Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2236

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
C/13/661348 / HA ZA 19-148
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een chocoladeproducent heeft kerstchocolade voor kerst 2018 te laat en deels niet geleverd aan Les Chevaliers, een groothandel in chocolade en suikerwerk, en moet een schadevergoeding van bijna 65.000 euro betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/661348 / HA ZA 19-148

Vonnis van 8 april 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LES CHEVALIERS B.V.,

gevestigd te Haarlem,

eiseres,

advocaat mr. J. de Pijper,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. T.H. Hermans, voorheen mr. W.S. Maas-van Weert.

Partijen zullen hierna Les Chevaliers en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 januari 2019 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 30 oktober 2019,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 januari 2020.

1.2.

Daarna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Les Chevaliers is een groothandel in chocolade en suikerwerk. Daarnaast houdt zij zich bezig met de import van en groothandel in bonbons en chocolade gerelateerde producten. [gedaagde] exploiteert een onderneming die zich bezig houdt met de productie van chocolade en chocoladeproducten.

2.2.

Les Chevaliers heeft in het verleden bestellingen bij [gedaagde] geplaatst. Voor de kerstperiode van 2018 wenste Les Chevaliers bij [gedaagde] een bestelling te plaatsen voor een aanzienlijke hoeveelheid chocolade, bestemd voor wederverkoop aan derden.

2.3.

[naam 1] (hierna: [naam 1] ), bestuurder van Les Chevaliers, heeft in dit verband bij e-mail van 4 juli 2018 aan [naam 2] , bestuurder van [gedaagde] , meegedeeld massieve en gevulde hulstblaadjes te wensen. [naam 1] heeft [naam 2] daarbij gevraagd of hij de in deze mail genoemde prijzen kon bevestigen en meegedeeld: “We hebben deze aantallen nodig ergens begin Q 4”.

2.4.

Op 12 juli 2018 heeft de volgende e-mailwisseling plaatsgevonden tussen [naam 1] ( [naam 1] ) en [naam 2] ( [naam 2] ):

[naam 1] aan [naam 2] :

Betreft gevulde UTZ hulsblaadjes: Alles valt of staat met je definitieve prijs. Echter het is een bijzonder leuke order:

Wit met aardbei vulling : 3000 kilo

Melk met Orange vulling : 3000 kilo

Puur met mint vulling : 3000 kilo

Daar komt nog ca 1500 kilo bij

Bij een prijs van tussen € 6,00 en € 6,50 hebben we de order zeker. Hoor graag van je dan kunnen we het officieel bevestigen.

[naam 2] aan [naam 1] :

Dan kom ik helaas toch op € 7,65 per kg uit.

Massief met smaak kan ik leveren voor € 6,90 per kg.

Gevuld hebben we ieder jaar zoveel afval dat deze prijzen echt omhoog moest helaas.

[naam 1] aan [naam 2] :

Jammer, Maar van de week kwam je nog door met een prijs voor gevuld van € 7,00? Snap het dus niet zo goed”.

[naam 2] aan [naam 1] :

Klopt idd maar is zo bewerkelijk en vooral de afval die het doet. Als ik beloofd heb wil ik nog wel een keer voor deze prijs doen als we de order op korte termijn binnen hebben en dan ook mogen uitleveren.

[naam 2] aan [naam 1] , naar aanleiding van de vraag van [naam 1] wanneer [gedaagde] de opdracht zou willen leveren:

Liefst in aug begin sept”.

[naam 1] aan [naam 2] , met als onderwerp ‘Order bevestiging’:

Betreft gevulde UTZ hulsblaadjes:

overeengekomen prijs € 7,00 per kilo

Levering i.o.m. [naam 3] ergens begin september.

2.5.

Bij orderformulier van 7 augustus 2018 heeft Les Chevaliers bij [gedaagde] een bestelling geplaatst voor de levering van hulstblaadjes (gevuld à € 7,- per kilo en massief à

€ 6,25 per kilo) en kerstkransjes (à € 6,25 per kilo) voor een totaalbedrag van € 93.352,50. Op het orderformulier is als leverdatum 29 augustus 2018 (week 35) vermeld en de betreffende bestelling is “wk order kerst” genoemd. Verder is op het orderformulier vermeld dat de algemene voorwaarden van Les Chevaliers van toepassing zijn op alle rechtshandelingen tussen Les Chevaliers enerzijds en iedere afnemer of leverancier anderzijds.

