Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2277

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
NCC 20-014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
NCC
Inhoudsindicatie

The issue in this case is whether the parties expressly agreed for proceedings to be in English before the Netherlands Commercial Court (Court in Summary Proceedings). Under Article 30r DCCP, Dutch is the language of the motion on this preliminary issue [an English version of the judgment is provided as a courtesy]. The Court finds that there is a valid NCC clause as agreed by the parties. Article 30r DCCP does not impose any requirement to the effect that an NCC clause is valid only if included in a document signed by the parties. The requirement of an “express” agreement is met where the parties’ agreement in favour of NCC is clearly stated, was made with knowledge of the clause and was not hidden in one party’s general terms and conditions. In the Court’s preliminary analysis at this early stage, a reasonable person in the same circumstances as the motion defendant would have understood the documents to mean that disputes in connection with the Letter of Intent and the Transaction Agreement may be submitted to the NCC CSP. Two aspects of this analysis are that an NCC clause is separate from the main agreement (in which it is included) and that the motion claimant made numerous statements which, on a preliminary basis, warrant the conclusion that there was agreement on the NCC clause. Another important aspect is that the motion claimant consistently uses English to communicate and is based in Amsterdam. It is true that there is a formal requirement to enter into the transaction as a whole (“execute” and “deliver”), and there is an entire agreement clause, but these points have little weight in the analysis of whether there is agreement on the NCC clause. Given the close connection between the Transaction Agreement and the Letter of Intent, the NCC clause applies to disputes in connection with the Letter of Intent. These summary proceedings are within the scope of the NCC clause because the ordinary meaning of the word “pending” in the present circumstances is that an interim measure precedes and is without prejudice to the resolution of the dispute in arbitration.

(Summary in Dutch)

In deze zaak draait het om de vraag of partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen om te procederen bij (de voorzieningenrechter van) de Netherlands Commercial Court. Deze voorvraag moet op basis van artikel 30r Rv in het Nederlands worden behandeld.

Volgens de voorzieningenrechter is tussen partijen een geldig NCC-beding overeengekomen. Uit artikel 30r Rv volgt niet dat een NCC-beding slechts geldig is indien dat beding staat in een door partijen ondertekend document. Aan het “uitdrukkelijkheidsvereiste” is voldaan, indien de keuze van beide partijen voor NCC duidelijk tot uitdrukking is gebracht, welbewust is gemaakt en niet is verborgen in de algemene voorwaarden van één van partijen.

Verweerster in het incident heeft voorshands redelijkerwijs mogen aannemen dat geschillen met betrekking tot de intentieverklaring en de Transaction Agreement konden worden voorgelegd aan de voorzieningenrechter van de NCC. Daarbij is van belang dat een NCC-beding los staat van de hoofdovereenkomst waarin deze is opgenomen en dat eiseres in het incident talrijke uitlatingen heeft gedaan waaruit voorshands overeenstemming over het NCC-beding redelijkerwijs mocht worden afgeleid. Van belang is dat eiseres in het incident steeds in het Engels communiceert en in Amsterdam is gevestigd. Het feit dat voor totstandkoming van de Transaction Agreement een vormvereiste geldt (“execute” en “deliver”), en dat deze overeenkomst een “entire agreement clause” bevat, is niet van belang voor het wel of niet tot stand komen van overeenstemming over het NCC-beding. Vanwege de nauwe verbondenheid van de Transaction Agreement en de intentieverklaring, geldt het NCC-beding ook voor geschillen met betrekking tot de intentieverklaring.

Dit kort geding valt ook binnen de reikwijdte van het NCC-beding, omdat de gangbare betekenis van het woord “pending” in de onderhavige context is dat een voorlopige voorziening voorafgaat aan en niet vooruitloopt op de “resolution of any dispute” in arbitrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2020/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

(ENGLISH VERSION BELOW)

RECHTBANK AMSTERDAM

Netherlands Commercial Court

NCC District Court – Court in Summary Proceedings Zaaknummer: NCC 20/014 (C/13/681900)

Vonnis van 14 april 2020

in de zaak van

[X]

hierna: [X]

gevestigd te New York (New York, Verenigde Staten) eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident

advocaten: mrs. A.F.J.A. Leijten, O.J.W. Schotel en M.F. van Schendel te Amsterdam en

TENNOR HOLDING B.V.

hierna: Tennor gevestigd te Amsterdam

gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident

advocaten: mrs. S.C.M. van Thiel, R.E.E. van Dekken en C.L. Kruse te Amsterdam

Inhoudsopgave

  1. Samenvatting

  2. Procesverloop

  3. Feiten

  4. De vorderingen in de hoofdzaak en in het incident

  5. Beoordeling

  6. Beslissing Handtekeningenpagina’s

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 14 april 2020 om 11:00 uur vonnis gewezen (de beslissing). Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking (die is opgemaakt op dezelfde datum om 16:00 uur).

1 Samenvatting

Het gaat in deze zaak om een (voorgenomen, al dan niet tot stand gekomen) transactie tussen partijen (hierna: de transactie). De transactie komt erop neer dat [X] aandelen verkoopt en levert aan Tennor en dat Tennor de prijs (€ 169 miljoen) betaalt. [X] vordert primair dat partijen de transactie uitvoeren omdat zij een daartoe strekkende overeenkomst hebben gesloten, met een NCC-beding, waarin partijen een keuze hebben vastgelegd voor geschilbeslechting door de voorzieningenrechter (Court in Summary Proceedings, CSP) van de Netherlands Commercial Court (NCC). [X] vordert subsidiair dat Tennor de fee (€ 30 miljoen) betaalt op grond van de intentieverklaring (LOI), omdat Tennor de transactie niet

heeft uitgevoerd. Tennor stelt dat geen overeenkomst is gesloten. Tennor betwist het gestelde NCC-beding. In dit incident vraagt Tennor de aandacht voor de vraag of (voorshands moet worden aangenomen dat) een geldig NCC-beding tot stand is gekomen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het NCC-beding in dit geval geldig is. De voorzieningenrechter wijst de incidentele vordering daarom af.

2 Procesverloop

[X] heeft de dagvaarding medio maart 2020 betekend. De voorzieningenrechter heeft na overleg met de advocaten, in een conference call, een plan van behandeling gemaakt. Tennor heeft haar incidentele conclusie genomen. [X] heeft geantwoord. De voorzieningenrechter heeft het incident ter zitting (via videoconferencing) behandeld en bepaald dat heden vonnis wordt gewezen in het incident. Het incident is behandeld in het Nederlands en de voorzieningenrechter beslist eerst over het incident (art. 30r lid 2 en lid 4 Rv en art. 6.2 procesreglement NCC; hierna NCC Rules).

3 Feiten

3.1.

Partijen hebben uitvoerig overleg gevoerd over de transactie. De transactie komt erop neer dat [X] aandelen verkoopt en levert aan Tennor en dat Tennor de prijs betaalt.

3.2.

Enkele fases en punten in het overleg zijn als volgt:

a. Tennor heeft het eerste indicatieve bod uitgebracht in september 2018 en het tweede bod in juli 2019 (met als bijlage een Term Sheet), steeds met het voorbehoud “subject to contract”.

b. De oprichter en voorzitter van de Raad van Commissarissen van Tennor ([oprichter van Tennor]) heeft de transactie in september 2019 gepresenteerd aan de “board”. Dit is via een adviseur medegedeeld aan [X].

c. Tennor heeft in november 2019 financiële informatie verstrekt aan [X] in verband met haar ruimte om de beoogde prijs te betalen. Tennor heeft in november 2019 een “accounting issue” gemeld waardoor “closing” nog niet kon plaatsvinden.

d. Tennor heeft bij e-mail van 14 november 2019 van haar raadsman een door haar ondertekende intentieverklaring (LOI) gestuurd en daarbij medegedeeld dat “the actual signing and closing would then occur on 18th February 2020. In the light of the above, the Transaction Agreement is now final from our perspective and reflects the content our client is prepared to agree on. Please find, therefore, the executed Cover Letter of Intent as an offer for your countersignature.”

e. Tennor heeft bij e-mail van 26 december 2019 van haar raadsman met betrekking tot de intentieverklaring medegedeeld: “Happy to confirm also for Tennor that drafts are final from our perspective.”

f. De intentieverklaring is enkele dagen later ondertekend door partijen. De strekking van de intentieverklaring is dat partijen voornemens zijn de transactie aan te gaan, maar ieder voor zich de vrijhoud behoudt om ervan af te zien. Indien een partij ervan afziet (of de transactie niet uiterlijk 18 februari 2020 aangaat, later verlengd naar 2 maart 2020), betaalt die partij een fee aan de wederpartij, aldus de intentieverklaring. In de intentieverklaring staat niets over

geschillenbeslechting. Wel is Nederlands recht van toepassing verklaard. In de intentieverklaring wordt verwezen naar de Transaction Agreement (waarin de beoogde transactie werd vastgelegd):

