Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2250

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
C/13/673049 / HA RK 19-338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van een tegen Jeugdbescherming ingediend verzoek om afschrift stukken op grond van art 7.3.10 Jeugdwet en art 15 AVG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2021/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/673049 / HA RK 19-338

Beschikking van 9 april 2020

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

gemachtigde W.E. van Bentem te Garrelsweer,

tegen

1. de stichting

STICHTING JEUGDBESCHERMING REGIO AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. J.K. van den Heuvel te Amsterdam,

2. [belanghebbende],

wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

advocaat mr. D.H. Bialkowski te Amsterdam.

Partijen worden hierna [verzoekster] , Jeugdbescherming en [belanghebbende] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 1 oktober 2019,

  • -

    de brief van 30 oktober 2019 van Jeugdbescherming met een kopie van de brief van 29 oktober 2019 van Jeugdbescherming aan [verzoekster] ,

  • -

    de brief van 22 december 2019 namens [verzoekster] ,

  • -

    de beschikking van 30 januari 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    de akte met bijlagen van Jeugdbescherming, ontvangen op 14 februari 2020,

  • -

    het proces-verbaal van de op 26 februari 2020 gehouden mondelinge behandeling en de daarin vermelde (proces)stukken.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] heeft een geregistreerd partnerschap gehad met [belanghebbende] . Zij zijn de met het gezag belaste ouders van de minderjarige kinderen [minderjarige 1] (15 jaar) en [minderjarige 2] (13 jaar). Er is sprake van echtscheidingsproblematiek. Tussen [verzoekster] en [belanghebbende] lopen meerdere en langdurige procedures, onder meer over het gezag over de kinderen.

2.2.

Bij beschikking van 12 december 2018 van deze rechtbank zijn de kinderen onder toezicht gesteld van Jeugdbescherming (hierna: de ondertoezichtstelling, ook wel OTS). De OTS is laatstelijk bij beschikking van 11 oktober 2019 verlengd tot 11 december 2020.

2.3.

Jeugdbescherming heeft in het kader van haar betrokkenheid bij het gezin een cliëntdossier als bedoeld in artikel 7.3.8 Jeugdwet aangelegd (hierna: het cliëntdossier). De heer [naam gezinsmanager] is de gezinsmanager namens Jeugdbescherming, mevrouw [naam teammanager] is teammanager.

2.4.

Bij brief van 3 juni 2019 aan de directie van Jeugdbescherming heeft [verzoekster] op grond van artikel 15 van de AVG (de Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, Pb. EU L 119/1) en artikel 7.3.10 van de Jeugdwet een verzoek ingediend om toezending van een volledige kopie van de dossiers die door Jeugdbescherming zijn aangelegd betreffende de hulpverlening in het drangkader en thans gedwongen kader (OTS) die zien op de kinderen en [verzoekster] .

2.5.

Nadat [verzoekster] haar verzoekschrift had ingediend heeft [naam teammanager] namens Jeugdbescherming [verzoekster] bij brief van 29 oktober 2019 bericht dat haar verzoek van 3 juni 2019 de gezinsmanager helaas niet heeft bereikt. Zij heeft [verzoekster] voorts uitgenodigd het cliëntdossier te komen inzien, met inachtneming van de geldende privacyregels, eventuele vragen te stellen over het dossier aan de betrokken gezinsmanager/teammanager en desgewenst een kopie van de dossierstukken te krijgen.

2.6.

Op 5 november 2019 heeft de gemachtigde van [verzoekster] aan Jeugdbescherming bericht dat [verzoekster] geen gebruik wenst te maken van het aanbod om het dossier in te zien en dat zij alleen een afschrift van het dossier wenst te ontvangen.

2.7.

Bij brief van 19 november 2019 heeft Jeugdbescherming aan [verzoekster] een inhoudsopgave van de in het dossier aanwezige stukken en een hoeveelheid stukken verstrekt. In de brief heeft Jeugdbescherming geschreven dat het gaat om een afschrift van het cliëntdossier dat conform art. 7.3.8. Jeugdwet is ingericht.

2.8.

Bij e-mail van 4 december 2019 heeft [verzoekster] aan Jeugdbescherming bericht dat uit de inhoudsopgave niet te herleiden is welke dossierstukken niet aan haar zijn verstrekt, en dat het verstrekte dossier onvolledig is, daarbij wijzend op enkele stukken die zouden ontbreken.

2.9.

