Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2239

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
AMS 19/2974
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige kamer. Dienstopdrachten en voorwaardelijk strafontslag brandweerman. Eisers gedrag in het verleden is medebepalend voor de evenredigheid van de straf. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/2974

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K. de Bie),

en

het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, verweerder (gemachtigde: mr. M.J. Hofste).

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiser een formele dienstopdracht gegeven.

Bij besluit van 2 december 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser nogmaals een formele dienstopdracht gegeven.

Bij besluit van 8 mei 2017 (het primaire besluit III) heeft verweerder eiser disciplinair gestraft met een schriftelijke berisping en een voorwaardelijk strafontslag.

Bij besluit van 23 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit III deels gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit III deels herroepen en beslist dat eiser enkel disciplinair gestraft wordt met een voorwaardelijk strafontslag voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2020.

Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder waren ook aanwezig
T. van Lieshout [functie 1] ) en J. Doef (P&O-adviseur).

Overwegingen

Wat vooraf ging aan deze procedure

1. Eiser is sinds 12 september 1994 in dienst bij verweerder en werkzaam als [functie 2] . In de periode van 2004 tot en met 2010 zijn aan eiser meerdere disciplinaire maatregelen opgelegd:

- Bij besluit van 15 januari 2004 heeft eiser van verweerder een schriftelijke waarschuwing gekregen vanwege niet constructief gedrag.

- Bij besluit van 29 november 2006 heeft verweerder eiser een schriftelijke berisping opgelegd vanwege onacceptabel en gezagsondermijnend gedrag.

- Wegens het niet nakomen van afspraken is aan eiser op 3 maart 2009 de dienstopdracht gegeven om zijn trailer met boot van het terrein van [bedrijf 1] te verwijderen.

- Bij besluit van 9 juni 2010 heeft verweerder aan eiser voorwaardelijk strafontslag voor de duur van twee jaar opgelegd vanwege gezagsondermijnend gedrag en het zich daarbij sturend en ongepast gedragen.

In 2014 heeft eiser een coachingstraject gevolgd in verband met zijn houding en gedrag.

2. Eiser heeft op 30 oktober 2016 zijn boot neergelegd op het parkeerterrein van de [bedrijf 2] waar hij in die periode werkzaam was. De [functie 3] ( [de persoon 1] , hierna: [de persoon 1] ) heeft op 3 november 2016 op verzoek van [de persoon 2] (clustermanager, hierna: [de persoon 2] ) aan eiser meegedeeld dat hij de boot weg moet halen. Eiser wilde dit niet doen en heeft verzocht om een gesprek met [de persoon 2] . Op 17 november 2016 heeft eiser telefonisch met [de persoon 2] gesproken en zij heeft eiser gevraagd zijn boot weg te halen. Omdat eiser aangaf aan zijn boot te willen klussen, heeft [de persoon 2] eiser uitgelegd dat stalling niet is toegestaan, maar dat als eiser aan de boot wil werken dat voor maximaal twee maanden is toegestaan onder de voorwaarde dat hij daarover met [de persoon 1] afspraken maakt. Op 19 november 2016 heeft eiser tegen [de persoon 1] gezegd deze afspraken niet te willen maken. [de persoon 2] heeft eiser in haar e-mail van 21 november 2016 daarop verzocht zijn boot vóór zondag 27 november 2016 van het parkeerterrein te halen. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij open staat voor een gesprek met eiser zodra hij zijn boot weg heeft gehaald.

