Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2316

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
C/13/672759 / HA ZA 19-1021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot verstrekking van afschrift van in bewijsbeslag genomen bescheiden. Eiser stelt slachtoffer te zijn van een lastercampagne. Vordering afgewezen omdat bewijs tegen gedaagde 1 niet nodig en onvoldoende gesteld voor od jegens 2

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/672759 / HA ZA 19-1021

Vonnis in incident van 15 april 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ATRH HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. L. Stoppels te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. H.H.T. Beukers te Eindhoven.

Partijen zullen hierna ATRH en [eiser sub 2] (samen: ATRH c.s.) en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering als bedoeld in artikel 843a Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv.),

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident,

  • -

    het proces verbaal van de op 3 maart 2020 gehouden pleidooien in het incident en de daarin genoemde stukken,

  • -

    de brief van ATRH c.s. van 9 maart 2020 met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 2] is (middellijk) bestuurder van de bedrijven SolidNature, dat handelt in

natuursteen en RevealRox, dat negen Iraanse steengroeven exploiteert. ATRH is een service vennootschap die diensten verleent aan SolidNature en RevealRox.

2.2.

[gedaagde] is van 1 juli 2017 tot en met 31 oktober 2017 bij ATRH werkzaam geweest in de functie van [functie] van [eiser sub 2] op basis van een overeenkomst van opdracht (hierna: de Opdrachtovereenkomst) gesloten tussen ATRH en [gedaagde] , die daarbij handelde onder de naam [gedaagde] . Deze overeenkomst bevat een geheimhoudingsbepaling in artikel 9. De Opdrachtovereenkomst verklaart algemene voorwaarden van toepassing, die in artikel 11 eveneens een geheimhoudingsbeding bevatten.

2.3.

Op 31 oktober 2017 is tussen ATRH en [gedaagde] een overeenkomst gesloten (hierna: de Geheimhoudingsovereenkomst). Daarin is overwogen dat deze overeenkomst de in de Opdrachtovereenkomst en de bijbehorende algemene voorwaarden opgenomen bepalingen over geheimhouding (artikel 9 respectievelijk 11) vervangt.
In artikel 1.1 van de Geheimhoudingsovereenkomst is het volgende bepaald:

“Anders dan ten behoeve van ATRH Holding bij de normale uitvoering van de taken in het kader van de Overeenkomst van Opdracht is het [gedaagde] zowel gedurende de Overeenkomst van Opdracht als na beëindiging daarvan, verboden op enigerlei wijze aan derden, direct of indirect, in welke vorm ook, mededeling te doen van of over enige bijzonderheid en vertrouwelijke informatie betreffende ATRH Holding (“Vertrouwelijke informatie”).
Onder Vertrouwelijke Informatie wordt in het bijzonder verstaan alle in formatie over bedrijfsgeheimen, financiële, commerciële, operationele en organisatorische kennis en gegevens, geheime formules, uitvindingen, ontwerpen, standaarden, (technische) data of informatie, processen, methodes, ruwe materialen en bedrijfsmethodes, alsmede alle daaraan gerelateerde informatie, kennis, details, handelspraktijken en verbeteringen, ongeacht of dergelijke informatie is voorzien van een aanduiding waaruit de vertrouwelijke aard of de eigendom van die informatie blijkt, en ongeacht de wijze waarop [gedaagde] de betreffende informatie ter kennis is gekomen.
Deze geheimhoudingsplicht omvat tevens alle gegevens van cliënten en/of andere

relaties van ATRH Holding en/of aan haar gelieerde ondernemingen waarvan [gedaagde]

in het kader van deze Overeenkomst kennis neemt.”

2.4.

[medewerker Revealrox] (hierna: [medewerker Revealrox] ) is van 1 september 2017 tot 24 november 2017 op basis van een ‘Contract for Services’ werkzaam geweest als [functie] voor RevealRox.

2.5.

[medewerker ATRH] (hierna: [medewerker ATRH] ) is van 1 mei 2017 tot 17 november 2017 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest als ‘ [functie] ’ van ATRH.

2.6.

Tussen [medewerker Revealrox] en [gedaagde] zijn met behulp van Whatsapp berichten uitgewisseld die – voor zover in dit geding van belang - als volgt luiden:

27 november 2017 13:57

[medewerker Revealrox] :

“Graag ook alle info over potentiele slachtoffers in [plaats]

Bankiers

Via [betrokkene 15]

Dat netwerk

Gewoon tutti wat je hebt

Tutti frutti (…)”

27 november 2017 19:11

[gedaagde] :

“ [betrokkene 1] , arbeidsrecht advocaat

Investeerders SN: [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] .