Bij e-mail van 16 december 2019 heeft [naam teammanager] namens Jeugdbescherming op de door [verzoekster] genoemde stukken gereageerd en geschreven dat alle e-mailcorrespondentie die aan [verzoekster] in kopie is gericht niet is verstrekt, omdat [verzoekster] al bekend is met de inhoud daarvan. Verder heeft zij in de brief geschreven dat Jeugdbescherming graag bereid is om met [verzoekster] in gesprek te gaan.

2.10.

Bij brief van 22 december 2019 heeft de gemachtigde van [verzoekster] aan de rechtbank meegedeeld dat Jeugdbescherming deels uitvoering heeft gegeven aan het inzageverzoek, maar niet duidelijk heeft gemaakt welke gegevens die wel onder het inzagerecht vallen niet zijn verstrekt, en heeft hij verzocht om een mondelinge behandeling te bepalen.

2.11.

Op 20 februari 2020 heeft Jeugdbescherming een grote hoeveelheid stukken van in totaal 2.944 pagina’s verstrekt aan [verzoekster] . Bij deze stukken was ook een afschrift van alle e-mailcorrespondentie die in kopie aan [verzoekster] is gericht, gevoegd.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, om Jeugdbescherming te veroordelen om binnen twee weken aan [verzoekster] :

  1. in gangbare digitale vorm, een eensluidende kopie van het door Jeugdbescherming in het kader van de uitvoering van de OTS aangelegde dossier [te verstrekken, rb];

  2. op de voet van artikel 15, lid 3 AVG in gangbare digitale vorm een kopie te verstrekken van al haar en de kinderen betreffende persoonsgegevens die niet zijn opgenomen in het dossier als bedoeld in artikel 7.3.8, lid 1 Jeugdwet, daaronder begrepen alle gegevens die voorkomen in digitale berichten, waaronder e-mails, sms-berichten en Whatsapp-berichten;

  3. mededeling te doen van de herkomst van haar en de kinderen betreffende persoonsgegevens voor zover deze herkomstgegevens niet reeds uit de ingevolge de hoofdveroordelingen onder 1 en 2 in kopie te verstrekken gegevens blijken;

  4. mededeling te doen van de ontvangers van haar en de kinderen betreffende persoonsgegevens voor zover deze ontvangstgegevens niet reeds uit de ingevolge de hoofdveroordelingen onder 1 en 2 in kopie te verstrekken gegevens blijken;

  5. te bepalen dat Jeugdbescherming voor iedere dag dat zij in gebreke blijft om aan (een van) de veroordelingen te voldoen een dwangsom zal verbeuren van € 5.000,

  6. met veroordeling van Jeugdbescherming in de proceskosten.

3.2.

Jeugdbescherming voert verweer en concludeert tot afwijzing van het inzageverzoek, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover nodig - nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzoek ziet op inzage in het cliëntdossier op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet, en daarnaast op alle stukken die niet tot het cliëntdossier behoren en waarin persoonsgegevens van [verzoekster] zijn verwerkt, in dat geval op grond van artikel 15 AVG in samenhang met artikel 12 AVG.

4.2.

Bij de beoordeling van het verzoek van [verzoekster] is allereerst van belang of en in hoeverre Jeugdbescherming al aan haar verzoek heeft voldaan. In dat kader stelt de rechtbank het volgende vast, hetgeen uit de weergegeven feiten kan worden afgeleid.

4.3.

In reactie op het verzoekschrift heeft Jeugdbescherming [verzoekster] uitgenodigd om het cliëntdossier in te zien, waarbij de gelegenheid bestond om vragen te stellen aan de gezinsmanager en afschrift van stukken te ontvangen. [verzoekster] heeft deze uitnodiging afgeslagen, en heeft in plaats daarvan aanspraak gemaakt op een afschrift van het cliëntdossier.

4.4.

Vervolgens heeft Jeugdbescherming een hoeveelheid stukken, naar eigen zeggen het cliëntdossier, aan [verzoekster] verstrekt met daarbij een inhoudsopgave. Partijen hebben hier vervolgens over gecorrespondeerd, waarna [verzoekster] heeft geconcludeerd dat Jeugdbescherming niet duidelijk heeft gemaakt welke stukken in het verstrekte dossier ontbreken, en zij in haar verzoek heeft gepersisteerd. Jeugdbescherming heeft vervolgens vier dagen voor de zitting een groot aantal stukken aan [verzoekster] doen toekomen. In dit dossier is ook de e-mailcorrespondentie die [verzoekster] al bekend was opgenomen. Die had Jeugdbescherming om die reden niet opgenomen in het eerder verstrekte dossier.

