op kantoor heel snel ging en dat zij niet anders kon dan [verzoekster] uit de kamer duwen om verdere escalatie te voorkomen. Nadat [verzoekster] en [naam] uit elkaar zijn gehaald, is [verzoekster] even later buiten echter opnieuw naar [naam] en haar dochter toegelopen en is het geschreeuw daar voortgezet. Van een pedagogisch medewerker mocht [verweerster] in ieder geval verwachten dat zij, nadat zij was afgekoeld van het verhitte gesprek, niet opnieuw de confrontatie met [naam] zou opzoeken en al helemaal dat zij zich zou onthouden van het gebruik van scheldwoorden zoals “hoer” en “junkie”.

9. Nu [verzoekster] de confrontatie wel opnieuw heeft gezocht, is een onnodig onveilige, bedreigende situatie ontstaan voor [naam] , haar dochter en de andere kinderen en collega’s die hiervan getuige waren. Voor een kinderopvangonderneming is het van groot belang dat zij tegenover de ouders (haar klanten) de veiligheid van de kinderen kan waarborgen en dat ruzieachtige situaties zoveel mogelijk worden vermeden. Dat dit van groot belang is voor [verweerster] wist [verzoekster] bovendien, althans had zij kunnen weten, door de officiële waarschuwing van mei 2019 waarin zij werd gewaarschuwd dat geschreeuw op de kinderopvang niet werd getolereerd. In de gegeven omstandigheden heeft [verweerster] dan ook terecht geconcludeerd dat sprake was van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigde. Daarbij is in aanmerking genomen dat het ging om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en het voor [verzoekster] niet onmogelijk is om een nieuwe baan in de kinderopvang te vinden, hetgeen ook blijkt uit de omstandigheid dat zij op 1 februari 2020 een nieuwe arbeidsovereenkomst heeft gesloten. Dat deze inmiddels weer is beëindigd doet hieraan niet af. Ook de overige persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] leiden niet tot een ander oordeel.

10. Conclusie van het bovenstaande is dan ook dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Het verzoek van [verzoekster] wordt daarom afgewezen en aan de voorwaardelijke verzoeken wordt om die reden niet toegekomen.

11. [verzoekster] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de verzoeken van [verzoekster] af;

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van [verweerster] , begroot op € 480,00 aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [verzoekster] in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van de beschikking, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [verzoekster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan deze beschikking heeft voldaan en betekening van de beschikking pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Berkum, kantonrechter en op 6 mei 2020 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.