Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2243

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
C/13/681969 / KG ZA 20-299
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2020:2306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het beslag dat een aannemer had laten leggen op een appartement, vlak voor levering daarvan door de verkoper aan de beoogde koopster, wordt opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/681969 / KG ZA 20-299 MDvH/MvG

Vonnis in kort geding van 10 april 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding op verkorte termijn van 3 april 2020,

advocaat mr. J.D. Edens te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde sub 2] (notaris),

kantoorhoudende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. V.J.N. van Oijen te Amsterdam,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat E. Cekic te Uitgeest.

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde sub 1] , de Notaris en [gedaagde sub 3] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Vanwege de bijzondere omstandigheden door de Corona-crisis heeft de voorzieningenrechter, overeenkomstig de tijdelijke afwijkende regeling voor kort gedingen rechtbanken handel/familie, een mondelinge behandeling bepaald op 7 april 2020 via Skype for Business. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde sub 3] en de Notaris hebben afzonderlijk verweer gevoerd. De Notaris aan de hand van een op voorhand in het geding gebrachte conclusie van antwoord. [eiser] heeft producties in het geding gebracht en [gedaagde sub 3] producties en een pleitnotitie. [eiser] en de Notaris hebben hun standpunten tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht.

[gedaagde sub 1] - verstek

1.2.

In deze tijden van Coronamaatregelen is voorzichtigheid geboden bij het verlenen van verstek. In dit geval is geoordeeld dat verstek kan worden verleend. Daarvoor is het volgende redengevend. De vorderingen van [eiser] houden verband met door [gedaagde sub 1] ten laste van hem gelegde conservatoire beslagen. Het verlof tot het leggen van die beslagen is door de voorzieningenrechter verleend op grond van een door mr. A. Kotan namens [gedaagde sub 1] ingediend verzoekschrift. Zodra de beslagen waren gelegd, heeft mr. Edens namens [gedaagde sub 1] contact gezocht met mr. Kotan. Mr. Edens heeft mr. Kotan laten weten dat hij voornemens was in kort geding opheffing van de beslagen te vorderen en hem om zijn verhinderingen gevraagd. Mr. Kotan heeft (uiteindelijk) per e-mail gereageerd en aanvankelijk ook te kennen gegeven dat hij [gedaagde sub 1] zou bijstaan in dit kort geding. Uiteindelijk heeft mr. Kotan de griffier per e-mail van 3 april 2020 (20.46 uur) bericht dat hij (wegens ziekte) afscheid heeft moeten nemen van zijn cliënt en hem niet langer bijstaat. Uit de door mr. Edens in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie tussen hem en

mr. Kotan volgt dat [gedaagde sub 1] op de hoogte was van wat gaande was. Op 1 april 2020 heeft mr. Kotan aan [gedaagde sub 1] de e-mails van mr. Edens doorgestuurd en nog diezelfde dag heeft [gedaagde sub 1] aan mr. Kotan geantwoord, onder meer als volgt: “Als er een zitting komt heb ik dat ook heel graag. Dan kan ik die oplichter confronteren”.

1.3.

De dagvaarding is op vrijdag 3 april 2020 (15.35 uur) betekend aan het kantoor van mr. Kotan. Er kan niet zonder meer vanuit worden gegaan dat deze dagvaarding [gedaagde sub 1] nog heeft bereikt. Mr. Kotan was volgens zijn e-mail aan de griffier van later die avond immers ziek thuis. Mr. Kotan heeft in die e-mail geschreven dat [gedaagde sub 1] bereikbaar was via het volgende e-mailadres: [e-mailadres]. Dit is hetzelfde e-mailadres waarvan de hiervoor onder 1.2 genoemde e-mail van 1 april 2020 is verstuurd. De griffier heeft [gedaagde sub 1] vervolgens met dit e-mailadres uitgenodigd voor de via Skype for Business gehouden testsessie en de mondelinge behandeling. Op die uitnodiging(en) heeft [gedaagde sub 1] niet gereageerd. Echter uit een door mr. Edens in het geding gebrachte e-mail van 6 april 2020 blijkt dat [gedaagde sub 1] de aan hem toegestuurde producties via WeTransfer heeft gedownload. Al met al is voldoende aannemelijk dat [gedaagde sub 1] op de hoogte was, althans had kunnen zijn, van de door [eiser] ingestelde vorderingen en (het tijdstip van) de mondelinge behandeling waarop deze zouden worden behandeld. Tegen hem is dan ook verstek verleend.

1.4.

Bij de mondelinge behandeling via Skype for Business waren [eiser] , mr. Edens, de Notaris, mr. Van Oijen en mr. Cekic aanwezig.