2.6.

Op 8 augustus 2018 heeft [naam 4] , medewerkster van [gedaagde] per e-mail het volgende naar Le Chevaliers gestuurd:

Bedankt voor jullie order.
Helaas kan ik de gevraagde uitleverdatum nog niet bevestigen, omdat er eerst recepturen ontwikkeld zullen moeten worden en deze mogelijk nog eerst gekeurd moeten worden door jullie? Dit gaat in overleg met [naam 2] en hij zit momenteel voor zaken in het buitenland, dus ik kan hier volgende week pas op terugkomen.

2.7.

Op 12 september 2018 heeft Les Chevaliers (telefonisch) de bestelling aangevuld met 50 kilo kerstpralines en 35 kilo kerst printpralines.

2.8.

Op 24 september 2018 heeft [naam 3] , medewerker ordening en logistiek bij Les Chevaliers, een e-mail naar [gedaagde] gestuurd met daarin het volgende:

Zouden jullie de leverschema van de kerstartikelen kunnen doorgeven.

Wij kunnen zo niets plannen mbt het inpakken.

Kom echt in de problemen zo

2.9.

[naam 4] van [gedaagde] heeft hierop bij e-mail van 25 september 2018 gereageerd met – onder meer – daarin:

Op dit moment werken wij met een nachtploeg die jullie order aan het voorbereiden is, d.w. z . de rode besjes in de hulstblaadjes produceren. Dit moet de komende nachten nog door en pas dan kunnen wij starten met het produceren v/d hulstblaadjes.

Wij hebben volgende week meer zicht op de planning en zullen dit dan ook laten weten.

Ik vind het zelf ook heel vervelend, maar ik kan er op dit moment niet meer over zeggen, ik wil ook geen beloftes doen welke ik achteraf niet waar kan maken.

2.10.

Op 2 oktober 2018 heeft Les Chevaliers een e-mail naar [gedaagde] gestuurd met daarin:

Hallo [naam 4] al meer bekend over de levertijd van de kerst artikelen???”.

2.11.

Op 4 oktober 2018 heeft [gedaagde] hierop per e-mail gereageerd met daarin:

Wij sturen vandaag deel 1 af naar B2B.

Dit is puur hlustblad gevuld.

2.12.

Op 4, 9 en 11 oktober 2018 is een deel van de bestelling van de chocolade (gevulde hulstblaadjes) geleverd. Naar aanleiding van deze levering heeft [gedaagde] twee facturen, gedateerd op 6 en 13 oktober 2018, naar Les Chevaliers gestuurd. Daarin heeft [gedaagde] € 7,- per kilo gevuld hulstblad gerekend en € 9.462,96 (inclusief btw) respectievelijk € 2.622,20 (inclusief btw) gefactureerd.

2.13.

Op 18 oktober 2018 heeft [naam 1] een e-mail naar (onder meer) [gedaagde] gestuurd met als onderwerp ‘Levering kerstpralines en kerstcarrees’ en daarin:

Ik heb [naam 2] vanmiddag telefonisch gesproken en hij gaf aan dat de kerst order volgende week woensdag opgehaald kan worden.

@ [naam 2] zie bijgaand voorbeeld, graag zoiets.

Hoeft uiteraard niet identiek te zijn

2.14.

Nadat Les Chevaliers op 22 oktober 2018 bij [gedaagde] had nagevraagd wanneer zij de kerstchocolade kon verwachten, heeft [naam 2] op 23 oktober 2018 een e-mail naar [naam 1] gestuurd waarin het volgende staat:

Wat mij betreft cancel heel de order!

Ik heb hier helemaal geen zin in.

We hebben beloofd deze week te leveren en het is nu in productie en kan morgen weg.

Maar wat betreft de rest van jullie order moet ik helaas melden dat we dit niet meer kunnen produceren. Verder denk ik dat het geen zin heeft om verder nog zaken met elkaar te doen

2.15.

