Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2352

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
12-05-2020
Zaaknummer
682198 / FA RK 20.1913
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wvggz, beroep tegen de crisismaatregel gegrond voor zover dit betrekking heeft op de schending van artikel 7:2 lid 3 Wvggz en voor het overige ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team Familie & Jeugd

Zaaknummer / rekestnummer: C/13/682198 / FA RK 20-1913

Beroep tegen een crisismaatregel.

Beschikking van 10 april 2020 naar aanleiding van het beroep ex artikel 7:6 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) tegen een crisismaatregel, ten aanzien van:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [woonadres] [postcode] te [woonplaats] ,

hierna te noemen: betrokkene,

Als raadsvrouw van de betrokkene is gehoord mr. P.J. van de Pol.

1 Procesverloop

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 13 maart 2020 heeft betrokkene beroep ingesteld tegen de door de burgemeester van de gemeente Amsterdam op 22 februari 2020 aan haar opgelegde crisismaatregel.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- de beslissing van de burgemeester houdende het opleggen van de crisismaatregel d.d. 22 februari 2020;

- de medische verklaring d.d. 22 februari 2020;

- het verslag van het verhoor van betrokkene op 5 maart 2020.

Gelet op de recente ontwikkelingen omtrent het Coronavirus (COVID-19) heeft de rechtspraak besloten alle rechtbanken te sluiten. Urgente zaken zoals de onderhavige gaan echter wel door met dien verstande dat, ter voorkoming van verdere verspreiding van het Coronavirus, in dit soort zaken telefonisch zal worden gehoord en de rechtbank zich dus niet naar de instelling/verblijfplaats van betrokkene begeeft om hem/haar aldaar te horen. Het betreffen uitzonderlijke tijden die tot uitzonderlijke maatregelen nopen. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat door of namens betrokkene geen bezwaar is gemaakt tegen deze manier van horen.

De mondelinge telefonische behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 10 april 2020 op de kantoorlocatie van de Rechtbank Amsterdam.

Ter zitting heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:

- betrokkene;

- mr. P.J. van de Pol, de raadsvrouw van betrokkene;

- de heer [vertegenwoordiger gemeente Amsterdam] , de vertegenwoordiger van de gemeente Amsterdam.

2. De standpunten

2.1

Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat zij zich niets meer kan herinneren van de betreffende nacht en dat zij zich ook niet meer kan herinneren met wie zij die nacht gesproken heeft. Betrokkene geeft aan dat zij voor haar gevoel opeens was opgenomen. Ze geeft aan dat zij zich nog wel kan herinneren dat zij in een separeercel werd gezet.

2.2

De raadsvrouw van betrokkene heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat betrokkene niet is gehoord voordat de crisismaatregel werd opgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raadsvrouw medegedeeld dat zij het hoorverslag inmiddels van de rechtbank ontvangen heeft en dat zij dit verslag heeft besproken met betrokkene. Daaruit blijkt dat betrokkene, zij het zeer kort, is gehoord.

De raadsvrouw merkt op dat zij zich evenwel niet kan voorstellen dat betrokkene daadwerkelijk bedenkingen had tegen bijstand van een advocaat, zoals is genoteerd, nu zij betrokkene al langer kent en betrokkene op eigen initiatief ook contact met haar opneemt. Daarnaast mag er niet te snel vanuit worden gegaan dat iemand die zo in de war is als betrokkene was, haar eigen belangen goed kan inschatten bij het beantwoorden van de vraag of er bedenkingen zijn tegen bijstand van een advocaat. De raadsvrouw geeft aan dat zij pas ten tijde van de behandeling van het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel, kon kennisnemen van het feit dat er kennelijk tot een crisismaatregel was besloten zonder dat zij daarvan op de hoogte was gesteld.

De raadsvrouw stelt zich verder op het standpunt dat het hoorverslag had moeten worden toegevoegd aan de stukken van het dossier dat betrekking had op de voortzetting van de crisismaatregel.

Ten aanzien van het verzoek tot schadevergoeding heeft de raadsvrouw aanvankelijk voor de door haar genoemde gebreken schadevergoeding verzocht. Desgevraagd heeft zij ter zitting aangegeven dat het achterwege blijven van tijdige rechtsbijstand geen kwantificeerbare schade heeft opgeleverd nu tijdige bijstand van een advocaat niet in de weg had kunnen staan aan het opleggen van de crisismaatregel.