4.5.

Daarmee ligt de vraag voor of Jeugdbescherming met het tweede verstrekte dossier aan het verzoek van [verzoekster] heeft voldaan.

4.6.

Tijdens de zitting is het debat tussen partijen over deze vraag verder uitgekristalliseerd. Jeugdbescherming heeft toegelicht dat zij geen afschrift heeft verstrekt van interne notities en correspondentie en correspondentie met haar advocaat. Verder heeft Jeugdbescherming toegelicht dat een mededeling van [minderjarige 2] in een e-mail van 14 oktober 2019 van [belanghebbende] aan Jeugdbescherming is weggelakt (hierna: het weggelakte gedeelte) ter bescherming van de belangen van [minderjarige 2] .

4.7.

[verzoekster] heeft aangevoerd dat zij gelet op het late moment van de verstrekking van de grote hoeveelheid stukken - vier dagen voor de zitting - onvoldoende tijd heeft gehad om te verifiëren of het door Jeugdbescherming verstrekte dossier nu compleet is. [verzoekster] heeft op de zitting toegelicht dat bij haar wantrouwen jegens Jeugdbescherming is ontstaan, omdat zij in het eerder verstrekte dossier een haar onbekend conceptverzoek om haar uit de ouderlijke macht te ontzetten heeft aangetroffen. Hieruit blijkt volgens [verzoekster] dat Jeugdbescherming achter haar rug om handelt.

Volgens [verzoekster] komt Jeugdbescherming geen beroep toe op het interne notitie-verweer gelet op jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Wat betreft het weggelakte gedeelte is het beroep op de weigeringsgrond onterecht althans dient de rechter de gegrondheid van dit beroep door middel van inzage te toetsen, aldus [verzoekster] .

het verzoek op grond van de Jeugdwet

4.8.

De eerste grondslag voor het verzoek van [verzoekster] betreft artikel 7.3.10 van de Jeugdwet en het daarin neergelegde inzagerecht.

4.9.

Artikel 7.3.8 van de Jeugdwet luidt als volgt:

  1. De jeugdhulpverlener richt een dossier in met betrekking tot de verlening van jeugdhulp. Hij houdt in het dossier aantekening van de gegevens omtrent de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen en neemt andere gegevens daarin op, een en ander voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de betrokkene noodzakelijk is.

  2. De jeugdhulpverlener voegt desgevraagd een door de betrokkene afgegeven verklaring aan het dossier toe.

  3. Onverminderd het bepaalde in artikel 7.3.9 bewaart de jeugdhulpverlener het dossier gedurende twintig jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de laatste wijziging in het dossier heeft plaatsgevonden, of zoveel langer als redelijkerwijs uit de zorg van een goed jeugdhulpverlener voortvloeit.

4.10.

Artikel 7.3.10 van de Jeugdwet luidt als volgt:

De jeugdhulpverlener verstrekt aan de betrokkene desgevraagd inzage in en afschrift van de gegevens uit het dossier. De verstrekking blijft achterwege voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander.

4.11.

De rechtbank overweegt dat uit deze bepalingen volgt dat [verzoekster] als ouder met gezag over de kinderen in beginsel recht heeft op het volledige cliëntdossier van Jeugdbescherming.

interne correspondentie en notities

4.12.

Jeugdbescherming heeft terecht aangevoerd dat interne notities en correspondentie buiten het cliëntdossier als bedoeld in artikel 7.3.8. van de Jeugdwet vallen. Dit heeft [verzoekster] ook niet bestreden.

het weggelakte gedeelte

4.13.

Partijen zijn het erover eens dat het weggelakte gedeelte in beginsel wel tot het cliëntdossier behoort. Jeugdbescherming beroept zich bij het achterhouden van deze informatie echter op de tweede volzin van artikel 7.2.10 van de Jeugdwet, die voorschrijft dat verstrekking achterwege blijft voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. Jeugdbescherming heeft toegelicht dat de geciteerde mededeling van [minderjarige 2] in de betreffende e-mail is weggelakt, omdat deze vertrouwelijk is. Het delen van deze mededeling zou inbreuk maken op haar persoonlijke levenssfeer en afbreuk doen aan de door Jeugdbescherming in acht te nemen zorg van een goed hulpverlener. De rechtbank acht deze toelichting van Jeugdbescherming afdoende. Daarbij weegt mee dat om één enkele mededeling gaat in een zeer omvangrijk dossier.

overige stukken?