3. Eiser heeft op 25 november 2016 een e-mailbericht gestuurd aan [de persoon 2] en cc aan [functie 3] [de persoon 1] en De Vries, met de volgende inhoud:

Beste [de persoon 2] . Wat een leuke mail, echt een aanrader om het samenhorigheidsgevoel te bevorderen. Het samen doen komt daarmee wel mijn inziens flink onder druk te staan. Ik ervaar nu een beetje pressie, met een dreigende ondertoon. En waarom??? Je zegt zelf dat ons gesprek, een prettig gesprek was, waarom zou mijn gesprek met [de persoon 1] dan geen prettig gesprek zijn. Kan me alleen niet vinden in de “afspraken” die gemaakt zijn. Neem aan dat de afspraken uit jou koker kwamen, en die wil ik graag met je bepraten. Er zijn wat aspecten over het hoofd gezien, waar je simpelweg niet bij stilgestaan hebt. Echter nu vind je dat ik, omdat ik niet klakkeloos de afspraken wil tekenen, maar mijn project moet weghalen. En dat je niet eerder met me wilt praten, voordat de boot weg is, tsja wat moet ik erop zeggen. Hoop dat je je “besluit” heroverweegt, en dat je toch de eerstvolgende keer met mij het gesprek erover wilt aangaan. Tot die tijd zal ik gewoon in de beschikbare tijd, de werkzaamheden aan mijn project continueren. Mvg [eiser] ”

4. Bij het primaire besluit I heeft verweerder eiser een formele dienstopdracht gegeven om zijn boot vóór vrijdag 2 december 2016 van het parkeerterrein van [bedrijf 2] te verwijderen.

5. Bij het primaire besluit II heeft verweerder eiser, omdat eiser niet had voldaan aan de formele dienstopdracht van 29 november 2016, nogmaals een formele dienstopdracht gegeven. Hierbij is aangegeven dat eiser zijn boot uiterlijk maandagavond 5 december voor 22.00 uur van het [bedrijf 2] dient te verwijderen.

6. Eiser heeft op 3 december 2016 zijn boot van het terrein van de [bedrijf 2] verwijderd.

7. Op 9 december 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [de persoon 2] , eiser, de gemachtigde van eiser en [de persoon 6] (personeelsadviseur).

8. Op 2 januari 2017 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt eisers gedrag disciplinair te bestraffen met een schriftelijke berisping en een voorwaardelijk strafontslag voor de duur van twee jaar.

9. Op 6 april 2017 heeft de Verantwoordingscommissie verweerder geadviseerd af te zien van het voornemen tot voorwaardelijk strafontslag en eiser te bestraffen door het geven van een schriftelijke berisping, twee diensten te komen werken zonder bezoldiging en de komende twee jaar zelf zorg te dragen voor een halfjaarlijks functioneringsgesprek.

10. Bij het primaire besluit III is eiser disciplinair gestraft met een schriftelijke berisping en een voorwaardelijk strafontslag voor de duur van twee jaar. Verweerder geeft hierbij aan dat eiser de volgende punten worden verweten:

- eiser heeft in strijd met de regels, die hem genoegzaam bekend zijn, zijn boot op het [bedrijf 2] gestald (plichtsverzuim a).

- eiser heeft redelijke verzoeken en opdrachten van zijn leidinggevenden om de boot te verwijderen niet opgevolgd (plichtsverzuim b).

- eiser heeft vervolgens een formele dienstopdracht niet (tijdig) opgevolgd
(plichtsverzuim c).

- eiser heeft zich door de verzoeken en opdrachten niet vrijwillig te willen opvolgen en daarover in discussie te gaan, gezagsondermijnend gedragen. De toon en inhoud van eisers

e-mailbericht van 25 november 2016 vindt verweerder daarbij onbehoorlijk en respectloos (plichtsverzuim d).

11. Bij beslissing op bezwaar van 17 oktober 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard en het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit III deels gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit III deels herroepen en beslist dat eiser enkel disciplinair gestraft wordt met een voorwaardelijk strafontslag voor de duur van twee jaar.