2.3

De vertegenwoordiger van de gemeente Amsterdam heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat uit het hoorverslag volgt dat betrokkene gehoord is ten tijde van het opleggen van de crisismaatregel. Hij geeft aan dat hij niet weet waarom het verslag niet bij de stukken zat, nu dit verslag wel onderdeel was van de stukken van de gemeente Amsterdam. Hij wijst erop dat de gemeente er volgens de wet- en regelgeving voor zorg dient te dragen dat een betrokkene binnen vierentwintig uur door een raadsman-of vrouw wordt bijgestaan tenzij een betrokkene bezwaar maakt tegen bijstand door een raadsman- of vrouw. Weliswaar komt uit het verslag naar voren dat betrokken niet goed bij kennis was, maar betrokkene heeft wel degelijk bezwaar gemaakt tegen bijstand van een raadsman- of vrouw. Het is dan ook terecht dat er geen advocaat is toegevoegd aan betrokkene. Voorts geldt dat de vraag wanneer nu wel of niet een advocaat moet worden benaderd in geval van geuite bedenkingen, zowel bij de gemeente Amsterdam als landelijk voor hoofdbrekens zorgt. Indien het beroep gegrond wordt verklaard en het verzoek tot schadevergoeding wordt toegewezen, wordt vanuit de gemeente voorgesteld om bedrag van 105 euro per dag uit te keren conform de wet- en regelgeving omtrent een detentie in beperkingen.

3 Beoordeling

3.1.

De vraag is of bij het afgeven van de crisismaatregel de wettelijke bepalingen in acht zijn genomen. De rechtbank overweegt met betrekking tot het beroep tegen de crisismaatregel het volgende.

Het horen

3.2.

Voor zover de raadsvrouw zich nog op het standpunt stelt dat verzoekster is gehoord, geldt dat de rechtbank met de gemeente eens is dat uit de stukken genoegzaam blijkt dat verzoekster is gehoord voordat de crisismaatregel is ingegaan. Uit het episodejournaal zoals dat zich in het dossier bevindt, blijkt immers dat verzoekster op 22 februari 2020 om 00:51 uur is gehoord en dat op 22 februari 2020 om 01:36 uur de crisismaatregel is ingegaan. Ook uit het hoorverslag, zoals door de rechtbank bij de burgemeester is opgevraagd, blijkt dat verzoekster is gehoord, en wel op genoemde datum om 00:53 uur. De rechtbank stelt vast dat, hoewel verzoekster daar zelf geen herinnering meer aan heeft, uit deze documenten blijkt dat verzoekster is gehoord.

Het hoorverslag

3.3.

Ten tweede heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het hoorverslag ten onrechte niet aan het dossier was toegevoegd zoals dat bestond ten tijde van het behandelen van het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel door de rechtbank op 25 februari 2020. De rechtbank is van oordeel dat het horen van betrokkene een van de procedurele vereisten is waarmee het besluit tot een crisismaatregel is gewaarborgd. Uit de wet vloeit niet voort dat het hoorverslag aan het dossier, zoals dat wordt samengesteld ten behoeve van het beoordelen van het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel, moet worden toegevoegd. Het ontbreken daarvan in genoemd dossier doet dus aan de rechtmatigheid van de crisismaatregel niet af. Wel is het van belang in de huidige procedure.

De betrokkenheid van de advocaat

3.4.

Ten derde heeft de advocaat aangevoerd dat zij te laat bij verzoekster betrokken is geraakt doordat de burgemeester heeft verzuimd binnen 24 uur na de crisismaatregel een melding aan de advocaat te doen. De burgemeester heeft aangevoerd dat aan verzoekster is gevraagd of zij bedenkingen had tegen bijstand van een advocaat, welke vraag verzoekster destijds bevestigend heeft beantwoord. Dat was voor de burgemeester aanleiding om geen advocaat te benaderen.

3.5.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op grond van artikel 7:2, lid 3, Wvggz, dient de burgemeester ervoor zorg te dragen dat betrokkene, indien hij of zij geen advocaat heeft, binnen vierentwintig uur na het nemen van de crisismaatregel wordt bijgestaan door een advocaat, tenzij betrokkene daartegen bedenkingen heeft.

3.6.

Uit het hoorverslag blijkt dat aan verzoekster is gevraagd of zij bedenkingen had tegen bijstand van een advocaat. Blijkens het verslag heeft zij deze vraag met ‘ja’ beantwoord, waarna de burgemeester inderdaad geen advocaat heeft ingeschakeld.