Op 24 oktober 2018 heeft Les Chevaliers nog 870 kilo gevulde muntblaadjes van [gedaagde] ontvangen.

2.16.

Op 29 oktober 2018 heeft Les Chevaliers een e-mail naar [gedaagde] gestuurd waarin staat:

Zie onderstaand in het rood aangegeven de uiterlijke levertijden.

Week 45 2000kg puur mint week 45

Week 47 3760kg wit aardbei week 44

Week 47 2600kg kerstkransjes week 45

Week 49 3000kg melk sinas week 45

Heb de bestelling 7 augustus al doorgegeven, voor levering week 35. Dat week 35 niet haalbaar was heeft [naam 4] mij verteld.

Heb meerdere keren gevraagd om een leverschema. Vele keren gebeld.

We zijn nu 12 week verder, en krijg nu levertijden voor kerstartikelen die 2 week voor kerst worden geleverd.

Dan moeten wij nog alles verpakken en op transport zetten. Dat komt dus na de kerst in de winkels.

2.17.

Hierop heeft [naam 2] op dezelfde dag per e-mail gereageerd met daarin:

Dank voor je mail maar deze levertijden kunnen wij met de beste wil van de wereld niet halen. De afgegeven tijden moeten we hier al alles op alles zetten.

Wij wisten niet dat we deze grote van order zouden krijgen hier is nooit over gecommuniceerd, de blisters voor de productie hebben wij toe direct besteld en gaan produceren.

Hoor graag of onze levertijden acceptabel zijn of niet zodat wij onze planning kunnen maken.

2.18.

De raadsman van Les Chevaliers heeft [gedaagde] bij brief van 31 oktober 2018 gesommeerd om uiterlijk binnen vijf dagen de tussen [gedaagde] en Les Chevaliers gesloten overeenkomst na te komen en [gedaagde] , bij gebreke van tijdige nakoming, aansprakelijk gesteld voor de door Les Chevaliers te lijden schade.

2.19.

Bij e-mail van 1 november 2018 heeft Les Chevaliers aan [gedaagde] bericht dat zij een deel van de bij [gedaagde] geplaatste bestelling bij andere leveranciers heeft kunnen onderbrengen, maar dat zij, om haar grote klant te bedienen nog 7.400 kilo (gevulde) chocolade nodig had, waarvoor zij [gedaagde] tot 9 november 2018 de tijd gaf om deze alsnog te leveren.

2.20.

[gedaagde] heeft hierop bij e-mail van 2 november 2018 aan Les Chevaliers te kennen gegeven dat zij het niet haalde om alles op 9 november 2018 klaar te hebben. Wel zou zij de helft van het gevraagde of iets meer op 9 november 2018 kunnen leveren en alle rest op 16 november 2018. Les Chevaliers is hiermee niet akkoord gegaan.

2.21.

Les Chevaliers heeft de reeds geleverde chocola op 10 december 2018 aan [gedaagde] geretourneerd en [gedaagde] heeft de desbetreffende facturen intern gecrediteerd.

2.22.

Les Chevaliers heeft de overeenkomst met [gedaagde] bij brief van 14 december 2018 ontbonden en [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door Les Chevaliers geleden en te lijden schade. Verder staat in deze brief, voor zover van belang:

Door [gedaagde] is een aantal keer rauwe chocolade (RAW-chocolade) afgenomen bij Les Chevaliers in het kader van productie en wederverkoop aan derden. Kort samengevat komt de handelswijze van partijen erop neer dat 1) door Les Chevaliers een pro forma factuur werd verstuurd voor geleverde grondstoffen (…), 2) [gedaagde] produceerde dan met die grondstoffen de chocoladeproducten, 3) [gedaagde] stuurde een factuur aan cliënte waarmee de eerdere pro forma factuur werd verrekend en 4) Les Chevaliers verkocht de chocoladeproducten aan derden.

(…)

[gedaagde] heeft in totaal voor EUR 151.410,- aan RAW-chocolade besteld. Daarvan heeft [gedaagde] aan cliënte thans EUR 129.706,70 betaald middels verrekening. De resterende voorraad had een waarde van EUR 21.703,30.