[betrokkene 5] : Vriend van [eiser sub 2] en [betrokkene 7]

[adres] [plaats]

Huis gekocht van [betrokkene 8] op [adres] in [plaats] voor meer dan 4 mio. Makelaar is [betrokkene 9] van JRS

[betrokkene 5] zijn vriend is daar partner.”

(…)

28 november 2017 9:35

[medewerker Revealrox] :

“Goedemorgen [gedaagde] , dank voor gister. En het is bijzonder om mee te maken dat er nog mensen zijn die geven om anderen en anderen willen helpen een halt toe te willen brengen aan zulke praktijken als [betrokkene 21] (…)”
Heb je adres en postcode [betrokkene 21] ”

[gedaagde] :

“ [adres] , [postcode] [plaats] ”

28 november 2017 20:22

[medewerker Revealrox] :

“Yesss

Je belde

Foto’s?”

[gedaagde] :
“21 uur zei ik (…)
Check je inbox”

(…)

29 november 2017 12:52

(…)

[medewerker Revealrox] :
“Check je email

Rustige 30 min lezen

Focus

(…)”

[gedaagde] :

“Ben jij haar ex”

[medewerker Revealrox] :

“Lees.

Rust.”

[gedaagde] :

“Jij bent [betrokkene 10] ”

[medewerker Revealrox] :

“Graag contact na pagina 32.”

[gedaagde] :

“Was [betrokkene 21] je opdracht.”

[medewerker Revealrox] :

“Pagina 32 aub

Lezen

Niet scannen

Goed lezen

Dan mij bellen

Ik bedoel tot pagina 32 lezen

Dan weet je wie wie is

En wie wat kan”

(…)

29 november 2017 14:51

(…)

[medewerker Revealrox] :

“Email mij aub staps gewijs

Hoe zij bij koning komen”

[gedaagde] :
“Hij is begonnen in een tijd dat de grenzen begonnen open te gaan.”

[medewerker Revealrox] :

“Met naam en toe naam

Stap voor stap”

(…)

[gedaagde] :

“ [betrokkene 11] en [betrokkene 12]

Dit zijn goede vrienden van [betrokkene 13] en [betrokkene 14]

[betrokkene 15] kent hun vanwege de fashion

In september 2016 zijn ze voor het eerst komen kijken. De middag na Prinsjesdag

Met [betrokkene 12] ”

(…)

1 december 2017 20:35

(…)

[medewerker Revealrox] :

“Wie is dit

[filmpje]”

[gedaagde] :

“Dat is [betrokkene 16] . Zijn [functie] .”

(…)

7 december 2017 16:07

[gedaagde] :

“ [betrokkene 17] , [functie] bij Clinker & Cement Consulting Limited

Meer gegevens heb ik niet”

2.7.

Op 1 december 2017 om 8:16 uur ontving [eiser sub 2] een e-mail van een afzender onder de naam Global Advisory Board Middle East (GABME), waarin stond dat GABME de opdracht zou hebben gekregen een “international fraud investigation” naar [eiser sub 2] en zijn ondernemingen te starten.
Aan de e-mail onder de naam GABME was een document gehecht, getiteld “International Security and Fraud Alert - Iranian Fraud” (hierna het GABME-rapport). Diezelfde dag is het GABME-rapport gepubliceerd op een website. In het GABME-rapport worden [eiser sub 2] en zijn broer [broer eiser sub 2] en de ondernemingen Solid Nature, RevealRox en ATRH beschuldigd van fraude, oplichting, witwassen en/of nauwe banden met de Iraanse overheid. In het rapport zijn portretfoto’s van [eiser sub 2] en werknemers van Solid Nature en RevealRox en ATRH afgebeeld. Verder wordt in het GABME-rapport gesteld dat [eiser sub 2] vanwege frauduleuze activiteiten een zeer luxe leven leidt. In dat kader worden onder meer privéadressen genoemd en foto’s afgebeeld van de appartementen waar hij woont of verblijft en de luxe auto’s die hij zou rijden.

2.8.

Het maandblad Quote heeft op 4 december 2017 een artikel gepubliceerd naar aanleiding van een vonnis inzake een geschil tussen [eiser sub 2] en [betrokkene 18] en heeft later nog andere publicaties gewijd aan [eiser sub 2] . Daarin is het GABME-rapport als volgt genoemd:

“Er verschijnen obscure websites waarop de Solid Nature-voorman wordt uitgemaakt voor fraudeur en oplichter die met schimmige trawanten en constructies investeerders-miljoenen zou wegsluizen naar het buitenland. Daarnaast zou een deel zijn verdampt door zijn exuberante uitgavenpatroon. Harde bewijzen voor de vuige aantijgingen ontbreken en [eiser sub 2] zegt zelf dat hij slachtoffer is van een ‘lastercampagne’.”