12. Eisers beroep tegen het besluit van 17 oktober 2017 (geregistreerd onder kenmerk AMS 17/6898) is door deze rechtbank bij uitspraak van 26 februari 2019 gegrond verklaard.1 Naar het oordeel van de rechtbank voldeed het advies van de bezwaarschriftencommissie niet aan het vereiste dat het derde lid van de commissie daadwerkelijk bij de advisering betrokken is geweest. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuwe hoorzitting te houden met drie andere commissieleden en een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

13. Naar aanleiding van voornoemde uitspraak van de rechtbank heeft op 12 april 2019 opnieuw een hoorzitting plaatsgevonden ten overstaan van de bezwaarschriftencommissie in een nieuwe samenstelling. De commissie heeft op 17 april 2019 advies uitgebracht. Samengevat is de commissie van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden twee dienstopdrachten heeft gegeven aan eiser. Verder is de commissie van oordeel dat het handelen van eiser valt aan te merken als plichtsverzuim, dat hem volledig kan worden toegerekend en waarvoor een disciplinaire maatregel kan worden opgelegd. De straf om eiser zowel een berisping als een voorwaardelijk strafontslag op te leggen, acht de commissie in dit geval niet evenredig. De meerderheid van de commissie is van oordeel dat kan worden volstaan met het opleggen van een voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd van twee jaar. De minderheid van de commissie is van oordeel dat, gelet op de overplaatsing van eiser, kan worden volstaan met het opleggen van een schriftelijke berisping.

14. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie van 17 april 2019, het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit III deels gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit III deels herroepen en beslist dat eiser enkel disciplinair gestraft wordt met een voorwaardelijk strafontslag voor de duur van twee jaar. Verweerder heeft de overwegingen van de commissie, met uitzondering van het minderheidsstandpunt, overgenomen.

Het standpunt van eiser

15. Eiser voert aan, samengevat weergegeven, dat het plaatsen van zijn boot op 30 oktober 2016 op de [bedrijf 2] niet kan worden aangemerkt als plichtsverzuim. Hij heeft niet in strijd gehandeld met de regels die op dat moment golden, althans hij heeft niet van die regels geweten. In geen van de gesprekken met de [functie 3] is eiser gezegd dat hij zijn boot linea recta moest verwijderen. Hij heeft tijdens het appèl aangegeven zijn boot te hebben meegenomen. Daarop is geen reactie gekomen. Het plaatsen van zijn boot was geen provocatie richting de leiding. Hij had niet het oogmerk zich disrespectvol of gezagsondermijnend te gedragen. Eiser erkent dat hij in de e-mail van 25 november 2016 te ver is gegaan richting de clustermanager. Voor dat e-mailbericht heeft hij meerdere malen zijn excuses aangeboden.

Eiser stelt dat hij pas op 2 december 2016 bekend is geraakt met de eerste dienstopdracht. Op die datum heeft hij de per aangetekende post verzonden brief opgehaald bij het postkantoor. Hij heeft de volgende ochtend direct zijn boot weggehaald. Hem kan geen verwijt worden gemaakt dat hij aan de eerste dienstopdracht niet tijdig uitvoering heeft gegeven.

Eiser voert aan dat het voorwaardelijk strafontslag een onevenredig zware bestraffing is. Dat vond de Verantwoordingscommissie ook. Eiser wijst op de cultuur en bestaande gebruiken binnen de [bedrijf 3] met betrekking tot privé-eigendommen op de [bedrijf 2] . Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel: andere collega’s, die eveneens niet tijdig gevolg hebben gegeven aan het verwijderen van privé-eigendommen, zijn niet bestraft.

Het standpunt van verweerder

16. Verweerder stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat de straf van voorwaardelijk strafontslag evenredig en geboden is. Verweerder acht het gedrag van eiser gezagsondermijnend en eenzelfde soort gedrag heeft eiser in het verleden ook getoond.

De beoordeling door de rechtbank

17. Op deze zaak zijn de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) en de Gedragscode gemeente Amsterdam (de Gedragscode) van toepassing. De van belang zijnde regelgeving is opgenomen in de bijlage. Die bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

18. De rechtbank moet beoordelen of verweerder de dienstopdrachten mocht geven en of verweerder eiser de disciplinaire straf van voorwaardelijk strafontslag mocht opleggen.