1.5.

Ten slotte is vonnis bepaald. Vanwege de spoedeisendheid van de zaak is op 7 april 2020 een beslissing gegeven op het onder 3.1. onder I gevorderde in de vorm van een zogenoemd kopstaart-vonnis en is een beslissing op de overige vorderingen aangehouden. Het hierna volgende is een beslissing op de overige vorderingen en de uitwerking van het kopstaartvonnis en is afgegeven op 10 april 2020.

2 De feiten

2.1.

[eiser] als verkoper en [gedaagde sub 3] als koper hebben op 7 januari 2020 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot het appartementsrecht [adres] (hierna: het appartement) voor een koopprijs van € 469.500,00. De levering van het appartement stond gepland op 30 maart 2020. Op grond van artikel 8 van de koopovereenkomst heeft [gedaagde sub 3] een waarborgsom van € 46.950,00 gestort op de kwaliteitsrekening van de Notaris. In artikel VI lid 2 van de Algemene Bepalingen bij de koopovereenkomst staat, samengevat, dat als één van de partijen gedurende acht dagen na de dag waarop een deurwaardersexploot met een ingebrekestelling is uitgebracht, tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen, deze partij in verzuim is en de wederpartij de keuze heeft tussen (i) uitvoering van de koopovereenkomst te verlangen vermeerderd met een boete of (ii) deze te ontbinden en een boete te vorderen van 10% van de koopprijs.

2.2.

[gedaagde sub 1] heeft op 26 maart 2020 een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank voor een vordering uit hoofde van een tussen hem en [eiser] gesloten leningovereenkomst naar aanleiding van onbetaald gelaten facturen voor aannemingswerkzaamheden. Als bijlagen bij het verzoekschrift heeft [gedaagde sub 1] een leningovereenkomst, opdrachtbevestigingen voor de aannemingswerkzaamheden en e-mails overgelegd en zich op het standpunt gesteld dat daaruit volgt dat [eiser] de vordering heeft erkend. Er is vervolgens op 27 maart 2020 verlof verleend om voor een bedrag van € 780.000,00 inclusief rente en kosten ten laste van [eiser] beslag te leggen.

2.3.

[gedaagde sub 1] heeft op 27 maart 2020, voor zover van belang, ten laste van [eiser] conservatoir beslag gelegd op het appartement, welk beslag hij op 30 maart 2020 heeft laten inschrijven in het Kadaster.

2.4.

Met een e-mail van 30 maart 2020 om 12.17 uur heeft [naam 1] , kandidaat-notaris werkzaam op het kantoor van de Notaris (hierna: de kandidaat-notaris), [gedaagde sub 3] bericht even te wachten met betaling van de koopsom, omdat een complicatie was opgetreden. Even later, met een e-mail van 13.10 uur, heeft de kandidaat-notaris [gedaagde sub 3] bericht dat de levering van het appartement is uitgesteld. Om 13.53 uur heeft [naam 1] [gedaagde sub 3] per e-mail bericht dat er een conservatoir beslag ligt op het appartement.

2.5.

Met een e-mail van 30 maart 2020 van 14.08 uur heeft de kandidaat-notaris [eiser] en [gedaagde sub 3] bericht dat de levering van het appartement niet door kan gaan, omdat daarop conservatoir beslag is gelegd.

2.6.

Met een e-mail van 30 maart 2020 van 14.20 uur van zijn advocaat heeft [eiser] [gedaagde sub 1] en mr. Kotan gemotiveerd gesommeerd het beslag op het appartement in het Kadaster door te halen.

2.7.

Bij deurwaardersexploot van 30 maart 2020 heeft [gedaagde sub 3] [eiser] in gebreke gesteld onder verwijzing naar artikel VI van de algemene voorwaarden bij de koopovereenkomst. Het exploot werd rond 17.00 uur aan [eiser] betekend.

2.8.

Met een e-mail van 31 maart 2020 van zijn advocaat heeft [eiser]

mr. Kotan opnieuw gemotiveerd verzocht het beslag op het appartement zo spoedig mogelijk in het Kadaster door te halen. Verder heeft [eiser] in deze e-mail de Notaris, die in de cc stond, aangezegd de waarborgsom niet aan [gedaagde sub 3] uit te betalen. Hierop is geen reactie ontvangen van de Notaris.

2.9.