2.9.

ATRH heeft bij beschikking van 18 juli 2019 verlof gekregen om onder [gedaagde] conservatoir bewijsbeslag te leggen, welke bewijsbeslag is gelegd op 29 augustus 2019. Uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal blijkt dat de deurwaarder conservatoir bewijsbeslag heeft gelegd op kort gezegd:

E-mails:
(1) die in de periode vanaf 1 september tot en met 30 november 2017 zijn verzonden van de aan [gedaagde] ten behoeve van haar werkzaamheden als personal assistant van [eiser sub 2] ter beschikking gestelde e-mailadressen naar enig e-mail adres van [gedaagde] ;
(ii) die in de periode vanaf 1 september 2017 tot en met maart 2018 door enig e-mailadres van [gedaagde] zijn verzonden of ontvangen aan/van de aan ATRH c.s. bekende e-mailadressen van [medewerker ATRH] , [medewerker Revealrox] en [betrokkene 19] ;
(iii) die in de periode vanaf 1 september 2017 tot en met maart 2018 zijn verzonden door enig e-mailadres van [gedaagde] en waarin e-mails die oorspronkelijk afkomstig zijn van de aan haar als personal assistant van [eiser sub 2] ter beschikking gestelde e-mailadressen aan enig ander e-mailadres zijn doorgestuurd;
(iv) die in de periode vanaf 1 november 2017 tot en met maart 2018 zijn verzonden of ontvangen door enig e-mailadres van [gedaagde] en waar een specifiek in het verzoekschrift omschreven zoekterm in voorkomt.

Sms-berichten/WhatsApp-berichten:
(i) die in de periode vanaf 1 september 2017 tot en met maart 2018 zijn verzonden of ontvangen door enig telefoonnummer van [gedaagde] aan/van de aan Eisers bekende telefoonnummers van [medewerker ATRH] , [medewerker Revealrox] en [betrokkene 19] ;
(ii) die in de periode vanaf 1 juli 2017 tot datum bewijsbeslag zijn verzonden of ontvangen van enig telefoonnummer van [gedaagde] en waar een specifiek in het verzoekschrift omschreven zoekterm in voorkomt.

3 De vorderingen en de standpunten van partijen

3.1.

Dit vonnis betreft de hierna te vermelden incidentele vorderingen van ATRH c.s., maar die kunnen slechts worden begrepen en beoordeeld tegen de achtergrond van de vorderingen in de hoofdzaak en van wat partijen daarover hebben gesteld.

3.2.

ATRH c.s. vordert in het incident dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

( i) Primair

a. [gedaagde] veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis schriftelijk toestemming te verlenen aan Groot & Evers en DigiJuris tot het verstrekpken van afschriften van de Beslagen Bescheiden aan Eisers, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 50.000, althans een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of deel daarvan dat [gedaagde] niet voldoet aan dit gebod, met een maximum van EUR 150.000, althans een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen maximum;
b. te bepalen dat indien [gedaagde] niet binnen drie dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis voldoet aan de veroordeling tot het verlenen van schriftelijke toestemming zoals gevorderd onder a, eisers conform artikel 3:299 BW gemachtigd zijn om Groot & Evers en DigiJuris te instrueren om afschriften van de Beslagen Bescheiden aan Eisers te verstrekken;
(ii) Subsidiair:
een in goede justitie te bepalen veroordeling uitspreekt die ertoe strekt dat aan Eisers afschrift van de Beslagen Bescheiden wordt verstrekt;
(iii) zowel primair als subsidiair:
veroordeelt in de kosten van het bewijsbeslag en de kosten van dit incident, te vermeerderen met de nakosten een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

3.3.

In de hoofdzaak vordert ATRH dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
(i) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van EUR 600.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2017 tot de dag van algehele voldoening, althans een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2017 tot de dag van algehele voldoening;
(ii) [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de door ATRH gemaakte beslagkosten.

[eiser sub 2] vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
(i) voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem gehandeld heeft en dat zij aansprakelijk is voor de dientengevolge door hem geleden schade;
(ii) [gedaagde] veroordeelt tot een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding;
(iii) [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de door [eiser sub 2] geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

ARTH c.s. vordert veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding inclusief de nakosten, te voldoen binnen zeven dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis.

3.4.

ATRH c.s. stelt dat zij slachtoffer is van een lastercampagne die door [medewerker Revealrox] (met hulp van [medewerker ATRH] ) in opdracht van een onbekende derde tegen [eiser sub 2] is gevoerd en die tot doel had [eiser sub 2] en zijn bedrijven kapot te maken. [medewerker Revealrox] ontkent in de tegen hem gevoerde procedure niet langer zijn betrokkenheid bij deze lastercampage, maar stelt zich nu op het standpunt dat de onder de valse namen GABME, Ali Reza, Reza Ali en DNMSC gedane uitlatingen waar zijn.