Bij de vraag of het voorwaardelijk strafontslag mocht worden opgelegd, moet de rechtbank beoordelen of eiser de hem verweten gedragingen heeft verricht, deze gedragingen zijn te kwalificeren als plichtsverzuim, deze gedragingen aan eiser kunnen worden toegerekend en of de opgelegde straf evenredig is aan het plichtsverzuim.

19. In het ambtenarenrecht gelden niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven, is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) noodzakelijk dat op grond van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedraging heeft begaan.2 De rechtbank zal hierna in chronologische volgorde van de gebeurtenissen en aan de hand van de eiser verweten gedragingen het beroep bespreken.

Gedraging a: plaatsen van de boot

20. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier (met name de verklaringen van de [functie 3] ) duidelijk naar voren komt dat de leiding van de [bedrijf 2] in 2016 bezig was om het [bedrijf 2] te laten ontdoen van daar gestalde privé-objecten en dat de [functie 3] dit ook onder de aandacht hebben gebracht van hun ploegen. Op meerdere momenten is dit besproken en zijn objecten weggehaald. Zo heeft in augustus 2016 een opschoonactie van het terrein plaatsgevonden waarbij zaken als boomstammen, fietskrotten en een boot zijn afgevoerd. Dat resulteerde erin dat het terrein in augustus opgeruimd was. Eisers stelling dat hij niet op de hoogte was van de aangescherpte regels met betrekking tot het stallen van privé-eigendommen op het [bedrijf 2] acht de rechtbank niet geloofwaardig. Ook heeft eiser geen uitdrukkelijke toestemming van een [functie 3] gekregen om zijn boot te plaatsen. Eiser heeft dan ook in strijd met de hem bekende regels zijn boot op 30 oktober 2016 op de [bedrijf 2] gestald. Daarmee staat deze verweten gedraging voor de rechtbank vast. Deze gedraging is, gelet op artikel 3.3. van de Gedragscode en artikel 11.1 van de NRGA, aan te merken als plichtsverzuim.

Gedraging b: redelijke verzoeken en opdrachten van leidinggevenden niet opgevolgd

21. Voorafgaand aan de eerste dienstopdracht zijn gesprekken tussen eiser en diens leidinggevenden gevoerd. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat eiser op 3 november 2016 (mondeling door [de persoon 1] ) en op 21 november 2016 (per e-mail door [de persoon 2] ) duidelijk is gemaakt dat zijn boot weg moest. Op meerdere momenten is eiser dus uitdrukkelijk gesommeerd zijn boot te verwijderen en daar heeft hij geen gevolg aan gegeven. Daarmee staat deze verweten gedraging voor de rechtbank vast. Deze gedraging is, gelet op artikel 11.1 van de NRGA, aan te merken als plichtsverzuim.

Mocht verweerder de eerste dienstopdracht geven?

22. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het op 21 november 2016 aan eiser per

e-mail gedane verzoek tot verwijdering, de door eiser telefonisch gedane mededeling aan [de persoon 1] dat hij geen afspraken over de boot wil maken en eisers mededeling in de e-mail van 26 november 2016 aan [de persoon 2] dat hij de werkzaamheden aan zijn project continueert, er meer dan voldoende reden was voor verweerder om eiser een dienstopdracht te geven.

Gedraging c: het niet-tijdig opvolgen van de eerste dienstopdracht

23. Niet in geschil is dat eiser niet tijdig uitvoering heeft gegeven aan de eerste dienstopdracht (het verwijderen van de boot vóór 2 december 2016). De verweten gedraging staat daarmee vast en is aan te merken als plichtsverzuim. Eiser stelt echter dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt, omdat hij pas op 2 december 2016 kennis heeft genomen van de dienstopdracht.