“We [X], [haar CEO], [haar mede-aandeelhouder] (and certain affiliates), and Tennor Holding B.V. ("Tennor") have discussed whether [X] may sell and transfer to Tennor or a fully owned subsidiary of Tennor all of the outstanding shares of [onderneming gelieerd aan gedaagde in het incident] and 50% of the outstanding membership interests in Global Champions Tour USA LLC ("GCT LLC"). In the light of this, [X], [haar CEO] and Tennor declare their non-binding intention to execute the transaction agreement as attached hereto as Anne[X] 1 on the 18th of February 2020 (the "Transaction Agreement") (…).”

g. De bestuurder van Tennor ([oprichter van Tennor]) heeft in een persbericht laten weten: “I look forward to working with [mede-aandeelhouder] to help build on the success of this fantastic global sports property. [Mede- aandeelhouder] has been the pioneering figure at the top level of show jumping for many years and I am delighted that Tennor will be part of that continuing journey and the exciting opportunities ahead.”

h. Partijen hebben de intentie uitgesproken medio februari 2019 te “closen”, maar de raadsman van Tennor heeft medio februari 2019 bij e-mail laten weten dat een paar weken uitstel nodig was omdat de vennootschap die zou kopen nog niet opgericht was (“AcquiCo is simply not operable”). De raadsman van Tennor heeft daaraan toegevoegd: “there is no reason why the transaction agreement could not be signed prior to the 2nd of March”. De woorden “subject to contract” komen in deze e-mail niet voor.

i. De raadsman van Tennor heeft bij e-mails van 2 maart 2020 laten weten: “The proposed changes are fine. If [raadsman van mede-aandeelhouder] is also fine, we would distribute the executed version” en (na een e-mail van [raadsman van mede-aandeelhouder]) “Will revert with the signature pages in a few minutes”. De woorden “subject to contract” komen in deze e-mails niet voor.

3.3.

In de Transaction Agreement staat een arbitraal beding, met de bepaling dat partijen “pending” geschillenbeslechting in arbitrage de voorzieningenrechter (CSP) van de NCC mogen adiëren voor een voorlopige voorziening:

“This Transaction Agreement and the transactions contemplated by this Transaction Agreement are governed by and shall be construed in accordance with the laws of The Netherlands. All disputes arising out of or in connection with this Transaction Agreement shall be referred to and finally and exclusively adjudicated and settled under the rules of the Netherlands Arbitration Institute as applicable at the time of submission of the request for arbitration (the "Rules"). The Rules are incorporated by reference into this Section 14. The arbitral tribunal shall consist of three (3) arbitrators. In appointing the arbitrators, the list procedure as provided for in the Rules shall apply. The place of arbitration shall be Amsterdam and the arbitration shall be conducted in the English language only. Notwithstanding the foregoing, (i) any Party may apply to the Amsterdam District Court following proceedings in English before the Chamber for International Commercial Matters in the Court in Summary Proceedings ("CSP") for preliminary injunctive relief or similar interim measures necessary to preserve its rights pending resolution of any dispute arising out of or in connection with this Transaction Agreement through arbitration as contemplated above (with any appeals against CSP judgments being submitted to the Amsterdam Court of Appeal's Chamber for International Commercial Matters ("Netherlands Commercial Court of Appeal" or "NCCA")) and (ii) any Party may apply to any other court to the extent necessary to enforce against a Party hereto a judgment obtained pursuant to arbitration, the CSP and/or NCCA in conformity with the preceding provisions of this Section 14.”

3.4. [

[X] heeft de Transaction Agreement ondertekend en aan Tennor ter hand gesteld. Tennor heeft de Transaction Agreement niet ondertekend.

3.5.

Partijen communiceren met elkaar steeds in het Engels. De raadsman van Tennor voor de transactie in de hiervoor omschreven correspondentie was een partner van White & Case Duitsland.

4 De vorderingen in de hoofdzaak en in het incident

4.1. [

[X] vordert in de hoofdzaak Tennor te gelasten, kort samengevat, de transactie uit te voeren. Dit komt neer op afname van de aandelen en betaling van de koopprijs. [X] stelt hiertoe dat een overeenkomst tot stand is gekomen conform de Transaction Agreement. [X] vordert subsidiair betaling van de fee en stelt daartoe dat Tennor de keuze heeft gemaakt om de transactie niet tijdig aan te gaan, zoals voorzien in de intentieverklaring.

4.2.

Tennor vordert in het incident dat de voorzieningenrechter van de internationale handelskamer van de rechtbank (CSP van de NCC) de zaak verwijst naar de voorzieningenrechter van Team Kort Geding van de rechtbank om verder te procederen in de Nederlandse taal tegen betaling van het gewone griffierecht. Het gaat om een verwijzing van de ene naar de andere kamer van de rechtbank. Tennor stelt dat geen NCC-beding in de zin van artikel 30r Rv tot stand is gekomen.

5 Beoordeling

5.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is (woonplaats gedaagde). Dit is niet in geschil. Partijen zijn het er ook over eens dat Nederlands recht van toepassing is. In het incident is uitsluitend het NCC-beding aan de orde. Het debat over dit beding spitst zich geheel toe op de vraag of het beding uitdrukkelijk is overeengekomen zoals bepaald in artikel 30r Rv. De voorzieningenrechter moet de incidentele vordering voorshands beoordelen aan de hand van alle beschikbare informatie van beide partijen.1De voorzieningenrechter stelt, ambtshalve toetsend, vast dat aan de overige eisen voor behandeling door de NCC is voldaan (NCC Rules, art. 1.3.2 jo. art. 1.3.1).

Is een geldig NCC-beding overeengekomen?

5.2.

Tennor stelt in haar incidentele conclusie in de eerste plaats dat partijen geen overeenkomst zijn aangegaan als omschreven in de Transaction Agreement. Volgens Tennor is verder wat betreft het overeenkomen van een NCC-beding (artikel 30r Rv) sprake van een hoge drempel waaraan strikt moet worden getoetst. Tennor wijst erop dat een NCC- beding in de intentieverklaring ontbreekt en dat partijen in de intentieverklaring wel een uitdrukkelijke rechtskeuze (Nederlands recht) hebben opgenomen. Tennor vat haar standpunt als volgt samen:

“Tennor en [X] zijn niet uitdrukkelijk en schriftelijk (en evenmin anderszins) overeengekomen dat procedures tussen hen bij de CSP (dan wel de NCC) zullen worden gevoerd. Dit is echter wel een 'harde' eis op grond van artikel 30r Rv en artikel 1.3.2 (b) in samenhang met artikel 1.3.1 (d) van het NCC-reglement. Het betreft een hoge drempel waaraan strikt behoort te worden getoetst. De LoI bevat geen forumkeuzebeding, laat staan een uitdrukkelijke keuze voor de CSP, en dat is een bewuste keuze van partijen. De TA bevat in artikel 14 (a) wel een keuze voor de CSP (onder voorwaarde, hetgeen hieronder wordt toegelicht)

- maar de TA is niet door Tennor ondertekend of tot stand gekomen, waardoor het (ook) ten aanzien van de TA ontbreekt aan de vereiste uitdrukkelijke en schriftelijke overeenstemming tussen partijen over de keuze voor de CSP. Voor de totstandkoming van de TA is vereist dat deze door iedere partij wordt ondertekend en vervolgens aan de andere betrokken partijen wordt uitgereikt of afgegeven (‘execute and deliver’). In confesso is dat deze ondertekening en de daaropvolgende uitreiking of afgifte niet heeft plaatsgevonden, zodat de TA dus ook niet tot stand is gekomen. Daarnaast dient op grond van artikel 14 (a) van de TA voor het instellen van een procedure bij de CSP een arbitrageprocedure aanhangig te zijn tussen Tennor en [X] ('pending (...) arbitration'). Er is op dit moment geen arbitrageprocedure aanhangig tussen partijen en [X] heeft ook geen blijk gegeven hiertoe een voornemen te hebben. De conclusie is dan ook dat de CSP, nu het ontbreekt aan de vereiste keuze voor de CSP, onbevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van [X] in de onderhavige procedure.”