ATRH c.s. stelt dat [gedaagde] aan [medewerker Revealrox] vertrouwelijke informatie heeft verschaft, die [medewerker Revealrox] heeft gebruikt in de lastercampagne. Daardoor heeft zij volgens ATRH c.s. in strijd gehandeld met de tussen haar en ATRH gesloten geheimhoudingsovereenkomst en heeft zij tevens onrechtmatig gehandeld jegens [eiser sub 2] .

3.5.

ATRH c.s. stelt dat zij de gevorderde afschriften nodig heeft om te bewijzen dat [gedaagde] meer informatie ten behoeve van de lastercampagne aan [medewerker Revealrox]

heeft verstrekt dan wel op verdere wijze betrokken was bij de lastercampagne.

3.6.

[gedaagde] stelt dat zij in de korte tijd dat zij voor [eiser sub 2] en zijn bedrijven werkzaam was heeft geconstateerd dat de bedrijven van [eiser sub 2] verlies leden, dat leveranciers onbetaald bleven en er bij werknemers onrust was over de betaling van hun salaris, terwijl ook de arbeidsongeschiktheidsverzekering van werknemers niet op orde was en de Iraanse groeven niet operationeel waren.
[medewerker Revealrox] heeft zich jegens haar gepresenteerd als een medewerker van de Nederlandse en Amerikaanse geheime dienst en heeft haar verteld dat [eiser sub 2] aan het hoofd staat van een internationale criminele organisatie met als doel zoveel mogelijk geld van Nederlandse zakenlieden te verkrijgen. Volgens [medewerker Revealrox] zou [eiser sub 2] door de Islamitische Republiek Iran zijn getraind en zijn operatie door hen en de Iraanse Ambassade in Nederland (door het verstrekken van vervalste documenten) worden ondersteund.

[gedaagde] is zo tegen wil en dank betrokken geraakt in een geschil en meende gevaar te lopen en dacht dat het het veiligst was de kant van [medewerker Revealrox] te kiezen. Zij heeft hem vervolgens informatie verstrekt zoals blijkt uit het onder 2.6 weergegeven Whatsapp gesprek. Zij betwist dat zij daarmee de geheimhoudingsovereenkomst met ATRH heeft overtreden of onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser sub 2] .

[gedaagde] stelt dat geen sprake was van een lastercampagne, maar van een onthulling. Dat [medewerker Revealrox] de opdracht had een lastercampagne tegen [eiser sub 2] en zijn bedrijven te voeren was haar in ieder geval niet bekend.

3.7.

Dat [medewerker ATRH] , [medewerker Revealrox] en [gedaagde] na het vertrek van [gedaagde] bij ATRH verschillende malen samen zijn gezien klopt, maar dat was volgens [gedaagde] omdat zij sprake over het plan om een beveiligingsbedrijf op te richten onder de naam Geosecurcorp. Dit bedrijf is uiteindelijk niet van de grond gekomen, aldus [gedaagde] .

3.8.

[gedaagde] verzet zich tegen toewijzing van de incidentele vordering. Zij stelt dat ATRH c.s. onvoldoende heeft gesteld om te concluderen dat zij een reële vordering

op [gedaagde] heeft. Een proportionaliteitsafweging noopt ertoe dat eerst het inhoudelijke debat in de hoofdzaak wordt afgewacht alvorens de vordering tot inzage wordt beoordeeld. Voor een behoorlijke rechtsbeding is verstrekking van bescheiden uit het bewijsbeslag niet nodig, met een getuigenverhoor kan volgens [gedaagde] ook voldoende informatie worden verkregen. Bovendien stelt zij dat het eigenlijke doel van de incidentele vordering is te achterhalen wie de opdrachtgever van [medewerker Revealrox] is. Dat is echter geen rechtmatig belang in het kader van dit geding, aldus [gedaagde] .

4 De beoordeling in het incident

4.1.

ATRH c.s. heeft onder [gedaagde] bewijsbeslag gelegd. De vordering in het incident strekt tot verstrekking van afschrift van bescheiden die in bewijsbeslag zijn genomen. Volgens artikel 843a Rv. gelden voor toewijzing van een dergelijke vordering de volgende vereisten:

(i) ATRH c.s. moet een rechtmatig belang hebben bij de gevorderde inzage;

(ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden; en

(iii) het verzoek moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin ATRH c.s. partij is.