24. Verweerder stelt de eerste dienstopdracht zowel per e-mail, als per gewone en aangetekende post te hebben verzonden. De verzending per e-mail en per gewone post is echter niet aangetoond. De rechtbank laat die gestelde verzending daarom buiten beschouwing. Uit het dossier blijkt met betrekking tot de verzending per aangetekende post het volgende: het poststuk is op woensdag 30 november 2016 om 13.45 uur aangeboden op het postadres. Daarna is het op donderdag 1 december 2016 om 14.40 uur opnieuw aangeboden en is een afhaalbericht achtergelaten. Eiser heeft de aangetekende post op vrijdag 2 december 2016 opgehaald. Vervolgens heeft eiser de boot op 3 december 2016 verwijderd.

25. De rechtbank overweegt dat het niet ophalen van aangetekende post voor risico van eiser komt. Gelet op het achtergelaten afhaalbericht van 1 december 2016 had eiser in theorie dus diezelfde middag, en daarmee nog tijdig, kennis kunnen nemen van de eerste dienstopdracht. Ook als eiser op 1 december 2016 in de middag daarvan kennis zou hebben genomen, was de resterende tijd om de boot te verwijderen (vóór 2 december 2016) naar het oordeel van de rechtbank op dat moment echter nog zodanig kort dat het niet tijdig gevolg geven aan de dienstopdracht eiser niet toe te rekenen valt.

Mocht verweerder de tweede dienstopdracht geven?

26. Niet in geschil is dat de boot niet vóór 2 december 2016 van het [bedrijf 2] is weggehaald en dat niet (tijdig) aan de eerste dienstopdracht gehoor is gegeven. Hoewel de rechtbank dat laatste niet toerekenbaar acht, maakt dat niet uit voor de vraag of de tweede dienstopdracht gegeven mocht worden. Nu aan de eerste dienstopdracht geen gehoor was gegeven mocht verweerder (ook) de tweede dienstopdracht geven.

Gedraging d: gezagsondermijnend gedrag

27. Niet in geschil is dat eiser met de toonzetting en inhoud van zijn e-mail aan [de persoon 2] te ver is gegaan. De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen vooraf is gegaan aan de eerste dienstopdracht (het plaatsen van de boot, de weigering om afspraken te willen maken, de e-mail van 25 november 2016 aan [de persoon 2] en in cc naar twee [functie 3] ) volgt dat eiser zich gezagsondermijnend heeft gedragen. Daarmee staat ook deze verweten gedraging voor de rechtbank vast. Deze gedraging is, gelet op artikel 11.1 van de NRGA, aan te merken als plichtsverzuim.

Toerekenbaarheid

28. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die maken dat het hierboven vastgestelde plichtsverzuim, met uitzondering van het niet tijdig opvolgen van de eerste dienstopdracht, eiser niet kan worden toegerekend. Verweerder was daarom bevoegd om een disciplinaire straf op te leggen.

Is de straf van voorwaardelijk strafontslag evenredig?

29. Verweerder heeft het bewust tegen de regels in handelen, het negeren van redelijke verzoeken van leidinggevenden, het geen gehoor geven aan een dienstopdracht en het gezagsondermijnende gedrag van eiser aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Ook omdat eiser in het verleden al meermaals disciplinair is bestraft en dus een ‘gewaarschuwd man’ was, vindt verweerder de straf van voorwaardelijk ontslag passend.

Tijdens de zitting bij de rechtbank op 25 februari 2020 heeft verweerder nader toegelicht dat na het aantreden van de nieuwe [functie 1] met een frisse blik naar lopende juridische procedures is gekeken. Afgelopen maanden is bij de [bedrijf 3] een koers ingezet naar rust en vertrouwen. Meerdere procedures zijn, na overleg met de desbetreffende ambtenaar, beëindigd. Verweerder heeft ook opnieuw gekeken naar de zaak van eiser. In eisers zaak bleek onderling overleg niet tot een oplossing te leiden en het is een bewuste keuze van verweerder geweest om deze procedure voort te zetten. Verweerder vindt dat bij eiser een type gedrag aanwezig is dat al jarenlang speelt en nu opnieuw aan de orde is. Verweerder wijst daarbij op eisers arbeidsverleden waarbij eerder vergelijkbaar gezagsondermijnend gedrag heeft plaatsgevonden en waarvoor eiser ook meerdere keren is bestraft. En hoewel verweerder vertrouwen heeft in eiser voor de toekomst, heeft eiser in het verleden, bewust of onbewust, stelselmatig direct leiderschap ter discussie gesteld. Het is van groot belang dat in een operationele organisatie als de [bedrijf 3] bevelen worden opgevolgd. Verweerder heeft het idee dat eiser op zoek is naar de grenzen en er af en toe bewust overheen gaat. Daar moet dan ook een sanctie op volgen. Gelet op het type gedrag en het verleden acht verweerder de straf van voorwaardelijk strafontslag evenredig.