Les Chevaliers was voornemens alle RAW-chocolade die zij aan [gedaagde] heeft geleverd terug te halen, vooral omdat [gedaagde] niet meer produceert volgens de SKAL-standaarden en wegens voormelde wanprestatie. Nu is echter gebleken dat [gedaagde] niet – zoals te doen gebruikelijk – bij productie de oudste voorraad (FIFO-systeem) het eerst heeft gebruikt. Hierdoor is circa 3.000 kilo van de RAW-chocolade met een inkoopwaarde van EUR 21.703,30 over haar THT-datum heen (!) en kan het niet meer worden gebruikt. (…)

De schade die hieruit voortvloeit komt voor rekening en risico van [gedaagde] . Het is ook overduidelijk dat [gedaagde] dit al lange tijd moet hebben geweten, nu de THT data van de resterende voorraad al bijna een jaar verstreken is. Bij inname zou de inkoopprijs van de chocolade EUR 7,- per kilo bedragen, waarna Les Chevaliers voor EUR 10,- per kilo de chocolade kunnen vermarkten (winstmarge). Les Chevaliers lijdt derhalve schade van EUR 9.000,- (EUR 3 maal 3.000 kilo). [gedaagde] is derhalve tevens een totaalbedrag van EUR 30.703,30 aan Les Chevaliers verschuldigd. (…)

3 Het geschil

3.1.

Les Chevaliers vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. te verklaren voor recht dat:
i. [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst met Les Chevaliers door de overeenkomst niet na te komen;

ii. [gedaagde] aansprakelijk is voor (eventuele) schade van Les Chevaliers ten gevolge van claim(s) van Rewe op grond van tekortkomingen van Les Chevaliers jegens Rewe wegens de tekortkoming van [gedaagde] jegens Les Chevaliers;
II. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de onder I ii bedoelde schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente;

III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 93.077,37, te vermeerderen met de wettelijke rente;

IV. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Les Chevaliers voert daartoe - kort gezegd - aan dat zij met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten om een grote hoeveelheid kerstchocolade te leveren en dat [gedaagde] deze niet (tijdig) heeft geleverd waardoor Les Chevaliers de overeenkomst heeft ontbonden. Als gevolg van de ontbinding heeft Les Chevaliers schade geleden. Daarnaast heeft zij schade geleden omdat [gedaagde] de houdbaarheidsdatum van een voorraad van door Les Chevaliers bij [gedaagde] gestalde RAW-chocolade heeft laten verlopen. [gedaagde] heeft deze RAW-chocolade niet volgens het ‘first in first out’ (FIFO)-principe gebruikt. De door haar in dit verband geleden schade begroot zij op de waarde van de RAW-chocolade, vermeerderd met de marge die zij hierop zou behalen, primair op grond van de door [gedaagde] gepleegde wanprestatie en subsidiair op grond van onrechtmatige daad.

3.3.

Het door Les Chevaliers gevorderde bedrag van € 93.077,37 bestaat uit de volgende posten:
a. € 7.384,68, schade in verband met duurdere inkoop van kerstchocolade bij andere leveranciers;

b. € 1.800,-, schade in verband met extra personeels- en transportkosten;

c. € 19.388,16, schade in verband met het verlies van de marge van 27% op de bestelling van haar Duitse klant (Rewe), welke bestelling Les Chevaliers door de tekortkoming van [gedaagde] heeft moeten annuleren;

d. € 15.593,91, schade in verband met kosten van de (onbruikbaar geworden) verpakkingen van de geannuleerde bestelling van Rewe;

e. € 21.703,30, schade ter hoogte van de waarde van de RAW-chocolade met verlopen houdbaarheidsdatum;

f. € 9.000,-, schade in verband met de gemiste marge op de RAW-chocolade;

g. € 8.789,57, contractuele vergoeding van juridische bijstand en buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 15.1 van haar algemene voorwaarden;

h. € 9.417,75, contractuele boete op grond van artikel 12.3 van haar algemene voorwaarden.

3.4.