5.3. [

[X] antwoordt dat partijen wel degelijk een bindende afspraak hebben gemaakt conform de Transaction Agreement, met NCC-beding, en dat dat NCC-beding ook geldt voor de intentieverklaring:

“The LoI was intended as only an administrative document, in order to ensure that Tennor's auditors would be comfortable that the Transaction would not be booked in financial year 2019 but in financial year 2020. It was not an indication that the parties had any intention other than to consummate the Transaction. As such, the parties intended the choice for the CSP contained in Clause 14(a) of the Transaction Agreement to be an integral part of the LoI and it was therefore attached to the LoI as an annex. Consequently, the parties chose to submit any disputes with regard to the LoI to the CSP in English as well.”

5.4.

De reactie van Tennor, wat dit laatste betreft, is dat uit de intentieverklaring in samenhang met de bijlage niets kan worden afgeleid over een NCC-beding dat geldt voor de intentieverklaring zelf. Tennor wijst op het volgende:

“Daarnaast blijkt ook nergens uit dat Tennor en [X] zouden hebben bedoeld om de forumkeuze in artikel 14 (a) van de TA een

ruimer geldingsbereik te geven (…), zodanig dat deze forumkeuze ook en reeds zou zien op geschillen tussen partijen na ondertekening van de LoI en vóór ondertekening van de TA.

Dit volgt niet uit de tekst van artikel 14 (a) van de TA zelf, nu hierin enkel wordt verwezen naar "disputes arising out of or in connection with this Transaction Agreement".

Voorts bevat artikel 15 (b) van de TA een zogenoemde entire agreement-bepaling die de werking van alle eerder overeengekomen overeenkomsten uitsluit en dus de LoI elimineert:

"This Transaction Agreement represents the entire agreement between the Parties and supersedes and extinguishes all previous drafts, agreements, arrangements and understandings between the Parties, whether written or oral and whether express or implied, relating to any of the transactions contemplated hereby."”

5.5.

De voorzieningenrechter beoordeelt deze argumenten hieronder.

5.6.

Het eerste geschilpunt betreft de vraag wat “uitdrukkelijk” betekent in artikel 30r Rv.

a. De voorzieningenrechter neemt de tekst en de parlementaire geschiedenis van artikel 30r lid 1 Rv2in aanmerking.

In de tekst staat:

“Indien de rechtbank Amsterdam (…) bevoegd is kennis te nemen van een geschil dat is ontstaan of zal ontstaan naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking die ter vrije bepaling van partijen staat en het een internationaal geschil betreft, kunnen partijen die dit uitdrukkelijk zijn overeengekomen bij de internationale handelskamer van die rechtbank («Netherlands Commercial Court») (…) procederen in de Engelse taal.”

In de parlementaire geschiedenis staat:

"Partijen dienen de keuze om in de Engelse taal bij de NCC te procederen uitdrukkelijk te doen. In de internetconsultatie is onder andere door de NOvA erop aangedrongen om voor de beoordeling van de geldigheid van de keuze om in het Engels bij de NCC te procederen aan te sluiten bij de vereisten die voortvloeien uit artikel 25 van de Brussel I bis-verordening en artikel 3 van het Haags Forumkeuzeverdrag. Dit met het oog op het mogelijk maken van de NCC-afspraak via de algemene voorwaarden die op een overeenkomst van toepassing zijn. Algemene voorwaarden en een daarin vervatte forumkeuze kunnen ook stilzwijgend worden aanvaard. Nu de NCC zich richt op partijen die welbewust kiezen voor een procedure in het Engels bij de NCC, is ervoor gekozen om het uitdrukkelijk overeenkomen daarvan als voorwaarde te hanteren. Een overeenkomst waarbij de keuze voor de NCC in de algemene voorwaarden van een van de partijen is opgenomen en waarbij de algemene voorwaarden door de andere partij stilzwijgend zijn aanvaard, voldoet daar niet aan. Indien de keuze voor de NCC in de algemene voorwaarden is opgenomen, blijft deze dus zonder rechtsgevolg. Dat is slechts anders indien de partij de in de algemene voorwaarden opgenomen keuze van de wederpartij om bij de NCC in het Engels te procederen alsnog uitdrukkelijk heeft aanvaard. Deze aanvaarding moet dan kunnen worden bewezen door een geschrift."3

"(...) de kapper om de hoek zal niet snel bij de NCC(A) terecht komen omdat hij in de regel geen internationale overeenkomsten sluit en, zo hij dat al doet, dan niet snel voor meer dan € 25.000 (de kantongrens) contracteert. De keuze voor de NCC(A) moet daarnaast altijd uitdrukkelijk door beide partijen geschieden. Ook daarin is derhalve een waarborg gelegen dat kleine ondernemers niet onverhoeds zullen worden geconfronteerd met het hogere NCC(A) griffierecht."4

b. De voorzieningenrechter slaat ook acht op het commentaar van mrs. Drion5en Kuijpers6over de voorwaarde van een uitdrukkelijk NCC-beding.

c. De voorzieningenrechter benadrukt bij de beoordeling dat een forumkeuze in dit geval niet aan de orde is. De bevoegdheid van de rechtbank/voorzieningenrechter berust op de woonplaats van de gedaagde partij Tennor: Amsterdam. In het incident gaat het uitsluitend om de vraag of een geldig NCC-beding is overeengekomen. Het komt dus aan op uitleg van art. 30r Rv en de stukken en overige uitlatingen van partijen.

d. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende, in de context van artikel 30r Rv, dat de keuze van beide partijen voor NCC duidelijk tot uitdrukking is gebracht, welbewust is gemaakt, niet is verborgen in de algemene voorwaarden van één van partijen en schriftelijk is vastgelegd. Uit artikel 30r Rv volgt niet dat een NCC-beding slechts geldig is indien het beding staat in een door partijen ondertekend document. Voor een dergelijke conclusie is geen steun te vinden in de wet, de parlementaire geschiedenis en de literatuur.

5.7.

Het tweede geschilpunt betreft de betekenis van de door partijen overgelegde stukken. Partijen hebben niets gesteld over overige uitlatingen die buiten deze stukken om over en weer zouden zijn gedaan.

a. Vooropgesteld moet worden dat een NCC-beding los staat van de hoofdovereenkomst waarin deze is opgenomen.7Dit betekent dat de vraag of partijen overeenstemming hebben bereikt over dit beding moet worden beoordeeld afzonderlijk van de vraag of zij overeenstemming hebben bereikt over de overeenkomst waarin deze is opgenomen, in dit geval de (beoogde) Transaction Agreement. Het betekent bovendien dat:

- het feit dat voor totstandkoming van de Transaction Agreement een vormvereiste geldt (namelijk dat deze “executed” en “delivered” wordt) niet zonder meer meebrengt dat dit ook geldt voor het NCC-beding, en

- het feit dat de Transaction Agreement een “entire agreement clause” bevat, niet van belang is voor het wel of niet tot stand komen van overeenstemming over het NCC-beding.

b. Het standpunt van [X] is dat partijen gezien de hiervoor onder 3.2 omschreven uitlatingen in elk geval overeenstemming hebben bereikt over een NCC-beding voor voorlopige maatregelen. De voorzieningenrechter acht dit voorshands, op grond van de maatstaf hiervoor onder 5.1, juist: partijen hebben overeenstemming bereikt over de aanwijzing van de CSP van de NCC voor het nemen van voorlopige maatregelen.

c. De voorzieningenrechter overweegt dat beide partijen een grote onderneming exploiteren die internationaal – zo niet wereldwijd – activiteiten en ambities heeft. Het gaat aan beide kanten om ervaren internationale ondernemingen die doorgaans in de Engelse taal zaken doen. Partijen zijn geen consument of kleine onderneming (als omschreven door mr. Drion; zie hiervoor) of “kapper om de hoek” (als gemeld in de parlementaire geschiedenis). Tennor werd in de gesprekken bijgestaan door een partner van White & Case, die verbonden is aan de Duitse praktijk van dat kantoor en in het Engels communiceert. De correspondentie tussen partijen is geheel in het Engels gevoerd. De documentatie is geheel in het Engels opgemaakt. En in de Transaction Agreement staat met zoveel woorden dat de geschillenbeslechting in het Engels plaatsvindt. Onweersproken is de stelling van [X] over Tennor:

“First, Tennor is not a Dutch speaking small enterprise. Instead, it is a typical international holding company: (i) it publishes its annual accounts in English, (ii) its primary offices seem to be in Berlin and London, (iii) none of its participations is Dutch, (iv) its primary bank account is outside the Netherlands, (iv) its four directors are based in the United Kingdom, Ireland, and Germany and (v) all members of its advisory board are based outside the Netherlands. Thus, Tennor's personnel and outside counsel working on the transaction are all proficient English speakers and are - as far as [X] is aware - not native Dutch speakers (and in fact, may not speak Dutch at all). So not speaking English is actually more of a burden and a cost for both parties.”