30. De rechtbank overweegt als volgt. Eisers gedrag in het verleden is medebepalend voor de vraag of sprake is van een evenredige straf. Niet alleen de verweten gedragingen moeten namelijk bij de beoordeling van de evenredigheid worden betrokken, maar ook de context en de voorgeschiedenis. De rechtbank weegt in dit geval mee dat in het verleden al sprake is geweest van soortgelijk, gezagsondermijnend gedrag. Eiser was een ‘gewaarschuwd man’ en heeft in het verleden zelfs al een voorwaardelijk strafontslag opgelegd gekregen. Dat er tussen 2010 en 2016 kennelijk geen misdragingen zijn geweest, is geen reden om de eerdere misstappen van eiser geheel buiten beschouwing te laten. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het nu verweten plichtsverzuim ernstig is. Naar het oordeel van de rechtbank is de straf van voorwaardelijk strafontslag in dit geval niet onevenredig aan het verweten en toerekenbare plichtsverzuim.

Gelijkheidsbeginsel

31. Eiser heeft niet concreet gemaakt dat sprake is van een hetze tegen hem en hij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat andere personen anders zijn behandeld dan hij. Zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

Conclusie

32. Het beroep is ongegrond. Verweerder mocht eiser de twee dienstopdrachten geven en ook het voorwaardelijk strafontslag blijft in stand.

33. Bij deze uitkomst bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. Kruis, voorzitter, en mr. M.A. Broekhuis en
mr. S.E. Reichert, leden,in aanwezigheid van mr. L.C. Trommel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2020.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage met het juridisch kader

Gedragscode gemeente Amsterdam

Artikel 3.3

Mits na uitdrukkelijke toestemming van de leidinggevende, is het verboden persoonlijke eigendommen (materiaal en/of gereedschappen e.d.) mee te nemen of op te slaan binnen de gebouwen ( [bedrijf 2] , kantoor e.d.) of op de terreinen van [bedrijf 3] Amsterdam. Schade aan of verlies of diefstal van deze eigendommen wordt niet vergoed.

Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA)

Artikel 11.1

De ambtenaar volgt de hem gegeven voorschriften op en behoort in het algemeen alles te doen of na te laten wat van een goed ambtenaar wordt verwacht.

Artikel 13.4 plichtverzuim

De ambtenaar kan worden gestraft als hij zich niet gedraagt overeenkomstig artikel 11.1 (vervulling functie) en zich daarmee schuldig maakt aan plichtsverzuim.

Artikel 13.6 straffen

1. De straffen, die de ambtenaar kunnen worden opgelegd zijn:

(…)

f. strafontslag.

Artikel 13.7 voorwaardelijke straf

Behalve bij een schriftelijke berisping kan bij het opleggen van een straf worden bepaald dat zij voorwaardelijk wordt opgelegd. De straf wordt ten uitvoer gelegd als de ambtenaar zich opnieuw schuldig maakt aan een soortgelijk of ander plichtsverzuim, dan wel zich niet houdt aan de bij de straf gestelde bijzondere voorwaarden.

Een voorwaardelijke straf wordt voor maximaal twee jaar opgelegd.

1 Gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:RBAMS:2019:1934.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 november 2016 van de Raad, ECLI:NL:CRVB:2016:4207.