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering. [gedaagde] betwist dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Partijen hebben weliswaar onderhandeld, maar over essentiële onderdelen, zoals de productspecificaties en recepturen van de chocolade, was nog geen overeenstemming bereikt. Over de termijn van levering en de prijs van de chocolade hebben partijen ook geen overeenstemming bereikt. [gedaagde] betwist dat de RAW-chocolade niet volgens het FIFO-principe is gebruikt. Het feit dat de THT-datum van de RAW-chocolade is verlopen, is het gevolg van de geringe omvang aan bestellingen die Les Chevaliers heeft geplaatst waardoor niet de gehele voorraad aan RAW-chocolade kon worden gebruikt. De THT-datum van de RAW-chocolate is verlopen, maar de voorraad is nog steeds bruikbaar.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Overeenkomst

4.1.

Partijen twisten allereerst over de vraag of tussen hen een overeenkomst met betrekking tot de door Les Chevaliers geplaatste bestelling van kerstchocolade tot stand is gekomen.

4.2.

Op grond van artikel 6:217 lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Daarbij is van belang dat aanbod en aanvaarding niet uitdrukkelijk plaats hoeven te vinden, zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in één of meer gedragingen. Of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen hangt af van wat partijen jegens elkaar hebben verklaard, over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en wat zij daar redelijkerwijs van mochten verwachten in de gegeven omstandigheden. Beslissend is niet of partijen nog in onderhandeling zijn over één of meer openstaande punten, maar of over de essentialia van de overeenkomst overeenstemming is bereikt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2001 (ECLI:NL:HR:2001:A9771) volgt dat het antwoord op de vraag wat de essentialia van een overeenkomst zijn, afhangt van de bedoeling van partijen, van het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en van de verdere omstandigheden van het geval.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen over de essentialia van de te sluiten overeenkomst, te weten de prijs, de soort en de hoeveelheid en de leveringstermijn, overeenstemming bereikt. Uit de e-mailwisseling op 12 juli 2018 tussen [naam 1] en [naam 2] (zie onder 2.4) volgt dat zij over de prijs per kilo van de te produceren chocolade hebben onderhandeld en dat [gedaagde] akkoord is gegaan om nog één keer voor € 7,- per kilo te produceren. Verder is in het orderformulier van 7 augustus 2018 ten aanzien van de gevulde hulstblaadjes een prijs van € 7,- per kilo gemeld en heeft [gedaagde] in haar facturen van 6 en 13 oktober 2018 ook een prijs van € 7,- per kilo gehanteerd ten aanzien van het deel van de bestelling dat zij toen had geleverd. Gelet op deze omstandigheden heeft Les Chevaliers voldoende onderbouwd dat tussen partijen overeenstemming was bereikt over de prijs. Wat betreft de leveringstermijn volgt uit de e-mailwisseling op 12 juli 2018 tussen [naam 1] en [naam 2] dat laatstgenoemde, gevraagd wanneer [gedaagde] de te produceren chocolade zou willen leveren, ‘liefst in aug begin sep’ als reactie heeft gegeven. Ook is in het orderformulier van 7 augustus 2018 als datum van de levering 29 augustus 2018 (week 35) opgenomen. Weliswaar heeft [naam 4] (zie onder 2.6) daarna duidelijk gemaakt dat zij deze uitleverdatum nog niet kon bevestigen, maar niet is gesteld of gebleken dat zijdens [gedaagde] op enig moment nadien duidelijk is gemaakt dat [gedaagde] niet in staat zou zijn op de gevraagde datum te leveren. Vooral waar voor [gedaagde] duidelijk was dat het ging om een aanzienlijke levering ten behoeve van de kerstperiode (die intern ook nog door Les Chevaliers ten behoeve van haar klanten moest worden ingepakt) had het wel op haar weg gelegen om, voor zover aan de orde, tijdig aan Les Chevaliers bekend te maken dat zij niet, zoals eerder door [naam 2] gemeld, in staat zou zijn om eind augustus/begin september 2018 te leveren. Nu zij dit heeft nagelaten mocht Les Chevaliers ervan uitgaan dat [gedaagde] binnen deze termijn zou leveren. Daar komt bij dat [gedaagde] , toen zij eind september (zie onder 2.8) door Les Chevaliers werd aangesproken op de uitblijvende levering, in haar reactie (zie onder 2.9) de indruk heeft gewekt dat [gedaagde] met de bestelling aan de slag was en dat zij Les Chevaliers op korte termijn omtrent de verdere planning zou berichten. Verder heeft [gedaagde] , na aandringen van Les Chevaliers, begin oktober 2018 ook een deel van de bestelde chocolade geleverd. Ook uit deze gedragingen van [gedaagde] heeft Les Chevaliers mogen begrijpen dat tussen partijen een overeenkomst tot stand was gekomen.
Dat volgens [gedaagde] geen enkel concreet overleg was geweest en geen overeenstemming was bereikt over de productspecificaties doet aan het voorgaande geen afbreuk. Dat daardoor de leveringstermijn van eind augustus/begin september niet haalbaar zou zijn geweest, zoals [gedaagde] stelt, staat bovendien in contrast met het feit dat [gedaagde] , op basis van de door Les Chevaliers verstrekte productspecificaties, nieuwe productspecificaties en recepturen heeft gemaakt en een deel van de bestelling van Les Chevaliers op basis van deze nieuwe productspecificaties en recepturen heeft geleverd. Bovendien is [gedaagde] na de eerste levering aan Les Chevaliers met haar ten aanzien van het resterende deel in overleg getreden voor het bepalen van een datum van levering van de op dat moment nog niet geleverde hoeveelheid chocolade.