d. Tennor wijst er terecht op dat de rechtspraak zonder aanzien des persoons moet geschieden. Dit klopt helemaal. Justitie is blind voor de identiteit van partijen. Maar niet voor hun hoedanigheid. De hoedanigheid van partijen (c. hiervoor) speelt wel degelijk een rol bij de uitleg van de stukken (Haviltex). Dit is vaste rechtspraak.

e. De voorzieningenrechter neemt verder de aard en strekking van een NCC-beding in aanmerking. De impact van dat beding is – in dit geval – gering. Het gaat om de taal (Engels) en het hogere griffierecht. De rechtbank heeft zich conform de wet bereid verklaard bepaalde zaken in het Engels te behandelen, waarbij het hogere griffierecht geldt. Meer niet. Tennor wordt, anders dan zij meent, niet afgetrokken van de rechter die haar volgens de wet toekomt. Tennor procedeert, bij een keuze voor NCC, niet voor een andere of buitenlandse rechter of arbiter, maar voor haar eigen rechtbank (Amsterdam) in haar eigen taal (Engels).8De rechtbank inclusief NCC is, anders dan Tennor beweert, vanzelfsprekend een tribunaal dat “established by law” is in de zin van het EVRM.9Het griffierecht valt in het niet bij de overige kosten in deze zaak. Tennor heeft “vertaalkosten” genoemd als extra kosten die zouden voortvloeien uit behandeling van de zaak door de NCC, maar deze kosten zullen naar verwachting juist veel hoger zijn indien de procedure in het Nederlands wordt gevoerd, omdat op het laatste moment vertalingen van processtukken in het Nederlands moeten worden opgemaakt, nadat de Engelstalige concepten met cliënten zijn besproken.

f. De voorzieningenrechter neemt verder in aanmerking dat de intentieverklaring en de Transaction Agreement nauw met elkaar verbonden zijn. De intentieverklaring bepaalt wanneer een partij een keuze moet maken voor het wel of niet aangaan van de Transaction Agreement, en wat de gevolgen zijn van het niet aangaan daarvan (betaling van de fee). In die zin wijkt deze intentieverklaring af van een gebruikelijke gang van zaken, waarbij eerst een intentieverklaring wordt uitgesproken en daarna wordt onderhandeld over de precieze details van de overeenkomst. Hier lag de Transaction Agreement (met het NCC-beding) al in wezen voor ondertekening gereed, maar wilden partijen grip houden op het (moment van het) daadwerkelijk tot stand komen daarvan. Het NCC-beding is weliswaar alleen opgenomen in de Transaction Agreement en verwijst naar “dispute arising out of or in connection with this Transaction Agreement”, maar vanwege de nauwe verbondenheid tussen intentieverklaring en Transaction Agreement heeft [X] er voorshands gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat dit beding zich ook uitstrekte tot geschillen met betrekking tot de intentieverklaring.

Een andere uitleg van het NCC-beding zou er ook toe leiden dat:

- indien [X] ervoor zou kiezen om de transactie niet aan te gaan en daardoor de fee aan Tennor verschuldigd zou worden, Tennor zou moeten procederen bij de rechter in New York (woonplaats [X]), maar op basis van Nederlands recht (5.1 hiervoor);

- indien de arbiters in de bodemzaak zouden oordelen dat de transactie toch niet tot stand zou zijn gekomen, partijen daarna nog eens bij de civiele rechter zouden moeten procederen over het al dan niet verschuldigd zijn van de fee.

Voorshands is onaannemelijk dat partijen dat hebben bedoeld. In ieder geval heeft

[X] dat voorshands redelijkerwijs niet zo hoeven te begrijpen. Hierdoor kan evenmin het betoog van Tennor worden aanvaard dat voor het NCC-beding ook het vormvereiste van “execute and deliver” zou gelden (in die zin dat het NCC-beding pas tot stand komt wanneer partijen de Transaction Agreement ondertekenen en aan de wederpartij ter hand stellen).

g. In het licht van al het voorgaande mocht [X] ten tijde van het aangaan van de intentieverklaring en de nadere communicatie (3.2 hiervoor) al gauw redelijkerwijs aannemen dat Tennor (graag) bereid was (a) om een NCC-beding voor voorlopige maatregelen af te spreken met betrekking tot een geschil “in connection with” de Transaction Agreement en (b) om af te spreken dat geschillen die zouden ontstaan over de totstandkoming van de Transaction Agreement of uit de intentieverklaring onder de reikwijdte van dit beding zouden vallen. De bewoordingen van intentieverklaring en de overige uitlatingen (3.2 hiervoor) zijn voorshands voldoende om dat aan te nemen.

h. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de woorden “subject to contract” in de kringen waar partijen toe behoren (M&A specialisten) betekenen dat een partij een voorbehoud maakt: geen afspraak in dat stadium, totdat de formele documentatie gereed is en daarover overeenstemming wordt bereikt. Deze woorden zijn bij het eerste en tweede bod wel gebruikt door de raadsman van Tennor, die naar moet worden aangenomen zeer goed op de hoogte is van de betekenis daarvan in de voornoemde kringen. Later zijn deze woorden niet meer gebruikt. Ook deze omstandigheid, in samenhang met de overige context, is van belang voor de gerechtvaardigde verwachting die [X] heeft mogen hebben.

i. Juridisch vertaald: [X] heeft gelet op de intentieverklaring en de verdere uitlatingen (3.2 hiervoor) voorshands redelijkerwijs mogen aannemen dat geschillen zoals de primaire en subsidiaire vorderingen mogen worden voorgelegd aan de voorzieningenrechter van de NCC met het oog op een voorziening. Deze uitleg acht de voorzieningenrechter voorshands overtuigend en overeenkomstig de kenbaar gemaakte bedoelingen van partijen in de context.

j. Hiermee is uiteraard niets gezegd over de totstandkoming van de Transaction Agreement als geheel. Dat is een issue voor een bodemzaak en (in het kader van de gevorderde voorlopige voorzieningen) het vervolg van dit kort geding. De lat kan wat betreft de Transaction Agreement als geheel (aanzienlijk) hoger liggen, gelet op de aard, strekking en omvang daarvan (afname van aandelen/een onderneming, betaling van een significante koopprijs), tegen de achtergrond van “market practices” in de kringen waartoe partijen behoren (M&A specialisten).

5.8.

De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande voorshands van oordeel dat partijen een geldig NCC-beding hebben gesloten.

Moet NCC de zaak verwijzen bij gebreke van een “pending” arbitrage?

5.9.

Tennor stelt vervolgens dat deze procedure niet valt binnen de reikwijdte van het NCC-beding omdat nu nog geen arbitrage aanhangig (“pending”) is.

5.10. [

[X] antwoordt wat betreft dat woord “pending” dat dit in algemene zin de relatie beschrijft tussen een voorlopige voorziening en een bodemprocedure en de reikwijdte van het NCC-beding niet beperkt. Volgens [X] kan het woord “pending” ook betekenen: “before” of “imminent”.

5.11.

De cruciale passage in de Transaction Agreement, waarover partijen van mening verschillen, luidt als volgt:

“Notwithstanding the foregoing, (i) any Party may apply to the Amsterdam District Court following proceedings in English before the Chamber for International Commercial Matters in the Court in Summary Proceedings ("CSP") for preliminary injunctive relief or similar interim measures necessary to preserve its rights pending resolution of any dispute arising out of or in connection with this Transaction Agreement through arbitration (…).”

5.12.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit beding door partijen redelijkerwijs niet mocht worden opgevat in de door Tennor bedoelde zin: dat een voorlopige voorziening bij de NCC uitsluitend mogelijk zou zijn wanneer een arbitrage “aanhangig” is in de formele juridische zin van die term (lis pendens). Partijen hebben redelijkerwijs in deze omstandigheden uit het beding mogen afleiden, wat betreft de betekenis van het woord “pending”, dat een voorlopige voorziening voorafgaat aan en niet vooruitloopt op de “resolution of any dispute” in arbitrage. Dat is de gangbare en duidelijke betekenis van het Engelse woord “pending” in deze context. De voorzieningenrechter verwerpt het standpunt van Tennor.

Heeft Tennor belang bij haar incidentele vordering?

5.13.

Gelet op al het voorgaande kan het antwoord op de vraag of Tennor, bij gebreke van enig rechtens te respecteren belang bij haar vordering in het incident, misbruik van bevoegdheid maakt (zoals [X] betoogt),10in het midden blijven.

Slotoverwegingen

5.14.