4.14.

[verzoekster] heeft voorts nog betoogd dat zij aanleiding heeft om te veronderstellen dat Jeugdbescherming haar niet het volledige dossier heeft verstrekt. Daarbij heeft zij gewezen op de het conceptverzoek dat zij in het dossier heeft aangetroffen. De rechtbank overweegt dat uit het gegeven dat een stuk in het verstrekte dossier aanwezig is, niet kan volgen dat niet alle stukken uit het cliëntdossier zijn verstrekt.

4.15.

Verder heeft [verzoekster] gewezen op het feit dat zij kort voor een zitting in de familierechtelijke procedure een rapport heeft ontvangen waarin het vermoeden wordt uitgesproken dat sprake is van ‘parentificatie’. Het bevreemdt [verzoekster] dat een dergelijk belangrijk vermoeden nergens in de correspondentie van Jeugdbescherming naar voren komt. Dit duidt er volgens haar op dat deze correspondentie wordt achtergehouden. [naam gezinsmanager] heeft evenwel op dit punt op de zitting toegelicht dat hij het betreffende rapport op hetzelfde late moment als [verzoekster] heeft ontvangen. Dat weerlegt het vermoeden van [verzoekster] . Bovendien heeft Jeugdbescherming toegelicht dat haar werkwijze is dat gezinssituaties met name worden besproken in overlegstructuren. Ook in dat licht behoeven bepaalde onderwerpen niet zonder meer in correspondentie te zijn neergelegd. De rechtbank ziet vanwege deze toelichting geen aanleiding voor het vermoeden van [verzoekster] dat niet het volledige dossier zou zijn verstrekt.

4.16.

Tot slot heeft [verzoekster] aangevoerd dat het verstrekte dossier door Jeugdbescherming zelf en niet door een onafhankelijke partij is samengesteld. Dat is echter ook geen eis die de wet stelt. Op Jeugdbescherming rusten de verplichtingen zoals die hiervoor zijn vooropgesteld en de rechtbank heeft te toetsen of daaraan is voldaan.

4.17.

Op grond van al het voorgaande is de conclusie dat Jeugdbescherming aan het verzoek van [verzoekster] voor zover dat gegrond is op artikel 7.3.10 van de Jeugdwet heeft voldaan.

het verzoek op grond van AVG

4.18.

De tweede grondslag voor het verzoek van [verzoekster] betreft artikel 15 AVG in samenhang met artikel 12 AVG. De AVG is de opvolger van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (hierna: de Richtlijn persoonsgegevens), zoals geïmplementeerd in de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp).

4.19.

Volgens lid 1 van artikel 15 AVG heeft [verzoekster] het recht om van (de verwerkingsverantwoordelijke) Jeugdbescherming, uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van haar betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de (onder meer en voor zover hier van belang) volgende informatie:

a. a) de verwerkingsdoeleinden;

b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;

c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;

d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;

e) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens.

Volgens artikel 15 lid 3 AVG dient de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Artikel 12 lid 1 AVG bepaalt dat de betrokkene bedoelde informatie in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijke toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt.

4.20.

Het inzagerecht was voorheen in artikel 12 van de Richtlijn persoonsgegevens vastgelegd. Dat inzagerecht had tot doel de betrokkene in staat te stellen kennis te nemen van de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld en te controleren of die gegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt. Er zijn geen aanwijzingen dat onder de AVG de doelstelling en omvang van dit inzagerecht ten opzichte van de Richtlijn persoonsgegevens is gewijzigd. De rechtbank neemt dan ook tot uitgangspunt dat de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) en de Hoge Raad die zijn gewezen over het inzagerecht ten tijde van de Richtlijn persoonsgegevens ook gelding hebben nu de AVG van kracht is.

4.21.

