Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2238

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
AMS 17/6297
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige kamer. Geen sprake van een besluit. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/6297

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: A.P. Prinsen).

[bedrijf] ., te Amsterdam, de derde-partij

(gemachtigde: mr. J.N.A. Dijkman).

Procesverloop

Bij brief van 30 mei 2017 heeft verweerder eiseres geïnformeerd over de hoogte van de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in de periode van 10 februari 2015 tot en met 31 maart 2016.

Bij besluit van 15 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2020. Eiseres was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij was niet aanwezig.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1.

Met het besluit van 13 maart 2014 is aan eiseres een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanuit de WW is eiseres ziek geworden. Bij besluit van 12 februari 2015 is aan haar vanaf 10 februari 2015 een ZW-uitkering toegekend.

1.2.

Naast haar uitkering heeft eiseres wisselend werkzaamheden verricht, waaruit zij inkomsten ontving. Verweerder heeft vanwege deze inkomsten kortingen toegepast op de ZW-uitkering van eiseres. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 maart 2016 heeft verweerder daarop beslist. Tegen dat besluit heeft eiseres beroep ingesteld. Hangende de beroepsprocedure bij deze rechtbank heeft verweerder op 14 oktober 2016 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. In deze beslissing is de korting over de periode 10 februari 2015 tot en met 31 juli 2015 herberekend. De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 7 april 2017 het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 14 oktober 2016 ongegrond verklaard (AMS 16/2544). Eiseres heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 7 april 2017.

1.3.

In een beslissing op bezwaar van 18 april 2017 heeft verweerder uiteengezet hoe de inkomsten van eiseres gekort zijn op haar ZW-uitkering. Bij deze beslissing is een bijlage gevoegd waarop voor de periode van 10 februari 2015 tot en met 31 maart 2016 een overzicht van de bruto uitkeringsbedragen per periode is opgenomen. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 26 januari 2018 het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 18 april 2017 ongegrond verklaard (AMS 17/3144). Eiseres heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 26 januari 2018.

Wat aan deze procedure voorafging

2.1.

Op 30 mei 2017 heeft verweerder eiseres een betalingsspecificatie gezonden met hierop de bruto uitkeringsbedragen over de periode 9 februari 2015 tot en met 8 mei 2016 en de bedragen die zijn verrekend op 30 mei 2017.

2.2.

Ook heeft verweerder eiseres op 30 mei 2017 een brief gezonden waarin staat dat de hoogte van de ZW-uitkering met de brief van 2 juli 2015 niet juist is vastgesteld. Als bijlage bij de brief van 30 mei 2017 is een overzicht opgenomen met de uitkeringsbedragen van 10 februari 2015 tot en met 31 maart 2016.

2.3.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 30 mei 2017. Zij heeft onder meer aangevoerd dat niet is na te gaan of de berekeningen kloppen. Verweerder heeft hierop gereageerd met de brief van 31 juli 2017 en een bijlage bijgevoegd met een berekening van de korting op de uitkering. Verder heeft verweerder opgemerkt dat de brief van 30 mei 2017 een herhaald besluit is en dat het bezwaar daarom onder verwijzing naar de eerder genomen besluiten wordt afgedaan, tenzij nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd.

2.4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard met als reden dat de brief van 30 mei 2017 een herhaald besluit is.

Standpunt van eiseres

3. De berekeningen in de brief van 30 mei 2017 met bijlage, zijn niet eerder overgelegd. Daarbij is het zo dat deze (deels) onjuist zijn. Het ongemaximeerde dagloon is namelijk niet juist berekend. Eiseres stelt dat er geen formeel vaststellingmoment met bezwaarmogelijkheid voor het dagloon WW/ZW is geweest. De hoogte van het ongemaximeerde dagloon was geen onderdeel van de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2018. Die procedure ging over de methode c.q. de wijze van inkomstenverrekening, en niet over de definitieve vaststelling van het ongemaximeerde dagloon noch over de exacte of definitieve hoogte daarvan. Het onderdeel van het ongemaximeerde dagloon betreft geen herhaald besluit; dat onderdeel mist een primair besluit. In ieder geval zou de bezwaarmogelijkheid tegen het dagloon voor de toekomst niet onthouden mogen blijven worden. Eiseres heeft daarom ook verzocht om herziening voor de toekomst. Zij wil weten wat er is gebeurd met haar herzieningsverzoek. Eiseres wil dat voor de toekomst de ontbrekende looncomponenten worden meegenomen in het WW/ZW dagloon. Volgens eiseres is sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel: de bovenwettelijke vakantiebijdrage moet in het dagloon worden meegenomen, omdat dit in een e-mail van Van Mourik van 27 september 2016 is toegezegd. Er is ook strijd met het rechtszekerheidsbeginsel: eiseres is niet duidelijk en ondubbelzinnig kenbaar gemaakt wanneer het formele vaststellingsmoment/toekenningsbesluit en daarbij behorende bezwaarmogelijkheid geboden zou worden.

Standpunt van verweerder

4. De brief van 30 mei 2017 is een herhaald besluit, waar geen bezwaar tegen gemaakt kan worden. De hoogte van de ZW-uitkering voor de periode van 10 april 2015 tot en met 31 maart 2016 is namelijk al vastgesteld in de beslissing op bezwaar van 18 april 2017. Er heeft dus al een heroverweging plaatsgevonden. Ook heeft er wel een formeel vaststellingsmoment plaatsgevonden met betrekking tot het WW/ZW dagloon. Verweerder verwijst in dit verband naar de besluiten van 13 maart 2014 en 12 februari 2015.

De beoordeling door de rechtbank

5.1.

De rechtbank moet beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. In het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres tegen de brief van 30 mei 2017
niet-ontvankelijk verklaard met als reden dat geen sprake is van een besluit. In het bestreden besluit heeft verweerder geen beslissing genomen op een verzoek om herziening.

5.2.

De rechtbank ziet zich daarom alleen gesteld voor de vraag of de brief van 30 mei 2017 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Indien dit niet het geval is, dan kan niet toegekomen worden aan een inhoudelijke beoordeling van deze brief.

5.3.

Het is alleen mogelijk om bezwaar te maken tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het moet dan gaan om een besluit dat is gericht op rechtsgevolg. Dat wil zeggen dat het besluit gericht moet zijn op een wijziging in de rechten, aanspraken of plichten van de geadresseerde. Dit laatste is niet het geval als het bestuursorgaan iets meedeelt waarover al een beslissing is genomen met dezelfde inhoud. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de ZW-uitkering van eiseres over de periode van 10 februari 2015 tot en met 31 maart 2016 al is vastgesteld bij de beslissingen op bezwaar van 14 oktober 2016 (periode 10 februari 2015 tot en met 31 juli 2015) en 18 april 2017 (vanaf 1 augustus 2015). Gelet daarop is de brief van 30 mei 2017 een herhaling en dus niet gericht op rechtsgevolg. De brief van 30 mei 2017 is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dit betekent dat verweerder het bezwaar tegen deze brief terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een bespreking van de inhoudelijke beroepsgronden van eiseres.

Conclusie

6. Verweerder heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Bij deze uitkomst bestaat geen recht op schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Reichert, voorzitter, mr. M.A. Broekhuis en
mr. J.T. Kruis, leden,in aanwezigheid van mr. L.C. Trommel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2020.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.