De conclusie wat betreft het incident is dat de vordering moet worden afgewezen. De volgende stap in de procedure is dus dat Tennor haar conclusie van antwoord neemt, zoals eerder vastgelegd in de aanwijzingen van 27 maart 2020. Gelet op de voorkeur van Tennor en de strakke planning, die eerder met partijen is afgestemd en recht doet aan alle betrokken belangen, zal de voorzieningenrechter bepalen dat Tennor haar conclusie desgewenst in het Nederlands mag nemen.11Tennor mag desgewenst ook ter zitting in het Nederlands verweer voeren. Het griffierecht voor Tennor wordt verhoogd tot het tarief dat geldt voor een procedure bij de voorzieningenrechter van de NCC (art. 9a Wet griffierechten in Burgerlijke Zaken).

5.15.

De voorzieningenrechter zal de beslissing over de proceskosten aanhouden tot het vonnis in de hoofdzaak in dit kort geding.

6 Beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

wijst af het gevorderde in het incident,

6.2.

bepaalt dat Tennor haar conclusie van antwoord in de hoofdzaak – desgewenst in de Nederlandse taal – neemt op 17 april 2020, waarna de zaak verder wordt behandeld conform de aanwijzingen van 27 maart 2020,

6.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes, rechter, bijgestaan door mr. W.A. Visser, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2020.

GOEDGEKEURD VOOR VERSPREIDING VIA eNCC

DE PAPIEREN, ONDERTEKENDE VERSIE IS HET OFFICIËLE AFSCHRIFT

EEN ENGELSTALIGE VERSIE GAAT HIERBIJ

DE NEDERLANDSTALIGE VERSIE IS AUTHENTIEK

_____________________________________________________________________________________________________________________

THE ENGLISH VERSION BELOW IS PROVIDED AS A COURTESY THE DUTCH VERSION ABOVE IS AUTHENTIC

Contents

  1. Summary

  2. Procedural history

  3. Background facts

  4. The claim in the main action, and the motion

  5. Discussion

  6. Conclusion and order Signature pages

The judgment on the motion (stating the decision) was given at 11 AM on 14 April 2020 in this urgent matter. The text below is the further written reasoning, which was given on the same day at 4 PM.

1 Summary

The issue in this case is whether a transaction was prospective and remained that way, or whether the transaction was concluded by the parties. The substance of the transaction is that [claimant, referred to below as: X] would sell and deliver shares to Tennor and Tennor would pay the price (€ 169 million). [X]’s main claim is that the parties must carry out the transaction because they entered into an agreement to that effect, including an NCC clause, in which the parties recorded their agreement for dispute resolution to be before the Court in Summary Proceedings (CSP) of the Netherlands Commercial Court (NCC). [X]’s alternative claim is that Tennor tacitly elected not to enter into the transaction and therefore owes the fee (€ 30 million) under the Letter of Intent (LOI). Tennor responds that there is no agreement, and Tennor challenges the alleged NCC clause. That challenge is the subject of Tennor’s motion. The issue in the motion is whether, on a preliminary basis at this early stage of the litigation, there is a valid NCC clause. The Court finds that the NCC clause in this case is valid. Accordingly, the motion is denied.

2 Procedural history

[X] served the initial papers in mid-March 2020. The Court set a schedule following a conference call with counsel. Tennor filed its motion. [X] responded. The Court dealt with the motion at a videoconference hearing and notified the parties that judgment would be given today on the motion. The language of the motion is Dutch and the Court will rule on the motion prior to any further proceedings (Article 30r (2) and (4) DCCP and Article 6.2 of the NCC Rules).

3 Background facts

3.1.

The parties held extensive talks about the transaction. The substance of the transaction is that [X] would sell and deliver shares to Tennor and Tennor would pay the price.

3.2.

Several phases and points in the talks are as follows:

a. Tennor made an initial indicative offer in September 2018 and a second offier in July 2019 (with a Term Sheet attached). Both documents state that they are “subject to contract”.

b. In September 2019, Tennor’s founder and chairman, Lars Windhorst, presented the transaction to the board. An advisor sent a confirmation of the presentation to [X].

c. In November 2019, Tennor provided financial data to [X] so as to confirm its ability to pay the contemplated price. However, Tennor reported an “accounting issue” in November 2019, so that closing was not feasible.

d. In a 14 November 2019 email, Tennor’s counsel sent an executed LOI and wrote that “the actual signing and closing would then occur on 18th February 2020. In the light of the above, the Transaction Agreement is now final from our perspective and reflects the content our client is prepared to agree on. Please find, therefore, the executed Cover Letter of Intent as an offer for your countersignature.”

e. In a 26 December 2019 email, Tennor’s counsel wrote (referring to the LOI): “Happy to confirm also for Tennor that drafts are final from our perspective.”

f. The LOI was signed several days later. The LOI basically states that the parties intend to enter into the transaction, but are free to elect not to do so. The LOI also states that if a party so elects (or fails to complete the transaction by 18 February 2020, later extended to 2 March 2020), the electing party owes the counterparty a fee. The LOI says nothing about dispute resolution, but it does designate Dutch law as the governing law. The LOI refers to the Transaction Agreement (setting out the proposed transaction) as an annex:

We [X], [its CEO], [its co-shareholder] (and certain affiliates), and Tennor Holding B.V. ("Tennor") have discussed whether [X] may sell and transfer to Tennor or a fully owned subsidiary of Tennor all of the outstanding shares of [a company related to X] and 50% of the outstanding membership interests in Global Champions Tour USA LLC ("GCT LLC"). In the light of this, [X], [its CEO] and Tennor declare their non- binding intention to execute the transaction agreement as attached hereto as Anne[X] 1 on the 18th of February 2020 (the "Transaction Agreement") (…).

g. Tennor’s chairman ([Tennors chairman]) said in a press release: “I look forward to working with [co-shareholder] to help build on the success of this fantastic global sports property. [Co-shareholder] has been the pioneering figure at the top level of show jumping for many years and I am delighted that Tennor will be part of that continuing journey and the exciting opportunities ahead.”

h. The parties expressed their intent to close in mid-February 2020, but in mid- February 2020, Tennor’s counsel wrote in an email that a couple weeks’ time was needed because the acquisition vehicle was not ready yet (“AcquiCo is simply not operable”). Tennor’s counsel added: “there is no reason why the transaction agreement could not be signed prior to the 2nd of March”. The term “subject to contract” is not used in this email.

i. In two emails dated 2 March 2020, Tennor’s counsel wrote: “The proposed changes are fine. If [counsel to co-shareholder] is also fine, we would distribute the executed version” and (following an email from [counsel to co-

shareholder]) “Will revert with the signature pages in a few minutes”. The term “subject to contract” is not used in this email.

3.3.

There is an arbitration clause in the Transaction Agreement, stating inter alia that parties may seek interim measures in the NCC CSP “pending” dispute resolution in arbitration:

This Transaction Agreement and the transactions contemplated by this Transaction Agreement are governed by and shall be construed in accordance with the laws of The Netherlands. All disputes arising out of or in connection with this Transaction Agreement shall be referred to and finally and exclusively adjudicated and settled under the rules of the Netherlands Arbitration Institute as applicable at the time of submission of the request for arbitration (the "Rules"). The Rules are incorporated by reference into this Section 14. The arbitral tribunal shall consist of three (3) arbitrators. In appointing the arbitrators, the list procedure as provided for in the Rules shall apply. The place of arbitration shall be Amsterdam and the arbitration shall be conducted in the English language only. Notwithstanding the foregoing, (i) any Party may apply to the Amsterdam District Court following proceedings in English before the Chamber for International Commercial Matters in the Court in Summary Proceedings ("CSP") for preliminary injunctive relief or similar interim measures necessary to preserve its rights pending resolution of any dispute arising out of or in connection with this Transaction Agreement through arbitration as contemplated above (with any appeals against CSP judgments being submitted to the Amsterdam Court of Appeal's Chamber for International Commercial Matters ("Netherlands Commercial Court of Appeal" or "NCCA")) and (ii) any Party may apply to any other court to the extent necessary to enforce against a Party hereto a judgment obtained pursuant to arbitration, the CSP and/or NCCA in conformity with the preceding provisions of this Section 14.

3.4. [

[X] signed the Transaction Agreement and delivered it to Tennor. Tennor did not sign the Transaction Agreement.

3.5.

The parties’ communications have all been in English. Tennor’s M&A counsel in the above contacts was a White & Case partner based in Germany.