In dit geval is tevens van belang dat in art. 843a Rv lid 4 is bepaald dat het verzoek kan worden afgewezen als een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

De rechtbank zal aan de hand van deze vereisten de standpunten van partijen bespreken.

rechtmatig belang

4.2.

ATRH c.s. heeft gesteld dat sprake is van een tekortkoming (jegens ATRH) en een onrechtmatige daad (jegens [eiser sub 2] ). [gedaagde] betwist beide. ATRH c.s. heeft alleen een rechtmatig belang bij verstrekking van bescheiden als zij voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit het redelijke vermoeden blijkt dat sprake is van de gestelde tekortkoming respectievelijk onrechtmatige daad (zie HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 en HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:307).

4.3.

Volgens ATRH c.s. heeft [gedaagde] de Geheimhoudingsovereenkomst geschonden door aan [medewerker Revealrox] de in onder 2.6 weergegeven berichten te zenden. Zij ziet daarin twaalf schendingen van de Geheimhoudingsovereenkomst namelijk mededeling van de volgende gegevens:
(i) op maandag 27 november 2017 de namen van investeerders van SolidNature;

(ii) op maandag 27 november 2017 de adresgegevens van het appartement van [eiser sub 2] in [plaats] ;

(iii) op maandag 27 november 2017 de naam van [betrokkene 1] , [functie] van [eiser sub 2] c.s.;

(iv) op maandag 27 november 2017 de naam van [betrokkene 5] , een vriend van [eiser sub 2] ;

( v) op maandag 27 november 2017 de naam van [betrokkene 15] , de [functie] van RevealRox en een [zakenrelatie] van [eiser sub 2] c.s.;

(vi) op maandag 27 november 2017 de naam van [betrokkene 8] , [zakenrelatie] van [eiser sub 2] en [zakenrelatie] ATRH c.s.;

(vii) op maandag 27 november de naam van [betrokkene 9] , [functie] van [eiser sub 2] en werkzaam bij JRS makelaars;

(viii) op dinsdag 28 november 2017 de adresgegevens van het appartement van [eiser sub 2] in [plaats] ;

(ix) op dinsdag 28 november 2017 de foto’s van [eiser sub 2] , waar van een foto is gebruikt door [medewerker Revealrox] ten behoeve van de gestelde lastercampagne;

( x) op woensdag 29 november 2017 de namen van [betrokkene 11] en [betrokkene 12] , ondernemers die [eiser sub 2] in contact hebben gebracht met een aantal nieuwe klanten, onder wie koning Willem-Alexander en koningin Maxima;

xi) op vrijdag 1 december 2017 de naam van [betrokkene 16] , de interieur designer van [eiser sub 2] en

(xii) op donderdag 7 december 2017 de naam van [betrokkene 17] , project manager en consultant bij Clinker & Cement Consulting Limited.

De genoemde gegevens zijn gebruikt in het GABME-rapport of andere voor ATRH c.s. schadelijke publicaties,

4.4.

ATRH c.s. baseert haar vermoeden dat [gedaagde] ten behoeve van de door haar gestelde lastercampagne informatie heeft verstrekt aan [medewerker Revealrox] en (verdere) betrokkenheid bij die lastercampagne had om de volgende omstandigheden.

(i) [gedaagde] heeft aan [betrokkene 20] , de [relatie] van [eiser sub 2] , gevraagd om zakelijke foto’s van [eiser sub 2] . [betrokkene 20] heeft die foto’s naar haar toegestuurd. Deze foto’s zijn verder enkel gebruikt in een presentatie voor twee klanten en een van de foto’s die is toegestuurd aan [gedaagde] is gebruikt in het GABME-rapport.

(ii) [gedaagde] heeft als ‘personal assistant’ van [eiser sub 2] een telefoon ontvangen met daarin de contactgegevenslijst van [eiser sub 2] . Andere werknemers van [eiser sub 2] c.s. hadden daar geen toegang toe. De lasterlijke berichtgeving is gericht verspreid aan relaties en klanten van [eiser sub 2] c.s. en Quote heeft eveneens contact gezocht met deze relaties en klanten.

(iii) In de relevante periode hebben ontmoetingen plaatsgevonden tussen [gedaagde] , [medewerker Revealrox] en [medewerker ATRH] .

4.5.

