Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2272

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
13/023841-20 (A) + 13/308215-19 (B) + 13/010412-20 (TUL)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

overtreden gedragsaanwijzing, belaging, huisvredebreuk en vernieling, zorgmachtiging verleend (zie ECLI:NL:RBAMS:2020:2261), sterk verminderd toerekeningsvatbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/023841-20 (zaak A) + 13/308215-19 (zaak B) + 13/010412-20 (TUL)

Datum uitspraak: 7 april 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres 1] ,

gedetineerd in het [detentieadres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 7 april 2020.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. D.F. Jironet-Loewe, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P. Figge, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – in zaak A – ten laste gelegd dat hij:

op of omstreeks 28 januari 2020 te [plaats] , in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 31 december 2019 gegeven door de officier van justitie te Amsterdam kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, niet voor de duur van 90 dagen

- zou onthouden van contact met de in de gedragsaanwijzing genoemde [persoon 1] en/of

- zich niet op zou houden binnen een straal van 200 meter van de woning gelegen aan de [adres 2] , door zich op genoemde datum voor de voordeur van genoemde woning op te houden.

Aan verdachte is – in zaak B – ten laste gelegd dat hij:

1.in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 december 2019 te [plaats] ,

althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt

[persoon 1] door

- een of meerdere malen te bellen naar die [persoon 1] (met een frequentie van ongeveer 30 tot 50 keer per dag),

- een of meerdere malen zich rondom/bij/voor/in de woning van die [persoon 1] te begeven,

- die [persoon 1] een of meerdere malen op te wachten (bijvoorbeeld bij de bushalte) en/of

- die [persoon 1] een of meerdere malen te volgen met het oogmerk die [persoon 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2.op of omstreeks 30 december 2019 te [plaats] in de woning aan de [adres 2] bij een ander, te weten bij [persoon 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen; en

3.op of omstreeks 30 december 2019 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een schutting, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [persoon 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

De rechtbank leest het in de tweede en derde regel van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde vermelde “wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt [persoon 1] ” als “wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [persoon 1] ”, aangezien hier sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad en is geen sprake van het verlaten van de grondslag van de tenlastelegging.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich aan de hand van haar op schrift gestelde requisitoir op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte de gedragsaanwijzing heeft overtreden, nu de politie ter plaatse verdachte dichtbij de woning van aangeefster [persoon 1] heeft aangetroffen.

Ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de periode oktober 2018 tot en met 30 december 2019 de belaging bewezen kan worden. [persoon 1] heeft voor oktober 2018 aangegeven geen contact meer met verdachte te willen en desondanks heeft verdachte meermalen contact met haar opgenomen en is hij haar woning ingeklommen. De vakantie in Polen in de zomer van 2019 moet als een korte onderbreking van de belaging worden gezien.

De officier van justitie stelt zich daarnaast op het standpunt dat de in zaak B onder 2 ten laste gelegde huisvredebreuk bewezen kan worden, nu er aangifte is gedaan door [persoon 1] , verdachte kort na de melding is aangetroffen in de buurt van de woning van [persoon 1] en verdachte bij de politie een bekennende verklaring heeft afgelegd.

Ten slotte heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de in zaak B onder 3 ten laste gelegde vernieling ook bewezen kan worden, gelet op de foto’s van de schutting, de constatering van de politie dat de schutting beschadigd was en de deels bekennende verklaring van verdachte, die hij bij de politie heeft afgelegd.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aan de hand van haar pleitnotitie betoogd dat verdachte van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde gedeeltelijk moet worden vrijgesproken voor wat betreft de periode van 1 juli 2018 tot 22 oktober 2019, nu verdachte en [persoon 1] gedurende deze periode een knipperlichtrelatie hadden en [persoon 1] in juli 2019 nog met verdachte op vakantie is gegaan naar Polen. Na deze vakantie is de relatie volgens verdachte pas echt uitgegaan. Dit kan worden aangemerkt als het moment waarop [persoon 1] duidelijk heeft gemaakt dat zij niet langer contact wenste te hebben met verdachte. Verdachte heeft vervolgens geen contact met haar gezocht tot 22 oktober 2019, toen hij heeft geprobeerd haar te bellen. De incidenten voor de zomer van 2019 kunnen niet als belaging gekwalificeerd worden, aangezien [persoon 1] niet duidelijk heeft gemaakt dat zij het bezoek van verdachte niet op prijs stelde. Bovendien missen de incidenten de vereiste stelselmatigheid. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar twee uitspraken van deze rechtbank.1