4 The claim in the main action, and the motion

4.1. [

[X]’s claim in the main action, briefly stated, seeks an order for Tennor to carry out the transaction. This means taking the shares and paying the price. [X]’s argument is that there is a binding agreement as set out in the Transaction Agreement. In the alternative, [X] seeks an order for payment of the fee, arguing that Tennor elected not to complete the transaction in timely fashion as contemplated in the LOI.

4.2.

Tennor’s motion seeks an order referring the matter from the NCC CSP (the international chamber of the Court) to the Amsterdam District Court CSP (“Team Kort Geding”) for further proceedings in Dutch at the ordinary non-NCC court fee rate. What is sought is therefore a referral by one Amsterdam District Court chamber to another chamber of the same court. Tennor’s argument is that there is no NCC clause as set out in Article 30r of the Dutch Code of Civil Procedure (DCCP).

5 Discussion

5.1.

The Court notes first that there is no dispute about the jurisdiction of the Amsterdam District Court (defendant’s domicile). It is also acknowledged that Dutch law applies. The motion focuses solely on the NCC clause. The specific issue is whether the clause was “expressly” agreed as required by Article 30r DCCP. The standard to rule on the

motion, at this early stage of the litigation in summary proceedings, is a preliminary analysis of all available information from both parties.12The Court finds, of its own motion, that the other requirements have been met for the NCC to deal with the matter (Article 1.3.1-2, NCC Rules).

Is there a valid NCC clause?

5.2.

Tennor’s motion argues, first, that the parties did not enter into any agreement as described in the Transaction Agreement. Tennor wrote that there is a “high bar” as regards an NCC clause (Article 30r DCCP) and the Court must carefully scrutinise the claim. Tennor noted that there is no NCC clause in the LOI, but the LOI does in fact contain an express choice-of-law clause (Dutch law). Tennor summed up its position in the following terms:

Tennor en [X] zijn niet uitdrukkelijk en schriftelijk (en evenmin anderszins) overeengekomen dat procedures tussen hen bij de CSP (dan wel de NCC) zullen worden gevoerd. Dit is echter wel een 'harde' eis op grond van artikel 30r Rv en artikel 1.3.2 (b) in samenhang met artikel 1.3.1 (d) van het NCC-reglement. Het betreft een hoge drempel waaraan strikt behoort te worden getoetst. De LoI bevat geen forumkeuzebeding, laat staan een uitdrukkelijke keuze voor de CSP, en dat is een bewuste keuze van partijen. De TA bevat in artikel 14 (a) wel een keuze voor de CSP (onder voorwaarde, hetgeen hieronder wordt toegelicht)

- maar de TA is niet door Tennor ondertekend of tot stand gekomen, waardoor het (ook) ten aanzien van de TA ontbreekt aan de vereiste uitdrukkelijke en schriftelijke overeenstemming tussen partijen over de keuze voor de CSP. Voor de totstandkoming van de TA is vereist dat deze door iedere partij wordt ondertekend en vervolgens aan de andere betrokken partijen wordt uitgereikt of afgegeven (‘execute and deliver’). In confesso is dat deze ondertekening en de daaropvolgende uitreiking of afgifte niet heeft plaatsgevonden, zodat de TA dus ook niet tot stand is gekomen. Daarnaast dient op grond van artikel 14 (a) van de TA voor het instellen van een procedure bij de CSP een arbitrageprocedure aanhangig te zijn tussen Tennor en [X] ('pending (...) arbitration'). Er is op dit moment geen arbitrageprocedure aanhangig tussen partijen en [X] heeft ook geen blijk gegeven hiertoe een voornemen te hebben. De conclusie is dan ook dat de CSP, nu het ontbreekt aan de vereiste keuze voor de CSP, onbevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van [X] in de onderhavige procedure.

5.3. [

[X]’s response is that a binding agreement is in fact in place as set out in the Transaction Agreement, that this agreement includes an NCC CSP clause and that this NCC CSP clause also applies to the LOI:

The LoI was intended as only an administrative document, in order to ensure that Tennor's auditors would be comfortable that the Transaction would not be booked in financial year 2019 but in financial year 2020. It was not an indication that the parties had any intention other than to consummate the Transaction. As such, the parties intended the choice for the CSP contained in Clause 14(a) of the Transaction Agreement to be an integral part of the LoI and it was therefore attached to the LoI as an annex. Consequently, the parties chose to submit any disputes with regard to the LoI to the CSP in English as well.

5.4.

Tennor’s reply to this final point is that the LOI, in connection with the annex, in no way suggests there is an NCC clause in respect of the LOI itself. Tennor wrote:

Daarnaast blijkt ook nergens uit dat Tennor en [X] zouden hebben bedoeld om de forumkeuze in artikel 14 (a) van de TA een ruimer geldingsbereik te geven (…), zodanig dat deze forumkeuze ook en reeds zou zien op geschillen tussen partijen na ondertekening van de LoI en vóór ondertekening van de TA.

Dit volgt niet uit de tekst van artikel 14 (a) van de TA zelf, nu hierin enkel wordt verwezen naar "disputes arising out of or in connection with this Transaction Agreement".

(onderstreping advocaat)

Voorts bevat artikel 15 (b) van de TA een zogenoemde entire agreement-bepaling die de werking van alle eerder overeengekomen overeenkomsten uitsluit en dus de LoI elimineert:

"This Transaction Agreement represents the entire agreement between the Parties and supersedes and extinguishes all previous drafts, agreements, arrangements and understandings between the Parties, whether written or oral and whether express or implied, relating to any of the transactions contemplated hereby."

5.5.

The Court’s analysis of these arguments is set out below.

5.6.

The first point in this analysis is what the term “express” means in Article 30r DCCP.

a. The Court notes the text and legislative history of Article 30r (1) DCCP.13The text states:

If the Amsterdam District Court (…) has jurisdiction to hear a dispute that has arisen or will arise as a result of a particular legal relationship which is within the autonomy of the parties to agree and which is an international dispute, and if the parties have expressly so agreed, the proceedings may be in English before the International Commercial Chamber of that district court (“Netherlands Commercial Court”) (…).

The legislative history states:

Parties must make an express decision for their case to be in the NCC and for English to be the language of the case. The NBA [Dutch Bar Association], in the consultation phase, insisted that to assess the validity of the decision for the case to be in the NCC and for English to be the language of the case, reference should be made to the requirements under Article 25 of the Brussels Regulation and Article 3 of the Hague Choice of Court Convention. The reason was to make it easy to agree an NCC clause in general terms and conditions. Such terms and conditions, containing a choice-of-court clause, may be agreed tacitly, by implication. However, as the NCC focuses on parties who make a conscious decision for the case to be in the NCC and for English to be the language of the case, this legislation includes a requirement for the clause to be made in express terms. An agreement with an NCC clause in general terms and conditions, with the counterparty’s tacit consent, does not satisfy this requirement. If the NCC clause is stated in the general terms and conditions, such a clause therefore has no force. The position would be different if the party expressly accepts a counterparty’s clause, stated in general terms and conditions, for the case to be in the NCC and for English to be the language of the case. Such acceptance must be proven by a written document.14

(…) the corner hairdresser is unlikely to end up in the NCC District Court of NCC Court of Appeal because such a hairdresser typically does not enter into international agreements, and if the hairdresser did enter into such agreements, it would probably not be for more than € 25,000 (the limit for Subdistrict Court cases). In addition, an

NCC clause must always be an express agreement by the parties. That provides additional assurance to the effect that small enterprises will not be surprised by the higher NCC District Court / NCC Court of Appeal court fee.15

b. The Court also notes Mr Drion’s16and Mr Kuijpers’17commentary on what an “express” agreement means.

c. The Court emphasises in the analysis that there is no issue of a choice-of-court clause in this case. The Court’s jurisdiction is based on the defendant’s domicile (Tennor; Amsterdam). The only issue in the motion is whether a valid NCC clause was agreed. That is why the pivotal point is the interpretation of Article 30r DCCP and the documents and other statements by the parties.

d. The Court holds that it is sufficient under Article 30r DCCP that the parties’ consent is clearly stated, was made with knowledge of the clause, is not hidden in one party’s general terms and conditions, and is recorded in writing. Article 30r DCCP does not impose any requirement to the effect that an NCC clause is valid only if included in a document signed by the parties. There is no authority in the DCCP, the legislative history or the scholarly commentary to support such a position.

5.7.