4.4.

Geconcludeerd wordt dan ook dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Door [gedaagde] is verder onvoldoende weersproken dat de door Les Chevaliers gehanteerde algemene voorwaarden daarop van toepassing zijn verklaard.

Ontbinding

4.5.

Ter beoordeling staat vervolgens of Les Chevaliers, in verband met de uitblijvende levering, de overeenkomst bij brief van 14 december 2018 heeft mogen ontbinden.

4.6.

Zoals hiervoor in 4.3 overwogen was [gedaagde] vanaf 12 juli 2018 ermee bekend dat Les Chevaliers van plan was om een grote bestelling bij [gedaagde] te plaatsen. Les Chevaliers heeft vervolgens op 7 augustus 2018 deze bestelling bij [gedaagde] geplaatst in lijn met de door [naam 2] voorgestelde leveringstermijn (eind augustus/begin september). Nadat [gedaagde] de bestelling in september 2018 nog niet had geleverd, heeft Les Chevaliers op 25 september 2018 aan [gedaagde] gevraagd wanneer de bestelling alsnog geleverd zou worden en erop gewezen dat zij door de uitblijvende levering in de problemen dreigde te komen. Daarna heeft [gedaagde] echter slechts een klein deel van de bestelling geleverd, terwijl zij ermee bekend was dat de chocolade voor de kerstperiode bedoeld was en dat Les Chevaliers de chocolade (bestemd voor haar afnemers) nog in andere doosjes moest verpakken. Nadat [gedaagde] op 22 oktober 2018 opeens liet weten de rest van de order niet meer te kunnen produceren, heeft Les Chevaliers nog een keer de voor haar uiterste levertijden doorgegeven, waaraan [gedaagde] ook niet kon voldoen. Bij aanmaningsbrief van 31 oktober 2018 heeft Les Chevaliers [gedaagde] een laatste termijn gegeven om de bestelling alsnog te leveren. Tot slot heeft Les Chevaliers de leveringstermijn nog één maal tot en met 9 november 2018 verlengd en een deel van de bestelling bij andere leveranciers geplaatst, maar ook binnen deze termijn heeft [gedaagde] het restant niet geleverd. Nu [gedaagde] , ondanks de haar getoonde coulance ten aanzien van de overeengekomen leveringstermijn, heeft nagelaten de bestelde chocolade tijdig te leveren, heeft Les Chevaliers de overeenkomst bij brief van 14 december 2018 terecht mogen ontbinden. Dat [gedaagde] niet in verzuim zou zijn geraakt, zoals [gedaagde] nog stelt, kan in de gegeven omstandigheden niet worden aangenomen. Niet alleen heeft [gedaagde] niet binnen de overeengekomen leveringstermijn geleverd en is zij ter zake in gebreke gesteld, maar ook heeft zij zelf aan Les Chevaliers laten weten niet meer te zullen nakomen (vgl. artikel 6:83 sub c BW). Voor zover het niet tijdig leveren van de bestelling is terug te voeren op een gebrek aan productiecapaciteit bij [gedaagde] , geldt dat dat voor haar eigen rekening komt.

