Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2345

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
12-05-2020
Zaaknummer
C/13/681621 / KG ZA 20-283
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kort geding, nakomen omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/681621 / KG ZA 20-283 MvW/JE

Vonnis in kort geding van 14 april 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 30 maart 2020,

advocaat mr. R.F.P. Scheele te Rotterdam,

tegen

de stichting

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

vertegenwoordigd door D. van den Berg.

Partijen zullen hierna [eiser] en de WSS worden genoemd.

1 De procedure

Partijen hebben een schriftelijke procedure gevoerd, onderdeel van de “Tijdelijke afwijkende regeling voor kort gedingen rechtbank handel/familie vanwege de bijzondere omstandigheden door de Corona-crisis”. De mogelijkheid voor een schriftelijke procedure is na aanvraag van dit kort geding aan de eisende partij aangeboden, met bericht aan de gedaagde. Beide partijen hebben ingestemd met het volgen van deze procedure.

[eiser] heeft bij dagvaarding, met producties, gevorderd als onder 3.1 vermeld. Op

1 april 2020 heeft de WSS een conclusie van antwoord ingediend. Na een schriftelijke instructie van de voorzieningenrechter hebben partijen bij e-mails van 7 respectievelijk 8 april 2020 hun re- en dupliek ingediend. De daarbij door [eiser] ingediende productie is buiten beschouwing gelaten, nu partijen niet de gelegenheid hadden gekregen nog nadere stukken in te dienen. Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De minderjarige kinderen van [eiser] zijn:

  • -

    [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , en

  • -

    [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] .

2.2.

Het gezag van [eiser] over [kind 1] en [kind 2] is in respectievelijk 2015 en 2019 beëindigd evenals het gezag van de moeder, met benoeming van de WSS tot voogd.

2.3.

[kind 1] en [kind 2] wonen beiden in een gezinshuis.

2.4.

In een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 29 januari 2018 is een omgangsregeling vastgesteld waarbij [eiser] [kind 1] eenmaal per twaalf weken voor de duur van anderhalf uur mag bezoeken.

2.5.

In een beschikking van deze rechtbank van 30 oktober 2019 is bepaald dat [eiser] één keer in de zes weken anderhalf uur omgang heeft met [kind 2] onder begeleiding van de WSS.

2.6.

De WSS heeft [eiser] in een e-mail van 16 maart 2020 met als onderwerp “Corona” bericht dat de omgang niet doorgaat in ieder geval tot 6 april 2020.

2.7.

De advocaat van [eiser] heeft de WSS in een brief van 20 maart 2020 verzocht de omgang tussen [eiser] en zijn kinderen te hervatten. In een reactie hierop van 23 maart 2020 bericht de WSS dat de gezinshuizen van [kind 1] en [kind 2] geen medewerking geven aan ouder-kindcontacten.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – te bepalen dat de WSS per direct de omgang tussen [eiser] en zijn kinderen moet hervatten, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de WSS in de proces- en nakosten.

3.2.

WSS voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] kan zich niet verenigen met het besluit van de WSS om de omgang tussen hem en de kinderen op te schorten in verband met de uitbraak van het Coronavirus. Volgens [eiser] dient de WSS zich te houden aan de in de beschikkingen vastgestelde omgangsregelingen. Het is de verantwoordelijkheid van de WSS dat andere instanties hieraan meewerken, aldus [eiser] .

4.2.

De WSS stelt dat het beleid van de gezinshuizen van de kinderen is dat tijdens de Corona-crisis geen begeleide bezoeken plaatsvinden en dat continuering van de bezoeken ook niet in het belang van de kinderen is. Wel hebben de gezinshuizen videobellen aangeboden als alternatief. De omgangsregeling wordt door de WSS hervat zodra de Corona-maatregelen zijn opgeheven.

4.3.

[eiser] heeft, gelet op de aard van zijn vordering, een spoedeisend belang. Uitgangspunt is dat de beschikkingen waarbij de omgangsregelingen zijn vastgesteld, dienen te worden nagekomen, tenzij voldoende aannemelijk is dat zwaarwegende belangen van de minderjarigen zich daartegen verzetten. Dat is hier het geval zodat de vordering niet toewijsbaar is om de volgende redenen.

4.4.

De WSS heeft onweersproken gesteld dat de bezoeken van [eiser] aan beide kinderen doorgaans plaatsvinden in kleine ruimtes. Daarbij zijn, naast één van de kinderen en [eiser] , de partner van [eiser] en een begeleider aanwezig. De begeleider kan niet garanderen dat tijdens de omgang de voorgeschreven anderhalve meter afstand in acht genomen wordt. [eiser] en zijn partner hebben volgens de WSS beiden een beroep waarbij zij veelvuldig in aanraking komen met andere mensen en beide kinderen wonen in een gezinshuis met meerdere personen. Ook als [eiser] geen ziekteverschijnselen heeft, is het mogelijk dat hij (of een van de andere aanwezigen) besmet is met het Coronavirus, gelet op de incubatietijd van een aantal dagen. Er is dan ook een reële kans op besmetting tijdens de omgangsmomenten en de WSS wenst de kinderen en hun gezinshuizen niet aan dit risico bloot te stellen.

4.5.

Gelet op de bijzondere omstandigheden die de Corona-crisis meebrengt, is het opschorten van de omgang gerechtvaardigd. Bovendien heeft de WSS aan [eiser] het alternatief geboden van videobellen. [eiser] stemt daarmee niet in, omdat de kinderen daarvoor volgens hem te weinig geduld hebben en na vijf minuten al niet meer zouden willen bellen. Hoewel begrijpelijk is dat [eiser] de voorkeur geeft aan omgang boven videobellen, weegt zijn bezwaar daartegen niet op tegen de aan omgang verbonden gezondheidsrisico’s.

4.6.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering wordt afgewezen, met veroordeling van [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten, aan de zijde van de WSS begroot op nihil.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorziening;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van de WSS begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.M. Eisenhardt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2020.1

1 type: JE coll: mb