The second point is what the documentation presented by the parties means. The parties have not relied on any oral statements outside of these documents.

a. The starting point in the analysis is that an NCC clause is separate from the main agreement in which it is included.18This means that a separate analysis is required of the issue as to whether parties have an agreement on this clause. This analysis is separate from the analysis of the issue as to whether parties have an agreement on the main agreement (the contemplated Transaction Agreement). In addition:

- there is a formal requirement for the conclusion of the Transaction Agreement (it must be “executed” and “delivered”) but it does not necessarily follow that the same requirement applies to the NCC clause, and

- the entire agreement clause in the Transaction Agreement is not material in the analysis of whether there is or is not agreement on the NCC clause.

b. [X] argues that the parties, given the contacts as set out in paragraph 3.2 above, have agreed, at least, on an NCC clause for interim measures. The Court, at this preliminary stage and applying the standard as set out in paragraph 5.1 above, agrees: the parties agreed on the designation of the NCC CSP for interim measures.

c. It is fairly obvious that each party has a major business with international, if not global, operations and ambitions. Both sides are experienced in international business, do their work in English in the ordinary course, and also used English to communicate with each other. Neither side is a consumer or small enterprise (as referred to by Mr Drion above) or “corner hairdresser” (referred to in the legislative history). Tennor was represented by a White & Case partner based in Germany, who used English for all communications. All of the correspondence is in English. All of the documentation is in English. And the Transaction Agreement expressly states that English will be the language of dispute resolution. [X]’s comment on Tennor is uncontested:

First, Tennor is not a Dutch speaking small enterprise. Instead, it is a typical international holding company: (i) it publishes its annual accounts in English, (ii) its primary offices seem to be in Berlin and London, (iii) none of its participations is Dutch, (iv) its primary bank account is outside the Netherlands, (iv) its four directors are based in the United Kingdom, Ireland, and Germany and (v) all members of its advisory board are based outside the Netherlands. Thus, Tennor's personnel and outside counsel working on the transaction are all proficient English speakers and are - as far as [X] is aware - not native Dutch speakers (and in fact, may not speak Dutch at all). So not speaking English is actually more of a burden and a cost for both parties.

d. It is completely correct, as Tennor points out, that justice must be without regard to who the parties are. Justice is blind as to the parties’ identity. But not as to their capacity. Their capacity (c. above) is a key factor in interpretation of the documents (see the Haviltex case). This is standard case law.

e. The nature and purpose of an NCC clause are, in the Court’s analysis, also relevant. The clause’s impact is – in this case – very limited. The impact is nothing more than language (English) and the higher court fee. The Amsterdam District Court is prepared to deal with certain cases in English under Article 30r DCCP, applying the statutory higher court fee. That’s it. Tennor contends it is being removed from the

court it is entitled to by law, but that is completely wrong. Tennor is and will remain, under an NCC clause, on its home turf (Amsterdam), acting in its own language (English)19– not in any other court or arbitral tribunal, foreign or domestic. The Amsterdam District Court, including the NCC, is, obviously, a tribunal “established by law” as meant in the European Convention on Human Rights; Tennor’s argument to the contrary is without merit.20The court fee is trivial compared to the costs of this matter. Tennor referred to “translation costs” as extra costs resulting from the NCC’s dealing with the case, but the costs may be expected to be much higher if the proceedings are in Dutch because last-minute translations of documents of process will be required after English-language drafts are prepared for discussions with clients.

f. The Court will now consider the close connection between the LOI and the Transaction Agreement. The LOI determines the time by which the parties must elect whether or not to conclude the Transaction Agreement, and what the consequences are if they elect not to conclude that agreement (payment of the fee). This makes the LOI different from a common type of agreement (an LOI being used to record heads of agreement, after which there are negotiations on the precise details of the agreement). In this case, the Transaction Agreement (with the NCC clause) was in essence ready for signature, but the parties wished to reserve their rights as to the time at which it would or would not be actually concluded. It is true that the NCC clause is recorded only in the Transaction Agreement, with a reference to a “dispute arising out of or in connection with this Transaction Agreement”. But given the close connection between the LOI and the Transaction Agreement, on a preliminary basis and at this early stage of the proceedings, the Court’s conclusion is that a reasonable person in the same circumstances as [X] would have understood the clause to cover disputes in respect of the LOI.21Any other interpretation of the NCC clause would mean that:

- if [X] had elected not to conclude the transaction and had owed the fee to Tennor, Tennor would have had to submit the matter to the New York courts ([X]’s domicile), under Dutch law (5.1 above);

- if the arbitral tribunal in a matter on the merits were to decide that the transaction was not entered into, the parties would have to commence further proceedings before the ordinary courts on the issue as to the fee.

On a preliminary basis and at this early stage, the Courts finds it is unlikely that this was the parties’ intent, and in any event a reasonable person in the same circumstances as [X] would not have understood this to be the position. Based on the above reasoning, the Court rejects Tennor’s argument that the formal “execute and deliver” requirement applies to the NCC clause (such that the NCC clause is agreed only when the parties sign the Transaction Agreement and deliver it to the counterparty).

g. Based on the above, in the circumstances when the LOI was signed and when the above communications occurred (3.2), it would not take much for [X] to understand, on reasonable grounds, that Tennor was willing if not eager (a) to agree an NCC clause for interim measures in respect of a dispute “in connection with” the Transaction Agreement and (b) for this clause to cover disputes arising on the conclusion of the Transaction Agreement or under the LOI. On a preliminary basis

and at this early stage, the language in the LOI and the further contacts (3.2 above) are more than enough to clear this bar.

h. The Court’s analysis is confirmed by the term “subject to contract”. Among M&A specialists such as the parties, this term refers to a reservation of rights: there is no agreement at that stage, prior to the formal documentation being prepared and agreed. This term was used in respect of the first and second offers by Tennor’s counsel, who (the Court must accept) perfectly understood its meaning in M&A practice. At a later stage, the term was no longer used. This is a circumstance, in the broader context, that is significant and contributed to [X]’s reasonable understanding.

i. In legal terms, this means a reasonable person such as [X] in the circumstances22would have understood the LOI and the parties’ contacts (3.2 above) to mean that disputes such as the main and alternative claims may be submitted to the NCC CSP for interim measures. That is the most compelling interpretation and the parties’ express intent in the circumstances.

j. None of this says anything about whether the Transaction Agreement as a whole was or was not entered into. That is an issue for another day – the proceedings in a main action on the merits, and, as to the interim measures claimed, the next steps in these summary proceedings. The bar may be higher, or even substantially higher, in respect of the Transaction Agreement as a whole, given its nature, meaning and importance (taking the shares/a business, paying a substantial price), in the context of market practices among M&A specialists such as the parties.

5.8.

Accordingly, the Court finds that the parties entered into a valid NCC clause.

Must the NCC refer the matter because no arbitration is “pending”?

5.9.

Tennor’s next point is that these proceedings are not within the scope of the NCC clause because no arbitration is currently “pending”.

5.10. [

[X]’s response to this is that the term “pending” generally describes the relationship between interim measures and the main action, but does not limit the scope of the NCC clause. [X] wrote that the term “pending” may also mean “before” or “imminent”.

5.11.

The Court notes that the critical passage at issue in the Transaction Agreement is:

Notwithstanding the foregoing, (i) any Party may apply to the Amsterdam District Court following proceedings in English before the Chamber for International Commercial Matters in the Court in Summary Proceedings ("CSP") for preliminary injunctive relief or similar interim measures necessary to preserve its rights pending resolution of any dispute arising out of or in connection with this Transaction Agreement through arbitration (…).

5.12.

There is, in the Court’s view, no reasonable way to interpret this clause such that interim measures may be sought before the NCC, as Tennor contends, only where an arbitration is “pending” in the formal legal sense of the term (lis pendens). A reasonable person in the same circumstances as the parties would have understood the term “pending” in this context to mean that interim measures precede, and are without prejudice to,

resolution of a dispute through arbitration.23That is the ordinary and plain meaning of the English word “pending” in this context. The Court therefore rejects Tennor’s argument.

Does Tennor have any interest in support of its motion?

5.13.

In light of all the above, the Court need not consider the issue as to whether, as [X] argues, Tennor lacks any relevant legal interest in the motion.24

Final points

5.14.

The conclusion from all of the above is that the motion must be denied. Accordingly, the next step in the proceedings is that Tennor will file its statement of defence in the main action on 17 April 2020, as directed on 27 March 2020. Given Tennor’s stated preference and the short time limits, as previously directed in discussions with parties and as warranted by all relevant interests, the Court will direct that Tennor, if that is its preference, may file its statement of defence in Dutch.25Tennor may also use Dutch at the hearing. Tennor’s court fee will be increased to the applicable rate in NCC CSP proceedings (Article 9a of the Court Fees (Civil Cases) Act).

5.15.

The decision on costs will be reserved pending the disposition of the main action in these summary proceedings.

6 Conclusion and order

THE COURT IN SUMMARY PROCEEDINGS

6.1.