Met een e-mail van 2 april 2020 van zijn advocaat heeft [eiser] [gedaagde sub 3] meegedeeld dat de ingebrekestelling geen effect heeft, omdat, kort gezegd, de koopsom van het appartement op 30 maart 2020 nog niet op de kwaliteitsrekening van de Notaris was gestort en [gedaagde sub 3] in schuldeisersverzuim verkeerde op het moment dat zij [eiser] in gebreke stelde. Verder heeft [eiser] in deze e-mail [gedaagde sub 3] in gebreke gesteld en binnen acht dagen de nakoming gevorderd van de tussen hen gesloten koopovereenkomst. Met een e-mail van eveneens 2 april 2020 aan de advocaat van [eiser] heeft [gedaagde sub 3] meegedeeld, samengevat, niet in schuldeisersverzuim te verkeren en de ontbinding van de koopovereenkomst te willen doorzetten.

2.10.

Met een e-mail van 2 april 2020 van zijn advocaat heeft [eiser] de Notaris verzocht hem te bevestigen dat de door [gedaagde sub 3] op zijn kwaliteitsrekening gestorte waarborgsom vooralsnog niet aan haar wordt terugbetaald. De Notaris heeft deze e-mail niet beantwoord.

2.11.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 6 april 2020 aan [naam 2] verlof verleend om voor een bedrag van € 243.750,00 beslag te leggen ten laste van [eiser] . [naam 2] heeft diezelfde dag nog beslag gelegd op het appartement en dit beslag op 7 april 2020 laten inschrijven in het Kadaster.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat:

I. het conservatoir beslag dat [gedaagde sub 1] ten laste van [eiser] op het appartement aan de [adres] heeft doen leggen op te heffen;

II. [gedaagde sub 3] te veroordelen te gehengen en gedogen dat de Notaris de waarborgsom van € 46.950,00 die door of voor [gedaagde sub 3] op de kwaliteitsrekening van de Notaris is bijgeschreven, niet uitbetaalt of restitueert tot een eindvonnis dan wel eindarrest in een door [gedaagde sub 1] tegen [eiser] te entameren hoofdzaak in kracht van gewijsde is gegaan;

III. de Notaris te verbieden te de waarborgsom van € 46.950,00 aan [gedaagde sub 3] of de betreffende financier van [gedaagde sub 3] te restitueren, tot een eindvonnis of eindarrest in een door [gedaagde sub 1] tegen [eiser] te entameren hoofdzaak in kracht van gewijsde is gegaan, waarbij [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van enig bedrag aan [gedaagde sub 1] ;

IV. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] te veroordelen in de proces- en nakosten.

3.2.

[eiser] stelt dat het beslag volstrekt ten onrechte is gelegd en voert daartoe – kort weergegeven en voor zover voor de beoordeling van belang – het volgende aan. Hij kent [gedaagde sub 1] niet en heeft op geen enkele manier ooit met hem te maken gehad. De bij het beslag overgelegde leningovereenkomst en opdrachtbevestigingen voor aanneemwerkzaamheden zijn valselijk opgemaakt. De handtekeningen op deze documenten onder de naam van [eiser] zijn niet van hem en lijken ook niet op zijn handtekening op de koopovereenkomst. Bovendien woont [eiser] niet, en hij heeft ook nooit gewoond, op de adressen waar volgens de opdrachtbevestigingen werkzaamheden zouden zijn verricht. De facturen van [gedaagde sub 1] zijn verstuurd naar een adres in Apeldoorn en Bergen, waar [eiser] nooit heeft gewoond. [eiser] heeft nooit ge-e-maild met [gedaagde sub 1] . De e-mails die bij het verzoekschrift zijn gevoegd maken alleen het e-mailadres van [gedaagde sub 1] zichtbaar en niet het e-mailadres van [eiser] . In het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat en stond geen [aannemersbedrijf] ingeschreven. Het KvK-nummer dat op de facturen staat, is van een op 4 juni 2014 gestarte en per 12 januari 2015 uitgeschreven eenmanszaak van [naam 3] handelende onder de naam [schoonmaakbedrijf] .

3.3.

De Notaris refereert zich aan het oordeel van de voorzieningenrechter voor wat betreft de tegen hem gerichte vordering en verzoekt [eiser] in de proceskosten te veroordelen. Daarbij heeft de Notaris opgemerkt dat hij hoe dan ook pas over kan gaan tot uitbetaling van de waarborgsom aan [eiser] of [gedaagde sub 3] indien er een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis ligt, dan wel partijen alsnog overeenstemming daarover bereiken. Bij twijfel aan wie de waarborgsom toekomt, dient een notaris deze onder zich te houden. De Notaris heeft daarbij verwezen naar artikel 25 lid 3 Wet op het notarisambt (Wna), een arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AA9441, NJ 2002, 371) en artikel 1 Reglement beperking uitbetaling derdengelden van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB).