ATRH c.s. stelt om de volgende redenen de gevorderde afschriften van in bewijsbeslag genomen bescheiden nodig te hebben.
(i) De Whatsapp Correspondentie bevat aanwijzingen dat [gedaagde] ook per e-mail informatie aan [medewerker Revealrox] heeft verstrekt.
(ii) De Whatsapp Correspondentie zoals bij [medewerker Revealrox] aangetroffen lijkt op sommige delen niet volledig te zijn. ATRH c.s heeft gegronde redenen om aan te nemen dat [gedaagde] in deze verwijderde delen ook vertrouwelijke informatie aan [medewerker Revealrox] heeft verstrekt en/of dat daaruit haar verdere betrokkenheid blijkt.
(iii) Gelet op het feit dat [gedaagde] vertrouwelijke informatie aan [medewerker Revealrox] heeft verstrekt, heeft ATRH.c.s. gegronde redenen om aan te nemen dat [gedaagde] voorafgaand aan het aflopen van haar dienstverband dergelijke vertrouwelijke informatie naar zichzelf heeft gestuurd en heeft bewaard.
(iv) Uit de Whatsapp Correspondentie blijkt dat [gedaagde] gedurende de gestelde lastercampagne contact onderhield met bepaalde werknemers van [eiser sub 2] c.s. en heeft geprobeerd hen ertoe te bewegen om te stoppen met werken voor [eiser sub 2] c.s., zodat Eisers gegronde redenen hebben om aan te nemen dat zij dat ook met andere dan uit de Whatsapp Correspondentie blijkende werknemers heeft geprobeerd.
(v) Uit de Whatsapp Correspondentie en de verschillende ontmoetingen blijkt dat [gedaagde] en [medewerker Revealrox] en [gedaagde] , [medewerker Revealrox] en [medewerker ATRH] nauw contact onderhielden gedurende de lastercampagne, zodat ATRH c.s. gegronde redenen heeft om aan te nemen dat [gedaagde] ook contact onderhield met eventuele andere personen die betrokken waren bij de gestelde lastercampagne.
(vi) Gelet op het feit dat [gedaagde] aan [medewerker Revealrox] heeft gevraagd of ‘ [eiser sub 2] zijn opdracht is’ en dat uit de Whatsapp Correspondentie en de verschillende ontmoetingen blijkt dat [gedaagde] en [medewerker Revealrox] in de relevante periode nauw contact onderhielden, hebben Eisers gegronde redenen om aan te nemen dat [gedaagde] mogelijk op de hoogte is van wie de opdrachtgever van [medewerker Revealrox] is.
Het is aannemelijk dat eisers het voorgaande aan de hand van de Beslagen Bescheiden kunnen bewijzen, zodat het rechtmatig belang bij afschrift daarvan gegeven is, aldus ATRH.c.s..

4.6.

Gezien deze onderbouwing van de vordering in het incident zal eerst worden besproken of op [gedaagde] een geheimhoudinsgsverplichting rustte en zo ja of ATRH c.s. voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit het redelijke vermoeden blijkt dat sprake is van de gestelde tekortkoming daarvan. Verder zal dan moeten worden beoordeeld of ATRH c.s. gezien hetgeen zij met de gevorderde bescheiden wenst te bewijzen bij die vordering voldoende rechtmatig belang heeft, gezien haar vorderingen in de hoofdzaak.

De geheimhoudingsovereenkomst

4.7.

ATRH c.s. heeft zich beroepen op de onder 2.3 aangehaalde geheimhoudingsovereenkomst.

[gedaagde] geeft aan deze overeenkomst de uitleg dat de verplichting tot geheimhouding alleen geldt voor gegevens waarvan [gedaagde] kennis kan nemen in het kader van de Geheimhoudingsovereenkomst. Zij baseert die uitleg op de laatste zin van het onder 2.3 aangehaalde artikel 1.1 (“Deze geheimhoudingsplicht omvat tevens alle gegevens ….

waarvan [gedaagde] in het kader van deze Overeenkomst kennis neemt.”)

ATRH c.s. betwist deze uitleg en stelt dat duidelijk is dat de geheimhoudingsovereenkomst strekte tot geheimhouding van hetgeen [gedaagde] uit hoofde van de Opdrachtovereenkomst bekend was geworden.

4.8.

Bij de uitleg van artikel 1.1 van de Geheimhoudingsovereenkomst dient de rechtbank niet alleen te letten op de tekst van de overeenkomst, maar ook op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan wat zij zijn overeengekomen mochten toekennen en op wat zij op grond van de overeenkomst redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.9.

De passage waarop [gedaagde] zich baseert bevat het woord ‘tevens’, zodat de normale betekenis van die zin is dat die aan het voorafgaande niet afdoet. In het voorafgaande is uitdrukkelijk sprake van de vertrouwelijke informatie waarover [gedaagde] beschikt uit hoofde van de Opdrachtovereenkomst. Ook komt blijkens de overwegingen die aan de geheimhoudingsovereenkomst voorafgaan de op 31 oktober overeengekomen geheimhoudingsverplichting in de plaats van die welke voortvloeide uit de Opdrachtovereenkomst. Er zijn geen omstandigheden gesteld op grond waarvan [gedaagde] mocht verwachten dat zij – in strijd met de duidelijke taalkundige betekenis van de overeenkomst - voortaan alleen geheim behoefde te houden wat haar uit hoofde van de geheimhoudingsovereenkomst bekend was.