The motion is denied.

6.2.

Tennor will file its statement of defence in the main action on 17 April 2020 (in Dutch if desired) and the next steps will be as directed on 27 March 2020.

6.3.

All further decisions are reserved.

Done by L.S. Frakes, Judge, assisted by W.A. Visser, Clerk of the Court. Issued in public on 14 April 2020.

APPROVED FOR DISTRIBUTION IN eNCC

THE SIGNED ORIGINAL IS IN THE HARD COPY FILE

___________________________________________________________________________________________________________________

  1. HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019, 259, noot L. Strikwerda, (Moldavia), ro. 4.1.4 en 4.1.5. HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, NJ 2019, 260 (India), noot L. Strikwerda, ro. 3.4.4. De voorzieningenrechter overweegt dat deze zaken gaan over bevoegdheid, terwijl in de onderhavige kwestie uitsluitend de vraag aan de orde is of een geldig beding voor behandeling door NCC in het Engels is gesloten. Toch zijn de voornoemde arresten bruikbaar als geldend recht wat betreft de aanpak en de maatstaf

  2. Zie ook de “ALI/UNIDROIT Transnational Principles of Civil Procedure”,

https://www.unidroit.org/instruments/transnational-civil-procedure:“6.1 The proceedings, including documents and oral communication, ordinarily should be conducted in a language of the court. 6.2 The court may allow use of other languages in all or part of the proceeding if no prejudice to a party will result. (…)”

3 Kamerstukken II 2016/17, 34 761, nr. 3 (MvT), p. 11

4 Kamerstukken I, 2018/2019, 34 761, D (Nadere memorie van antwoord), pp. 5-6

5. C.E. Drion, 'Drafting tips & skills: De Netherlands Commercial Court', ORP 2017/76: "Voorts is van belang dat voor de bevoegdheid van NCC en NCCA een uitdrukkelijke keuze moet worden gemaakt. Een beding in algemene voorwaarden is daartoe, zo luidt de toelichting bij het wetsvoorstel, niet voldoende. Dit vereiste strekt ter bescherming van consumenten en kleine ondernemers die niet zonder hun uitdrukkelijke instemming in een Engelstalige procedure tegen hogere kosten betrokken moeten kunnen worden. Ter bescherming van diezelfde partijen is voorts in het wetsvoorstel bepaald (of wordt in de toelichting vermeld) dat de exceptie van onbevoegdheid voor NCC en NCCA kan worden ingeroepen in het Nederlands (…). Indien de rechter beslist dat niet de NCC of NCCA bevoegd is (…), dan wordt de uitspraak in het Nederlands gedaan.”

6. M. Kuijpers, The Netherlands Commercial Court (Ars Aequi Cahiers - Privaatrecht), Nijmegen: Ars Aequi Libri 2019, paragraaf

2.2.2 (

D): “A choice of forum clause in the articles of association of a legal entity can only be valid if the parties have expressly accepted the relevant provision, which must be evidenced by a written document. During the parliamentary debate, the example was given of founders of a legal entity including a choice of forum clause for the Netherlands Commercial Court in the articles of association of that entity. The articles of association are included in the deed of incorporation that is signed by the founders. In contrast, shareholders that were not directly involved in the drafting of the articles of association or any amendment thereof have not necessarily expressly agreed with the relevant provision.” "The validity of arbitration clauses in articles of association is assessed in a similar manner. However, as it seems from the parliamentary debate, the threshold for determining whether the parties have accepted the arbitration clause in the articles of association seems significantly lower

than for accepting a choice of forum clause for the Netherlands Commercial Court."

7. Vgl. voor forumkeuzebedingen art. 25 lid 5 Verordening Brussel I-bis en art. 8 lid 6 Rv

8. De voorkeur van de huidige advocaten van Tennor om in het Nederlands te procederen, speelt geen rol van betekenis bij de beoordeling van wat partijen eerder, toen die advocaten nog niet betrokken waren, hebben afgesproken

9. De rechtsstaat wordt, anders dan Tennor meent, niet ondermijnd door het voorgaande. Tennor blijft procederen voor haar eigen rechtbank in haar eigen taal

10. Enkele recente voorbeelden: Rechtbank Rotterdam 21 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2302; Hof Amsterdam 3

december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4307; Hof ’s-Hertogenbosch 28 mei 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1958; HR 24

juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1290 (JIN 2016/176, noot mr. J. van Weerden); Rechtbank Gelderland, 27 juli 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4814

11. X heeft hiertegen geen bezwaar; zij heeft aangeboden in het Nederlands verder te procederen, maar Tennor is daar niet op ingegaan

12. Dutch Supreme Court 29 March 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019, 259 with commentary L. Strikwerda, (Moldavia),

at paras. 4.1.4 and 4.1.5. Confirmed in Dutch Supreme Court 12 April 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, NJ 2019, 260 (India) with commentary L. Strikwerda, at para. 3.4.4. The Court notes that these cases are on jurisdiction, whereas the X/Tennor case only raises an issue on the NCC’s authority to deal with the matter in English. Nevertheless, these cases provide guidance on the general approach and the applicable standard

13. See the “ALI/UNIDROIT Transnational Principles of Civil Procedure”, https://www.unidroit.org/instruments/transnational- civil-procedure: (https://www.unidroit.org/instruments/transnational-civil-procedure)“6.1 The proceedings, including documents and oral communication, ordinarily should be conducted in a language of the court. 6.2 The court may allow use of other languages in all or part of the proceeding if no prejudice to a party will result. (…)”

14. Parliamentary Papers, II 2016/17, 34 761, no. 3 (MvT), p. 11

15. Parliamentary Papers I, 2018/19, 34 761, D (Further Memorandum of Reply), pp. 5-6

16. C.E. Drion, 'Drafting tips & skills: De Netherlands Commercial Court', ORP 2017/76: "In addition, it is important that an express agreement must be made with a view to NCC District Court / NCC Court of Appeal authority to deal with a matter. A clause in general terms and conditions is not enough, as stated in the explanatory memorandum on the legislation. This requirement is intended to protect consumers and small enterprises, who should not be involved in English-language proceedings, at higher cost, without their express consent. To protect these parties, the legislation (or the memorandum) also states that a motion challenging NCC District Court / NCC Court of Appeal authority to deal with a matter may be made in Dutch (…). If the court rules that the NCC District Court / NCC Court of Appeal (…) does not have authority to deal with a matter, the judgment will be in Dutch.”

17. M. Kuijpers, The Netherlands Commercial Court (Ars Aequi Cahiers - Privaatrecht), Nijmegen: Ars Aequi Libri 2019, para. 2.2.2 (D): “A choice of forum clause in the articles of association of a legal entity can only be valid if the parties have expressly accepted the relevant provision, which must be evidenced by a written document. During the parliamentary debate, the example was given of founders of a legal entity including a choice of forum clause for the Netherlands Commercial Court in the articles of association of that entity. The articles of association are included in the deed of incorporation that is signed by

the founders. In contrast, shareholders that were not directly involved in the drafting of the articles of association or any amendment thereof have not necessarily expressly agreed with the relevant provision.” "The validity of arbitration clauses in articles of association is assessed in a similar manner. However, as it seems from the parliamentary debate, the threshold for determining whether the parties have accepted the arbitration clause in the articles of association seems significantly lower than for accepting a choice of forum clause for the Netherlands Commercial Court."

18. For choice-of-court clauses, see Article 25 (5) of the Brussels Regulation (restated), and Article 8 (6) DCCP

19. Tennor’s current counsel’s preference for Dutch to be the language of the proceedings has little weight in assessing what parties did or did not agree at an earlier stage, when Tennor’s current counsel was not involved

20. Tennor’s argument that the rule of law is undermined by the above analysis is flawed. Tennor is and will remain in its home court, acting in its own language

21. This is the best English rendering of the Haviltex standard for contract interpretation; see the Principles of European

Contract Law, https://www.jus.uio.no/lm/eu.contract.principles.parts.1.to.3.2002/5.101.html, Article 5:101 (Ex art. 7.101/ 101A)

22. See the note above on the English rendering of the Haviltex standard

23. See the note above on the English rendering of the Haviltex standard

24. Recent examples: Rechtbank Rotterdam 21 February 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2302; Hof Amsterdam 3 December

2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4307; Hof ’s-Hertogenbosch 28 May 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1958; HR 24 June 2016,

ECLI:NL:HR:2016:1290 (JIN 2016/176, comment by Mr J. van Weerden); Rechtbank Gelderland, 27 July 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4814

25 There is no objection from X, which offered to move forward in Dutch (Tennor did not agree)