4.7.

Nu uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] de bestelde chocolade niet tijdig heeft geleverd, is zij tekort geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichting, welke tekortkoming haar kan worden toegerekend. Daarom zal de rechtbank, zoals door Les Chevaliers gevorderd, voor recht verklaren dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst.

Schade

4.8.

Op grond van artikel 6:277 lid 1 BW is de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt. De omvang van de schadevergoeding moet worden vastgesteld door met elkaar in vergelijking te brengen enerzijds, de hypothetische situatie waarin Les Chevaliers zou hebben verkeerd bij een in alle opzichten onberispelijke wederzijdse nakoming en, anderzijds, de situatie die zou resulteren uit een ontbinding zonder schadevergoeding, na afwikkeling van de daaruit voortvloeiende restitutieplichten.

4.9.

De rechtbank zal hierna achtereenvolgens de door Les Chevaliers gestelde schadeposten (zie onder 3.3) alsmede haar overige vorderingen bespreken.

a. duurdere inkoop bij andere leveranciers

4.10.

Les Chevaliers vordert schadevergoeding van [gedaagde] omdat Les Chevaliers aan andere leveranciers een hogere prijs per kilo chocolade heeft moeten betalen dan de prijs die zij met [gedaagde] is overeengekomen. Zij heeft de gevorderde schade onderbouwd met een overzicht van de bestelling voor zover die elders is geplaatst. [gedaagde] heeft aangevoerd dat Les Chevaliers ten aanzien van bepaalde soorten en smaken bij andere leveranciers een grotere bestelling heeft geplaatst dan bij [gedaagde] zodat van haar niet verwacht mag worden te betalen voor chocolade die zij op grond van de overeenkomst niet had hoeven te leveren.

4.11.

Dit verweer slaagt niet omdat Les Chevaliers een substantieel kleiner deel van de bij [gedaagde] geplaatste bestelling bij andere leveranciers heeft kunnen onderbrengen en per saldo minder chocolade bij andere leveranciers heeft besteld. Overigens heeft Les Chevaliers slechts de door haar betaalde meerprijs over de substantieel kleinere bestelling bij andere leveranciers als schade gevorderd. Les Chevaliers heeft haar schade ter hoogte van een bedrag van € 7.384,68 voldoende onderbouwd en daarom zal vordering op dit punt worden toegewezen.

b. extra personeel- en transportkosten (overige kosten)

4.12.

Les Chevaliers vordert een bedrag van € 1.800,- aan extra personeel- en transportkosten die zij heeft moeten maken. [gedaagde] heeft betwist dat Les Chevaliers extra kosten heeft gemaakt als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] . Zij heeft zowel het aantal extra gewerkte uren alsmede het uurtarief van de werknemer van Les Chevaliers betwist en in dat kader verder aangevoerd dat de werknemer van Les Chevaliers, omdat hij in dienst is van Les Chevaliers, geen extra financiële last voor haar teweeg brengt. Ten aanzien van de transportkosten heeft [gedaagde] aangevoerd dat de transportkosten ook zouden zijn gemaakt indien zij de kerstchocolade zou hebben geleverd.

4.13.

Tegenover deze gemotiveerde betwisting door [gedaagde] heeft Les Chevaliers haar stellingen onvoldoende onderbouwd en zal haar vordering wat betreft de extra personeel- en transportkosten worden afgewezen.

c. marge Chevaliers op de order van REWE

4.14.

Les Chevaliers vordert het mislopen van een marge van 27% op de bestelling van haar Duitse klant REWE. Doordat [gedaagde] de bestelde chocolade niet heeft geleverd, kon Les Chevaliers ook niet aan REWE leveren. Les Chevaliers heeft haar kostprijs van de bestelling van REWE onderbouwd alsmede de prijs die zij met REWE is overeengekomen. De schade door het mislopen van de marge op de order van REWE bedraagt € 19.388,16.