4.10.

[gedaagde] stelt dat zij de Geheimhoudingsovereenkomst onder druk heeft getekend. Nu zij daaraan geen gevolgen verbindt en zich met name ook niet beroepen heeft op de in artikel 3:44 BW geregelde vernietigbaarheid van rechtshandelingen, wordt hieraan voorbijgegaan.

Gestelde schendingen van de Geheimhoudingsovereenkomst

4.11.

Er van uitgaand dat [gedaagde] gebonden was aan de Geheimhoudingsovereenkomst is de vraag of er een "redelijke vermoeden" is dat zij deze heeft overtreden.

4.12.

[gedaagde] erkent dat zij de onder 2.6 weergegeven berichten aan [medewerker Revealrox] heeft gezonden, maar betwist dat daarmee inbreuk is gemaakt op de Geheimhoudingsovereenkomst. [gedaagde] heeft niet betwist dat zij deze berichten aan [medewerker Revealrox] gezonden heeft nadat zij de Geheimhoudingsovereenkomst had getekend.

Zij stelt dat [medewerker Revealrox] geen ‘derde’ was in de zin van de Geheimhoudingsovereenkomst, omdat hij werkzaam was voor (een andere vennootschap van) [eiser sub 2] . Verder betwist zij dat de verstrekte gegevens een hoog bedrijfsvertrouwelijk karakter hadden; het waren geen mededelingen over cliënten en/of andere relaties van ATRH.

4.13.

De rechtbank verwerpt het verweer dat [medewerker Revealrox] geen ‘derde’ was in de zin van de Geheimhoudingsovereenkomst, omdat [medewerker Revealrox] op het moment dat hem informatie werd verstrekt niet meer als [functie] voor RevealRox werkzaam was.

4.14.

De vraag of de gegevens die [gedaagde] aan [medewerker Revealrox] heeft verstrekt vallen onder de Geheimhoudingsovereenkomst zal in de hoofdzaak moeten worden beantwoord. Gezien de ruime strekking van deze overeenkomst kan in ieder geval niet nu al gezegd worden dat geen van de door [gedaagde] aan [medewerker Revealrox] verstrekte gegevens onder de Geheimhoudings-overeenkomst viel.

4.15.

Dat wil zeggen dat ATRH c.s. in beginsel een rechtmatig belang heeft bij bescheiden met betrekking tot de gestelde overtredingen van de Geheimhoudings-overeenkomst. Echter de gestelde twaalf schendingen van de Geheimhoudingsovereenkomst worden gebaseerd op de onder 2.6 weergegeven berichten waarover ATRH al beschikt. Nu [gedaagde] niet ontkent dat zij deze gegevens aan [medewerker Revealrox] heeft verstrekt, heeft ATRH c.s. geen rechtmatig belang bij verstrekking van bescheiden uit het bewijsbeslag voor zover het gaat om bewijslevering met betrekking tot deze gestelde overtredingen van de Geheimhoudingsovereenkomst.

4.16.

ATRH c.s. heeft de onder 4.5 genoemde omstandigheden gesteld, waaruit zij afleidt dat er mogelijk informatie over communicatie met [medewerker Revealrox] in het bewijsbeslag aanwezig is die haar nog niet bekend is. Ook stelt zij dat zij de gevorderde afschriften nodig heeft om te bewijzen dat [gedaagde] “meer informatie” ten behoeve van de lastercampagne aan [medewerker Revealrox] heeft verstrekt.

Van de twaalf onder 4.3 genoemde gegevens heeft ATRH c.s. gesteld
- dat het ging om geheime informatie in de zin van de geheimhoudingsovereenkomst,

- dat [gedaagde] beschikte over die geheime informatie,

- dat die informatie is gebruikt in de gestelde lastercampagne.

Van elk van de genoemde twaalf geheimen stelt ATRH c.s. dat [gedaagde] die blijkens de onder 2.6 weergegeven Whatsapp-conversatie aan [medewerker Revealrox] bekend heeft gemaakt en dat die door [medewerker Revealrox] in de lastercampagne zijn gebruikt. Er zijn echter overigens geen geheimen gesteld die mogelijk door [gedaagde] onthuld zouden kunnen zijn en die in de lastercampagne gebruikt zijn, maar waarvoor vooralsnog bewijs van Ramsings betrokkenheid ontbreekt. Daarom heeft ATRH c.s. geen rechtmatig belang bij de gevorderde gegevens. Een vordering tot inzage als bedoeld in artikel 843a Rv. mag immers geen ‘fishing expedition’ zijn.