Voor wat betreft de periode van 22 oktober 2019 tot en met 30 december 2019 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het in zaak B onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken, nu uit de schermafbeeldingen van Google Maps van de woning die zijn gemaakt in juli 2019, blijkt dat de schutting al kapot was. Daarnaast hebben aangever [persoon 2] en [persoon 1] verklaard dat de schutting gebroken was en was omgevallen. Uit deze verklaringen in samenhang met de foto’s van juli 2019 kan niet de conclusie getrokken worden dat de schutting kapot of meer kapot is gegaan op 30 december 2019, te meer omdat de in het dossier gevoegde foto van de kapotte schutting gedateerd is van 13 januari 2020; twee weken na het incident en verdachte heeft verklaard dat het hek al stuk was.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het in zaak A en het in zaak B onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde

Anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging gedurende de periode van 22 oktober 2019 tot en met 30 december 2019 heeft schuldig gemaakt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Contactmomenten

[persoon 1] heeft op 30 december 2019 een klacht ingediend tegen verdachte, haar ex-vriend. Zij heeft in haar aangifte onder meer verklaard dat zij elkaar in de zomer van 2017 hebben leren kennen, zij een relatie kregen en zij op een gegeven moment de relatie beu was, omdat verdachte onder meer bij haar bleef overnachten, terwijl zij dat liever niet wilde. Volgens [persoon 1] heeft ze op een bepaald moment tegen verdachte gezegd dat hij niet meer naar haar toe moest komen en dat hij het contact moest verbreken. [persoon 1] heeft vervolgens verklaard dat verdachte contact met haar bleef zoeken en haar meerdere malen heeft gebeld, ongeveer dertig tot vijftig keer per dag. Daarnaast klom hij meerdere malen haar woning in via het balkon.

Vervolgens zijn [persoon 1] en verdachte, samen met de moeder van verdachte in juli 2019 op vakantie gegaan naar Polen. In Polen hebben verdachte en [persoon 1] de afspraak gemaakt dat ze elkaar niet meer zouden opzoeken en verdachte ging hiermee akkoord.

Volgens [persoon 1] heeft verdachte haar in de periode na juli 2019 tot en met 30 december 2019 niet met rust gelaten. Hij belde haar, kwam regelmatig aan haar deur en schreeuwde door haar brievenbus.

Uit politieonderzoek is gebleken dat er tussen het telefoonnummer van verdachte en het telefoonnummer van [persoon 1] op 22 oktober 2019 tientallen contactmomenten zijn geweest en dat er op 7 en 8 november 2019 ook een aantal contactmomenten zijn geweest.

De politie heeft op 22 december 2019 verdachte aangetroffen bij de woning van [persoon 1] . Op 30 december 2019 heeft [persoon 1] aangifte gedaan van huisvredebreuk, omdat ze vanaf buiten aan de achterzijde van haar woning een man in haar woning zag staan. Zij zag kort daarna een persoon weglopen uit de richting van haar woning. Deze persoon is later aangehouden en bleek verdachte te zijn.

Aangeefster heeft verklaard dat ze heel angstig is geworden en dat ze niet meer haar huis uit durft. Ze is bang dat verdachte haar dan op staat te wachten.

Verklaring verdachte

Bij de politie is verdachte op 31 december 2019 gehoord. Hij heeft toen verklaard dat zij sinds het uit is contact hebben gehad, terwijl [persoon 1] duidelijk heeft aangegeven dat zij geen contact meer met hem wilde. Hij vindt dat moeilijk.

Verdachte heeft bij de politie ook verklaard dat hij op 30 december 2019 in de woning van zijn ex-vriendin [persoon 1] is geklommen. Hij wilde met haar praten.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij zich niet goed kan herinneren wat er precies is gebeurd. Hij kan zich wel herinneren dat zij samen op vakantie zijn gegaan naar Polen en dat er destijds naar zijn beleving nog wel sprake was van een relatie. [persoon 1] heeft op een gegeven moment aangegeven dat zij geen contact meer wilde. Hij kwam haar daarna dan toevallig buiten tegen.