Uit artikel 15 van de AVG blijkt dat het inzagerecht is beperkt tot persoonsgegevens. De uitleg van het begrip ‘persoonsgegevens’ is dus bepalend voor de reikwijdte van het inzagerecht. Op grond van artikel 4 lid 1 van de AVG is een persoonsgegeven ‘alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon’. Door het HvJEU wordt een ruime uitleg aan het begrip “persoonsgegeven” gegeven. Het HvJEU heeft overwogen dat het begrip persoonsgegeven niet beperkt is tot gevoelige of persoonlijke informatie maar zich potentieel uitstrekt tot elke soort informatie, zowel objectieve als subjectieve informatie onder de vorm van meningen of beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie die de betrokkene betreft. Deze laatste voorwaarde is vervuld wanneer de informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een bepaalde persoon en waarmee die persoon redelijkerwijs identificeerbaar is voor een andere persoon (HvJEU 20 december 2017, C-434/16, “ Nowak ”, ECLI:EU:C:2017:994).

4.22.

Verder is relevant voor de beoordeling van het verzoek het arrest van het HvJEU van 17 juli 2014 (C-141/12 en C-371/12, “IND”, ECLI:EU:C:2014:2081). In deze zaak heeft het HvJEU – kort samengevat – overwogen dat een juridische analyse weliswaar persoonsgegevens kan bevatten, maar op zich niet een dergelijk gegeven vormt in de zin van artikel 2, sub a, van de Richtlijn persoonsgegevens. Anders dan de gegevens die de feitelijke basis kunnen vormen voor de juridische analyse, kan een dergelijke analyse zelf niet door de betrokkene worden gecontroleerd op de juistheid ervan en worden gerectificeerd. Daarop ziet de Richtlijn persoonsgegevens niet. In zijn arrest van 16 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:365) heeft de Hoge Raad – onder verwijzing naar de overwegingen van het HvJEU in dit arrest – overwogen dat de Richtlijn persoonsgegevens die door de Wbp is geïmplementeerd, de betrokkene in staat stelt te controleren of zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt, ter bescherming van het recht van betrokkene op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Die controle kan dan leiden tot rectificatie, uitwissing of afscherming van de gegevens. De vordering in die procedure was gericht op verkrijging van informatie ten behoeve van een gerechtelijke procedure en niet op het doel waartoe de Richtlijn persoonsgegevens strekt, zodat volgens de Hoge Raad geen sprake was van persoonsgegevens in de zin van de Richtlijn persoonsgegevens.

4.23.

De Hoge Raad heeft bij beschikkingen van 29 juni 2007 geoordeeld dat interne memo’s die de persoonlijke gedachten van medewerkers bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad, in beginsel geen onderdeel zijn van een ‘bestand’ en om die reden buiten de reikwijdte van het recht van inzage vallen (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4663 (Dexia/verweerder S.), ECLI:NL:HR:2007:AZ4664 (Dexia/verweerder N.) en ECLI:NL:HR:2007:BA3529 (HBU/verweerder G.).

4.24.

Met toepassing van de hiervoor genoemde regels en rechtspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van [verzoekster] als volgt. Daarbij geldt dat het verzoek nog enkel ziet op de informatie die geen onderdeel uitmaakt van het dossier dat al aan [verzoekster] is verstrekt. Op de zitting is van de zijde van [verzoekster] toegelicht dat haar inzageverzoek nog ziet op het weggelakte gedeelte en de interne correspondentie en notities van Jeugdbescherming.

het weggelakte gedeelte

4.25.

Partijen twisten over de vraag of het weggelakte gedeelte onder het inzagerecht van de AVG valt. De rechtbank stelt vast dat de advocaat van [belanghebbende] tijdens de zitting heeft meegedeeld dat in het weggelakte gedeelte niets staat vermeld dat tot [verzoekster] te herleiden is. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan. Dat leidt ertoe dat geen sprake is van persoonsgegevens van [verzoekster] in de zin van de AVG waartoe het inzagerecht is beperkt. Nu verder nergens uit blijkt dat [verzoekster] haar inzageverzoek mede namens [minderjarige 2] zou hebben ingesteld, zal het verzoek om inzage in het weggelakte gedeelte worden afgewezen.

interne correspondentie en notities

4.26.

[verzoekster] heeft betoogd dat interne notities en correspondentie van Jeugdbescherming onder het inzagerecht van artikel 15 AVG vallen. Jeugdbescherming heeft dit betwist.

4.27.

Hoewel kan worden aangenomen dat interne notities (voor zover aanwezig in het dossier) en interne correspondentie van Jeugdbescherming, persoonsgegevens van [verzoekster] kunnen bevatten, kunnen deze stukken als zodanig niet als persoonsgegevens in de zin van de AVG worden gekwalificeerd. De gevraagde gegevens zijn immers aan te merken als informatie die de persoonlijke gedachten van medewerkers bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad. Voor zover deze informatie wordt verwerkt in rapportages of verslagen, zal zij onderdeel uit gaan maken van het cliëntdossier waarin [verzoekster] inzage heeft op grond van de Jeugdwet.