Onrechtmatige daad jegens [eiser sub 2]

4.17.

Vervolgens is te onderzoeken of er een redelijke vermoeden is dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser sub 2] . Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval, omdat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] wist dat [medewerker Revealrox] voornemens was een lastercampagne tegen [eiser sub 2] en zijn bedrijven te voeren en dat de daarin te vermelden aantijgingen niet op waarheid zouden berusten en zij niettemin vertrouwelijke informatie heeft verstrekt die hij daarvoor heeft gebruikt.

4.18.

Ter zitting heeft ATRH c.s. op de vraag waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] moest weten dat de mededelingen van [medewerker Revealrox] onjuist waren geantwoord dat zij dacht dat zij allerlei informatie gaf aan [medewerker Revealrox] in de veronderstelling dat hij werkte voor een inlichtingendienst. Uit het GABME-rapport had zij kunnen afleiden dat het doel was een andere kapot te maken. Zij had zich hiervan moeten distantiëren; in plaats daarvan heeft [gedaagde] er voor gekozen om een bedrijf te beginnen met [medewerker Revealrox] . [gedaagde] heeft geen bewijs gezien waaruit blijkt dat wat [medewerker Revealrox] over [eiser sub 2] zei waar was, aldus ATRH c.s.

4.19.

De rechtbank is van oordeel dat uit de door ATRH c.s. aangevoerde omstandigheden niet kan worden afgeleid dat [gedaagde] wist dat [medewerker Revealrox] voornemens was een lastercampagne tegen [eiser sub 2] en zijn bedrijven te voeren. In de eerste plaats stelt ATRH c.s. dat de door [gedaagde] verstrekte informatie is gebruikt in het GABME-rapport. Daaruit volgt dat zij die informatie heeft verstrekt voordat het GABME-rapport verscheen. Dus kon zij toen zij de informatie verstrekte niet weten op welke wijze de door haar verstrekte gegevens zouden worden gebruikt en kon zij daaruit dus ook niets afleiden over de vraag of [medewerker Revealrox] al dan niet optrad voor een inlichtingendienst. De samenwerking met [medewerker Revealrox] in het kader van een op te richten bedrijf acht de rechtbank niet relevant, nu niet is gesteld of gebleken dat die samenwerking of dat bedrijf bedoeld waren om [eiser sub 2] schade toe te brengen.

4.20.

Ook als zou worden aangenomen dat [gedaagde] geen bewijs heeft gezien waaruit blijkt dat wat [medewerker Revealrox] over [eiser sub 2] zei waar was, leidt dat niet tot de conclusie dat [gedaagde] wist dat [medewerker Revealrox] voornemens was een lastercampagne tegen [eiser sub 2] en zijn bedrijven te voeren. Immers heeft [gedaagde] gesteld dat wat [medewerker Revealrox] haar vertelde aansloot bij haar eigen waarnemingen. Bovendien kan uit het feit dat de beschuldigingen niet bewezen waren niet worden afgeleid dat zij ongegrond waren en al evenmin kan daaruit worden afgeleid dat [medewerker Revealrox] de opzet had ongegronde beschuldigingen te gebruiken om [eiser sub 2] en zijn bedrijven te schaden.

4.21.

De conclusie is dat vooralsnog in dit geding een rechtmatig belang noch ten aanzien van ATRH noch ten aanzien van [eiser sub 2] aanwezig is. Dit leidt tot afwijzing van de incidentele vordering. De vraag of sprake is van voldoende bepaalde bescheiden en de vraag of er een rechtsbetrekking tussen partijen kan worden aangenomen behoeft dus niet te worden besproken.

4.22.

ATRH c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten in het incident. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 3.099,00 voor salaris advocaat. De gevorderde nakosten en wettelijke rente worden toegewezen zoals in het dictum vermeld.

In de hoofdzaak

4.23.

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor conclusie van antwoord. Desgewenst kan [gedaagde] volstaan met een verwijzing naar hetgeen gesteld is in haar conclusie van antwoord in het incident, nu daarin de hoofdzaak uitvoerig is besproken. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst de incidentele vorderingen af,

5.2.

veroordeelt ATRH c.s. in de kosten in het incident, aan de kant van [gedaagde] begroot op € 3.099,00 voor salaris advocaat, met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de voldoening;

5.3.

veroordeelt ATRH c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op

€ 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat ATRH c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

- verwijst de zaak naar de rol van 27 mei 2020 voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak,

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2020.1

1 type: RHCJ coll: NP