Beoordeling belaging

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, verschillende factoren van belang zijn: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De rechtbank acht op grond van de inhoud van het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [persoon 1] meermalen heeft gebeld, waaronder eenmaal met een frequentie van 30 tot 50 keer per dag en dat hij zich meerdere malen rondom, bij, voor en in de woning van [persoon 1] heeft begeven. Dit heeft hij gedaan nadat [persoon 1] had aangegeven dat zij geen contact wilde, zo blijkt niet alleen uit de aangifte maar ook uit de verklaring van verdachte. Hij heeft haar langer dan twee maanden op indringende wijze lastig gevallen. Dat verdachte naar eigen zeggen gewoon met haar in gesprek wilde doet er niet aan af dat hij haar is blijven benaderen terwijl zij er duidelijk niet van gediend was en hij dat wist. Verdachte heeft bij de politie bekend dat hij contact met haar heeft gezocht en dat hij op 30 december 2019 in de woning van zijn ex-vriendin [persoon 1] is geklommen.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat, gezien voornoemde criteria, sprake is geweest van een opzettelijke, wederrechtelijke, stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Alle bewezen geachte handelingen, in onderling verband beschouwd, zijn dermate stelselmatig dat sprake is van belaging. Verdachte heeft met zijn handelen aangeefster gedwongen te dulden dat telkens contact met haar werd opgenomen terwijl zij geen contact meer wilde met verdachte. Verdachte had daarnaast het oogmerk haar te dwingen iets te doen, namelijk met hem te spreken. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging.

Periode

Wat betreft de bewezenverklaarde periode zal de rechtbank het verweer van de raadsvrouw van verdachte volgen. Uit het dossier volgt dat verdachte ook voor 22 oktober 2019 weleens bij de woning van [persoon 1] is geweest en dat dat mogelijk ongewenst was, maar niet kan worden vastgesteld dat dat ook stelselmatig gebeurde. Anders is dat voor de periode vanaf na de vakantie die verdachte met aangeefster heeft gehad. Aangeefster heeft tijdens hun vakantie in Polen, in de zomer van 2019, met verdachte afgesproken dat ze elkaar niet meer zouden opzoeken. Verdachte ging hiermee akkoord en zag, naar eigen zeggen, toen in dat zij de relatie had beëindigd. Daarvóór was dat voor hem naar eigen zeggen niet duidelijk. Verdachte nam vanaf 22 oktober 2019 weer en met grote regelmaat contact met aangeefster op. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte vanaf 22 oktober 2019 stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1] . Van de periode voorafgaand aan 22 oktober 2019 zal verdachte worden vrijgesproken.

Opwachten en volgen van [persoon 1]

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het opwachten en het volgen van [persoon 1] in de bewezenverklaarde periode. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat verdachte dit in de periode vanaf 22 oktober 2019 heeft gedaan.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde

Met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich aan de ten laste gelegde vernieling heeft schuldig gemaakt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de schutting heeft beschadigd. De verbalisanten hebben waargenomen dat de schutting gebroken was en ook aangever [persoon 2] en [persoon 1] hebben verklaard dat de schutting beschadigd was. In het voorgaande vindt de rechtbank het wettig bewijs dat verdachte de schutting heeft beschadigd. De rechtbank heeft ook de overtuiging dat door verdachte schade aan de schutting is veroorzaakt. Verdachte heeft immers zelf bij de politie verklaard dat hij over het hekje is gesprongen, waarna dit kapot is gegaan. Dat op de schermafbeeldingen van Google Maps (overgelegd door de raadsvrouw) die gemaakt zouden zijn in juli 2019 is te zien dat de schutting al scheef hing, doet daar niets aan af. Het klopt weliswaar dat daarop beschadigingen aan de schutting te zien zijn, maar op de foto’s die door [persoon 2] zijn ingezonden is te zien dat de schutting nog meer beschadigd is geraakt.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde:

op 28 januari 2020 te [plaats] opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 31 december 2019 gegeven door de officier van justitie te Amsterdam kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, voor de duur van 90 dagen

- zich zou onthouden van contact met de in de gedragsaanwijzing genoemde [persoon 1] en

- zich niet op zou houden binnen een straal van 200 meter van de woning gelegen aan de [adres 2] , door zich op genoemde datum voor de voordeur van genoemde woning op te houden;

Ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde:

in de periode van 22 oktober 2019 tot en met 30 december 2019 te [plaats] wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [persoon 1] door

- meerdere malen te bellen naar die [persoon 1] , waaronder eenmaal met een frequentie van ongeveer 30 tot 50 keer per dag,

- meerdere malen zich rondom/bij/voor/in de woning van die [persoon 1] te begeven,

met het oogmerk die [persoon 1] te dwingen iets te doen en te dulden;

Ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde:

op 30 december 2019 te [plaats] in de woning aan de [adres 2] bij een ander, te weten bij [persoon 1] , in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen; en

Ten aanzien van het in zaak B onder 3 ten laste gelegde:

op 30 december 2019 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een schutting, die aan [persoon 2] toebehoorde, heeft beschadigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht om verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren en verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu blijkens de stukken met betrekking tot de zorgmachtiging, de reclasseringsrapportages en het trajectconsult blijkt dat verdachte autisme en een schizofreniestoornis heeft en dat hij in het najaar van 2019 richting een psychose ging. De gedragskeuzen van verdachte zijn in die periode sterk beïnvloed geweest door zijn psychische stoornissen.

Voor het geval de rechtbank zich niet voldoende voorgelicht acht over de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte, heeft de raadsvrouw verzocht de zaak aan te houden en een psychiater te benoemen, zodat onderzocht kan worden of verdachte toerekeningsvatbaar was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en zo ja, in welke mate.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte is sterk verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen van 14 en 29 januari 2020, van het NIFP trajectconsult van 18 februari 2020 en van de stukken met betrekking tot de zorgmachtiging die op 3 april 2020 bij de rechtbank zijn binnengekomen.

De rechtbank heeft allereerst kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 14 januari 2020, opgemaakt door M. Haltman. Uit dit rapport blijkt dat de reclassering contact heeft opgenomen met de persoonlijke begeleider van verdachte bij [wooninstelling] , [persoon 3] , die heeft verklaard dat het sinds december 2019 minder goed gaat met verdachte. Volgens [persoon 3] is verdachte sinds december gestopt met zijn medicatie, omdat verdachte van mening was dat het goed met hem ging en hij geen medicatie meer nodig had. Ook is hij in die periode gestopt met zijn werk in een kledingzaak. Sinds het stoppen met de medicatie zijn de psychotische klachten bij verdachte toegenomen.

Uit het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 29 januari 2020, opgemaakt door A. Ustasia, blijkt dat de situatie van verdachte is verslechterd en dat er vanuit het Openbaar Ministerie een zorgmachtiging zou worden aangevraagd.

Verder blijkt uit het NIFP trajectconsult van 18 februari 2020, opgemaakt door [persoon 4] , psychiater, dat het zeer aannemelijk is dat verdachte psychotisch gedecompenseerd was.

Ten slotte is blijkens de stukken met betrekking tot de zorgmachtiging na psychiatrisch onderzoek vastgesteld dat verdachte lijdt aan een psychiatrische stoornis in de vorm van: autismespectrumstoornis, ongespecificeerde schizofreniestoornis, aandachtsdeficiëntie-hyperactiviteitsstoornis en stoornis in cannabisgebruik.

De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemd onderzoek wat betreft de vaststelling van de psychiatrische stoornissen over en maakt deze tot de hare. Uit de hierboven genoemde stukken blijkt dat de psychische gesteldheid van verdachte, welke sterk samenhangt met het al dan niet innemen van medicatie, een grote invloed heeft op het handelen van verdachte. Hoewel niet met zekerheid gesteld kan worden dat verdachte in de aanloop naar, en ten tijde van de bewezenverklaarde feiten volledig psychotisch was, is wel duidelijk dat hij al enige tijd geen medicatie meer innam en in enige mate psychotisch aan het decompenseren was. Het is daarom aannemelijk dat bij verdachte het besef van de wederrechtelijkheid van zijn gedrag deels ontbrak. Door zijn stoornissen was verdachte sterk beperkt in de keuzevrijheid om zijn gedrag te bepalen. De rechtbank ziet in de adviezen onvoldoende basis voor het oordeel dat de verdachte in beide zaken het ten laste gelegde in het geheel niet kan worden toegerekend. Gelet daarop acht de rechtbank verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten.

Wat betreft het voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank vindt dat onderzoek niet noodzakelijk en wijst dat verzoek af omdat voldoende uit de hiervoor genoemde stukken, waaronder het psychiatrisch onderzoek, blijkt van de ernstige stoornissen van verdachte en de rechtbank zich daaromtrent voldoende voorgelicht acht. Er zijn derhalve geen redenen om dat verzoek toe te wijzen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder zaak A en zaak B onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en met een proeftijd van 2 jaar met daaraan verbonden een contactverbod met slachtoffer [persoon 1] .

8.2.