Gelet op de hiervoor onder 4.22 genoemde uitspraken van het HvJEU en de Hoge Raad kunnen dergelijke gegevens niet als persoonsgegevens in de zin van artikel 4 lid 1 AVG worden aangemerkt, omdat deze (interne) stukken op zichzelf geen gegevens zijn over [verzoekster] . Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat deze stukken als zodanig niet door [verzoekster] kunnen worden gecontroleerd op de juistheid daarvan, dan wel kunnen worden gecorrigeerd. Hetzelfde geldt voor de verzochte inzage in sms-berichten en Whatsapp-berichten.

4.28.

Daarbij komt dat het inzageverzoek van [verzoekster] niet strookt met het doel en de strekking van de AVG. De persoon van wie gegevens worden verwerkt komt - gelet op de bescherming van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot de verwerking van die gegevens – het recht op inzage toe teneinde te kunnen controleren of zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig worden verwerkt. Uit de stukken en de op de zitting door [verzoekster] gegeven toelichting kan worden afgeleid dat haar inzageverzoek voortkomt uit een bij haar in de familierechtelijke procedure gerezen wantrouwen jegens Jeugdbescherming en haar ex-partner [belanghebbende] ; zij vermoedt dat niet alle informatie met haar wordt gedeeld en dat zaken achter haar rug om worden beslist. Haar verzoek is er kennelijk op gericht om door middel van het inzageverzoek voor haar onbekende informatie te achterhalen met het oog op die familierechtelijke procedure en tegelijkertijd bevestigd te krijgen dat haar wantrouwen gerechtvaardigd is.

4.29.

Het behoeft geen betoog dat de familierechtelijke procedures voor [verzoekster] en [belanghebbende] uiterst precair zijn, nu het daarin gaat om het welzijn van hun kinderen en hun gezag over de kinderen. Dat laat onverlet dat uit de toelichting van [verzoekster] niet aannemelijk is geworden dat zij inzage wenst in de door Jeugdbescherming verwerkte persoonsgegevens ter controle van de juistheid en rechtmatigheid van de verwerking daarvan. De rechtbank concludeert dan ook dat [verzoekster] de AVG en het daarin geboden recht om onder bepaalde voorwaarden inzage in persoonsgegevens te verkrijgen gebruikt voor een ander doel dan het door de AVG beoogde doel.

4.30.

De conclusie is dat de verzoeken van [verzoekster] moeten worden afgewezen. Bij gebrek aan enige veroordeling bestaat geen aanleiding om de eveneens (onder e) verzochte dwangsom op te leggen.

proceskosten

4.31.

Beide partijen hebben ieder voor zich verzocht de wederpartij in de kosten van de procedure te veroordelen. [verzoekster] heeft op zichzelf terecht opgemerkt dat Jeugdbescherming tot aan de indiening van het verzoekschrift door [verzoekster] op 1 oktober 2019 niet op het inzageverzoek heeft gereageerd. Daar staat tegenover dat [verzoekster] vervolgens meerdere uitnodigingen van Jeugdbescherming om het dossier te komen inzien heeft afgeslagen en bij haar verzoek heeft gepersisteerd, ook nadat Jeugdbescherming een kopie van het cliëntdossier had verstrekt. Doorslaggevend is echter dat zoals hiervoor is overwogen het inzageverzoek een ander doel diende dan het doel dat met het inzagerecht wordt beoogd. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om [verzoekster] in de proceskosten van Jeugdbescherming te veroordelen.

4.32.

De kosten aan de zijde van Jeugdbescherming worden tot op heden begroot op:

- griffierecht € 639

- salaris advocaat € 1.086 (2 punten × tarief € 543)

totaal € 1.725

4.33.

Nu [verzoekster] in de proceskosten wordt veroordeeld, ziet de rechtbank geen aanleiding meer om te beslissen op het verzoek van Jeugdbescherming om haar geen griffierecht in rekening te brengen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzoek af,

5.2.

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, aan de zijde van Jeugdbescherming tot op heden begroot op € 1.725.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C.H. Broesterhuizen, rechter, bijgestaan door mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2020.

De griffier is niet in staat om deze beschikking te ondertekenen.