3.4.

[gedaagde sub 3] stelt dat zij niet begrijpt waarom zij is gedagvaard. Zij heeft de notaris niet verzocht om de waarborgsom te restitueren. Bovendien zijn partijen in de koopovereenkomst overeengekomen dat de Notaris bij een geschil tussen partijen niet overgaat tot betaling of restitutie van de waarborgsom. [gedaagde sub 3] verkeert niet in schuldeisersverzuim, omdat [gedaagde sub 3] verplicht was de koopprijs te voldoen voor/bij het tekenen van de leveringsakte, wat gepland stond op 30 maart om 16.00 uur. Het beslag op de woning is om 09.00 uur ingeschreven in het Kadaster. [eiser] is dus in verzuim. [gedaagde sub 3] verzoekt [eiser] te veroordelen in de proceskosten.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Even voor het begin van de mondelinge behandeling, naar aanleiding van een door [gedaagde sub 3] in het geding gebrachte productie, is gebleken van het door [naam 2] gelegde beslag op het appartement. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard hiervan te zijn geschrokken. Hij kent [naam 2] niet en heeft op geen enkele manier ooit met hem te maken gehad. [eiser] vermoedt dat [naam 2] een bekende is van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 3] .

4.2.

[eiser] verdenkt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] ervan dat zij hebben samengewerkt om de levering van het appartement te voorkomen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde sub 1] beslag gelegd op het appartement om zodoende hem te belemmeren het appartement aan [gedaagde sub 3] te kunnen leveren en [gedaagde sub 3] de mogelijkheid te geven de koopovereenkomst te ontbinden. [gedaagde sub 3] betwist deze aantijgingen en stelt [gedaagde sub 1] niet te kennen. [eiser] dient zijn financiën op orde te hebben en [gedaagde sub 3] niet valselijk te beschuldigen, aldus [gedaagde sub 3] . Wat er van het voorgaande ook zij, in dit kort geding gaat het in de eerste plaats om de vraag of het door [gedaagde sub 1] gelegde beslag op het appartement moet worden opgeheven.

Opheffen beslag

4.3.

Ingevolge artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een beslag opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert (in dit geval [eiser] ) om, met inachtneming van de beperkingen van de procedure in kort geding, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger (in dit geval [gedaagde sub 1] ) gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.

4.4.

Gelet op het door [eiser] gevoerde verweer ligt ter beoordeling de vraag voor of tussen hem en [gedaagde sub 1] overeenkomsten zijn gesloten, die door [gedaagde sub 1] ten grondslag zijn gelegd aan zijn vermeende vordering op [eiser] .

4.5.

Een getekende overeenkomst is een onderhandse akte waaraan op grond van artikel 157 lid 2 Rv dwingend bewijs toekomt. Artikel 159 lid 2 Rv bepaalt echter dwingend dat aan een ondertekend geschrift geen bewijskracht toekomt als de ondertekening daarvan door een partij stellig wordt ontkend, wat rechtens ertoe leidt dat zolang niet is bewezen van wie de handtekening is, dit geen verklaring inhoudt strekkende tot het aangaan van een overeenkomst. Omdat [eiser] stellig ontkent dat de handtekening onder de overeenkomsten zijn handtekening is, kunnen de door [gedaagde sub 1] bij het verzoekschrift overgelegde overeenkomst niet dienen als bewijs, zodat rechtens niet ervan kan worden uitgegaan dat tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] overeenkomsten tot stand zijn gekomen. De e-mailwisseling die [gedaagde sub 1] aan het verzoekschrift heeft gehecht en waarin [eiser] de vordering zou hebben erkend, is onvoldoende om hier anders over te denken, omdat – zoals [eiser] terecht heeft opgemerkt – aan de echtheid van deze e-mailwisseling moet worden getwijfeld, omdat nergens in de e-mailwisseling het e-mailadres van [eiser] voorkomt, alleen zijn naam.

4.6.

Ten overvloede wordt overwogen dat ook hetgeen verder door [eiser] naar voren is gebracht de voorzieningenrechter het onbehagelijke gevoel geeft dat er hier iets helemaal niet klopt en dat inderdaad tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] nimmer enige rechtsbetrekking heeft bestaan.

4.7.

Bovenstaande betekent dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagde sub 1] ingeroepen recht is gebleken, zodat het beslag op het appartement zal worden opgeheven, met veroordeling van [gedaagde sub 1] in de proceskosten.

Vorderingen tegen [gedaagde sub 3] en de Notaris

4.8.