Strafmaatverweer van de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot strafoplegging komt, heeft de raadsvrouw bepleit dat er kan worden volstaan met schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de eis van de officier van justitie te volgen.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen vrijheidsbenemende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte in de zaak met rekestnummer

20-1833, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) voor de duur van zes maanden is verleend.

Verdachte heeft [persoon 1] sinds 22 oktober 2019 ruim twee maanden intensief belaagd. Ondanks het feit dat [persoon 1] aan verdachte kenbaar heeft gemaakt dat zij geen contact met hem wilde, heeft hij haar veelvuldig gebeld en is hij meermalen bij haar woning langs geweest. Verdachte heeft door zijn gedrag [persoon 1] in haar doen en laten beperkt. De manier waarop verdachte [persoon 1] belaagde maakte zodanig veel indruk op haar dat zij leefde in angst, zo blijkt uit haar aangifte. Door op 30 december 2019 bij [persoon 1] de woning binnen te gaan heeft hij zijn wens tot contact ook aan haar opgedrongen in een omgeving waar zij zich veilig moest kunnen voelen. Daarbij heeft hij ook de schutting van de buurman van [persoon 1] beschadigd.

Op 31 december 2019 is door de officier van justitie een gedragsaanwijzing uitgevaardigd inhoudende een verbod om contact op te nemen met [persoon 1] en om zich te bevinden bij haar woning. Op 28 januari 2020 heeft verdachte deze aanwijzing overtreden waarmee hij wederom geen respect lijkt te hebben voor de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1] .

Wat de persoon van verdachte en zijn persoonlijk omstandigheden betreft heeft de rechtbank gelet op een uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 11 maart 2020, waaruit blijkt dat verdachte op 21 januari 2020 is veroordeeld voor het overtreden van de gedragsaanwijzing die op 31 december 2019 door de officier van justitie is uitgevaardigd. Verdachte liep ten tijde van het plegen van het in zaak A bewezenverklaarde feit in de proeftijd van een voorwaardelijke gevangenisstraf die hem toen is opgelegd. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om strafbare feiten te plegen.

De rechtbank houdt bij de straftoemeting rekening met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, omdat verdachte op 21 januari 2020 is veroordeeld voor het overtreden van de gedragsaanwijzing.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht, alles afwegende, een stok achter de deur noodzakelijk om ervoor te zorgen dat verdachte niet meer de fout zal ingaan. De rechtbank vindt dat een gevangenisstraf van 5 weken waarvan 4 weken voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en met een proeftijd van 2 jaar, recht doet aan de door verdachte gepleegde strafbare feiten. Ook zal de rechtbank aan verdachte een contactverbod met aangeefster [persoon 1] opleggen. De rechtbank is van oordeel dat de oplegging van een contactverbod noodzakelijk is om de kans op recidive te beperken en aangeefster te beschermen.

9 Vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 3 februari 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/010412-20, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 21 januari 2020 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 week, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op 1 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ook bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen. De tijd die verdachte langer in voorarrest heeft gezeten dan de straf die hij vandaag krijgt, kan met de nog uit te zitten straf worden verrekend.

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de vordering af te wijzen.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Gelet op het feit dat de rechtbank voor verdachte een zorgmachtiging heeft verleend, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf niet opportuun en zal zij de vordering afwijzen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 138, 184a, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde in zaak A en het in zaak B onder 1, 2 en 3 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde:

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;

Ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde:

belaging;

Ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde:

in de woning bij een ander in gebruik wederrechtelijk binnendringen;

Ten aanzien van het in zaak B onder 3 ten laste gelegde:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken.

Beveelt dat de tijd die door verdachte (verder: veroordeelde) voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 (vier) weken, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien verdachte gedurende de proeftijd de hierna vermelde algemene voorwaarden niet naleeft.

2. Veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. Veroordeelde zal medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

Contactverbod

Veroordeelde mag gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [persoon 1] , geboren op [geboortedag 2] te [geboorteplaats 2] in [geboorteplaats 3], slachtoffer in onderhavige zaak.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, die voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis van 21 januari 2020 van de politierechter in de rechtbank Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/010412-20.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het moment dat verdachte in het kader van de zorgmachtiging geplaatst kan worden in de kliniek van Arkin. Dit bevel zal apart worden opgemaakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. P.P.C.M. Waarts en L. Dolfing rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2020.

1 ECLI:NL:RBAMS:2019:510 en ECLI:NL:RBAMS:2019:7335.