3.7.

De advocaat is vervolgens op 24 februari 2020 te 16.37 uur op de hoogte geraakt van de crisismaatregel, doordat zij op die dag de stukken kreeg toegestuurd die betrekking hadden op de verzochte voortzetting van de crisismaatregel. Naar aanleiding hiervan heeft de advocaat op 25 februari 2020 haar cliënt bezocht, op welke datum ook het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel ter zitting in de kliniek is behandeld.

3.8.

De vraag die voorligt, is of de burgemeester mocht uitgaan van het antwoord van verzoekster, dat zij bedenkingen had tegen bijstand door een advocaat. Vast staat dat verzoekster ten tijde van het horen, ernstig verward was. Uit het (zeer summiere) hoorverslag blijkt immers dat zij ‘een niet te volgen verhaal vertelt’ waarna zij ‘ja’ antwoordt op de vraag of zij bedenkingen heeft tegen bijstand van een advocaat. Vast staat verder, zoals de rechter ook zelf heeft kunnen waarnemen ten tijde van de zitting die betrekking had op de voortzetting van de crisismaatregel, dat verzoekster ook enkele dagen later nog erg in de war was; naar achteraf is gebleken omdat zij niet de juiste medicatie had ingenomen.

3.9.

De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester gelet op deze omstandigheden terughoudend had moeten zijn in het aannemen van bedenkingen van verzoekster tegen bijstand van een advocaat. Het ging hier immers om een ernstig verwarde en kwetsbare persoon die op het moment van horen onvrijwillig werd opgenomen en daarmee in haar vrijheid werd beperkt. Uit het hoorverslag blijkt niet welke bedenkingen verzoekster naar voren heeft gebracht of dat daarover is doorgevraagd zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit niet is gebeurd. Het had op de weg van de burgemeester gelegen om ten minste door te vragen over de redenen waarom er bedenkingen waren, teneinde vast te stellen of verzoekster inderdaad ondubbelzinnig afstand wilde doen van het recht op een advocaat. De rechtbank vindt dat in deze omstandigheden getwijfeld had moeten worden over de ondubbelzinnigheid van het enkele ‘ja’ van verzoekster, die op dat moment haar belangen en de gevolgen van haar antwoord mogelijk niet goed kon overzien. Die twijfel had aanleiding moeten zijn tot het inschakelen van een advocaat binnen 24 uur, zoals de wet voorschrijft. Nu de burgemeester dit heeft nagelaten is er sprake van een schending van artikel 7:2 lid 3 Wvggz. De rechtbank zal het beroep op dit punt gegrond verklaren.

Het verzoek tot schadevergoeding

3.10.

Artikel 10:12 Wvggz luidt, voor zover hier van belang, als volgt: 1. Indien de wet niet in acht is genomen bij het nemen van een crisismaatregel, of bij de toepassing van artikel 7:3 kan betrokkene of de vertegenwoordiger door middel van een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift bij de rechter verzoeken tot schadevergoeding door respectievelijk de gemeente of de organisaties onder wiens verantwoordelijkheid de personen, bedoeld in artikel 7:3, vierde lid, hebben gehandeld. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.

3.11.

De raadsvrouw heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat er schade is geleden doordat verzoekster verstoken is geweest van rechtsbijstand. Ter zitting heeft de raadsvrouw dit standpunt gewijzigd en heeft zij gesteld dat er feitelijk geen schade is geleden, omdat het binnen 24 uur inschakelen van een advocaat niet tot het achterwege blijven van de crisismaatregel zou hebben geleid. Verzoekster heeft ook niet aangegeven last te hebben gehad van het ontbreken van rechtsbijstand gedurende de crisismaatregel. Ook de burgemeester is van oordeel dat geen sprake is geweest van schade.

3.12.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat niet is gesteld of gebleken dat er werkelijk schade is geleden. Het verzoek tot schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen.

4 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de crisismaatregel van 13 maart 2020 gegrond voor zover dit betrekking heeft op de schending van artikel 7:2 lid 3 Wvggz.

- Verklaart voor het overige het beroep tegen de crisismaatregel van 13 maart 2020 ongegrond.

- Wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Deze beschikking is op 10 april 2020 mondeling gegeven door mr. E. Dinjens, rechter, en in het openbaar uitgesproken bijgestaan door E.L. Rosbeek-Benjamins als griffier.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.