Terecht heeft de Notaris aangevoerd dat hij op grond van de Wna en het Reglement van de KNB vooralsnog de waarborgsom onder zich dient te houden. Daarnaast heeft [gedaagde sub 3] er terecht gewezen op artikel V lid 5 van de Algemene Bepalingen bij de koopovereenkomst, waarin staat dat als de Notaris, indien hij niet kan beoordelen wie van beide partijen tekortschiet, de waarborgsom onder zich houdt. Al zou [gedaagde sub 3] de Notaris dus verzoeken om de waarborgsom te restitueren, dan nog mag de Notaris daartoe niet overgaan. Het voorgaande betekent dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vorderingen tegen [gedaagde sub 3] en de Notaris, zodat deze zullen worden afgewezen.

Proceskosten

4.9.

[eiser] heeft te kennen gegeven dat hij vermoedt dat [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] elkaar kennen, dat [gedaagde sub 3] van de koop af wil en dat zij al eerder op de hoogte was van het door [gedaagde sub 1] gelegde beslag. Voor deze vermoedens zijn in het dossier geen concrete aanknopingspunten te vinden. Opmerkelijk is wel, zoals de voorzieningenrechter (de advocaat van) [gedaagde sub 3] tijdens de mondelinge behandeling ook heeft voorgehouden, hoe [gedaagde sub 3] na de beslaglegging heeft gereageerd. Zij heeft niet eerst – richting de Notaris en/of richting [eiser] – kenbaar gemaakt dat zij het jammer vindt dat de voor die dag geplande levering door het beslag geen doorgang kon vinden. Dit had voor de hand gelegen, want aangenomen mag toch worden dat zij zich erop had verheugd haar nieuwe woning te kunnen gaan betrekken. Zij heeft bovendien niet eerst een reactie van [eiser] naar aanleiding van het beslag op het appartement afgewacht, maar ervoor gekozen om direct de aanval te kiezen door hem ingebreke te stellen. Ook in latere e-mailcorrespondentie heeft zij niet kenbaar gemaakt dat zij het appartement graag wil hebben. Integendeel, met een e-mail van 2 april 2020 heeft [gedaagde sub 3] [eiser] meegedeeld de ontbinding te willen doorzetten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Cekic desgevraagd wel meegedeeld dat [gedaagde sub 3] de woning nog altijd wil afnemen. Dit staat echter haaks op de eerdere berichten van [gedaagde sub 3] aan [eiser] . Verder heeft mr. Cekic op een vraag van de voorzieningenrechter geantwoord dat [gedaagde sub 3] de termijn van acht dagen in artikel VI van de Algemene Bepalingen, niet wil verlengen. Ook dit duidt er juist op dat [gedaagde sub 3] de woning niet wil afnemen, in plaats van op het tegendeel. Uit de door [gedaagde sub 3] in het geding gebrachte e-mail waarin zij de deurwaarder opdracht geeft het onder 2.7 bedoelde exploot uit te brengen, blijkt – zo is de voorzieningenrechter na de mondelinge behandeling gebleken – dat mr. Cekic op dat moment al bij de kwestie was betrokken (zij staat in de cc), zodat de opstelling van [gedaagde sub 3] niet kan worden verklaard door onwetendheid. In de niet coöperatieve houding van [gedaagde sub 3] , die bovendien niet valt te rijmen met de mededelingen door mr. Cekic namens haar ter zitting, wordt, hoewel de vordering jegens haar wordt afgewezen, aanleiding gezien de proceskosten tussen haar en [eiser] te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.10.

[eiser] heeft met e-mails van 31 maart en 2 april 2020 de Notaris aangezegd respectievelijk verzocht hem te bevestigen dat de waarborgsom vooralsnog niet aan [gedaagde sub 3] zou worden terugbetaald. De Notaris heeft deze e-mails ontvangen, maar hij heeft daarop niet gereageerd en heeft zelfs de ontvangst daarvan niet aan [eiser] bevestigd, hetgeen wel van hem had mogen worden verwacht. Omdat [eiser] daardoor de mogelijkheid is onthouden goed geïnformeerd zijn proceshouding te bepalen, zullen ook de kosten van deze procedure tussen [eiser] en de Notaris worden verrekend, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het door [gedaagde sub 1] ten laste van [eiser] gelegde conservatoire beslag op het appartement aan de [adres] ,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 304,00 aan griffierecht, € 980,00 aan advocaatkosten en

€ 109,89 een explootkosten,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

verrekent de proceskosten tussen [eiser] en [gedaagde sub 3] in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6.

verrekent de proceskosten tussen [eiser] en de Notaris in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2020.1

1 type: MvG coll: mb