4.15.

[gedaagde] heeft de schade van Les Chevaliers hiertegenover onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarom zal de vordering op dit punt worden toegewezen.

d. kosten verpakkingsmateriaal

4.16.

Les Chevaliers vordert de kosten van een deel van het voor de bestelling van REWE bestemde verpakkingsmateriaal dat niet is gebruikt. Daarnaast vordert zij schadevergoeding doordat zij niet tijdig en niet zonder kosten het verpakken van de chocolade heeft kunnen annuleren. Les Chevaliers heeft haar schade met meerdere facturen van de desbetreffende opdrachtnemers en met de door haar ter comparitie gegeven toelichting voldoende onderbouwd.

4.17.

De schade op dit punt ter hoogte van een bedrag van € 15.593,91 is door [gedaagde] hiertegenover onvoldoende gemotiveerd betwist en zal daarom worden toegewezen.

e. waarde RAW-chocolade

4.18.

Tussen partijen is niet in geschil dat de THT-datum van de door Les Chevaliers bij [gedaagde] gestalde RAW-chocolade is verstreken en dat deze partij een waarde heeft van
€ 21.703,30. Les Chevaliers heeft gesteld dat zij voor dit bedrag schade heeft geleden omdat deze RAW-chocolade onbruikbaar is geworden. Dit is te wijten aan de handelwijze van [gedaagde] , die niet volgens het FIFO-principe heeft gewerkt, aldus Les Chevaliers. Dit laatste is door [gedaagde] betwist.

4.19.

Op de zitting heeft Les Chevaliers toegelicht dat volgens haar systeem [gedaagde] een hoeveelheid RAW-chocolade had moeten hebben met een latere THT-datum, terwijl [gedaagde] slechts een hoeveelheid RAW-chocolade in haar opslag had met een eerdere THT-datum. [gedaagde] heeft niet betwist dat de voorraad RAW-chocolade met een latere THT-datum is gebruikt, terwijl zij een oudere voorraad (met een eerdere THT-datum) in haar opslag had. Daarmee komt vast te staan dat [gedaagde] niet volgens het FIFO-principe heeft gewerkt.

4.20.

Aan het verweer van [gedaagde] dat van waardeverlies van de RAW-chocolade geen sprake kan zijn, omdat deze chocolade nog steeds bruikbaar is, wordt voorbij gegaan. Dit verweer miskent dat de vraag of een product dat over de THT-datum nog bruikbaar is, niet zonder meer gelijk is te stellen met de vraag of het product nog verhandelbaar is. In dit geval was de voorraad op het moment dat [gedaagde] op 1 mei 2018 hiervan bij Les Chevaliers melding heeft gemaakt al bijna anderhalf jaar over de THT-datum. [gedaagde] heeft op de zitting, verwijzend naar de door haar overgelegde stukken, aangevoerd een monster uit de voorraad van de RAW-chocolade naar een laboratorium te hebben gestuurd en dat het onderzoek heeft uitgewezen dat de RAW-chocolade nog bruikbaar was. Wat daarvan ook zij, daarmee heeft [gedaagde] echter onvoldoende gemotiveerd betwist dat, zoals Les Chevaliers stelt, voor haar de RAW-chocolade niet meer te verkopen is. Hiermee is [gedaagde] tekort geschoten in haar verplichtingen jegens Les Chevaliers, zodat de gevorderde schade van € 21.703,30 zal worden toegewezen.

f. marge RAW-chocolade

4.21.

Les Chevaliers heeft enkel gesteld dat zij met de verkoop van RAW-chocolade aan [gedaagde] een marge van € 9.000,- is misgelopen. Zonder enige onderbouwing van de marge die Les Chevaliers met de verkoop van de RAW-chocolade zou kunnen behalen, heeft Les Chevaliers, tegenover de betwisting daarvan door [gedaagde] , dit onderdeel van haar vordering onvoldoende onderbouwd zodat deze zal worden afgewezen.

4.22.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de volgende conclusie. [gedaagde] is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst met Les Chevaliers. Dat heeft geleid tot de ontbinding van de overeenkomst door Les Chevaliers en haar recht op schadevergoeding. Daarnaast heeft Les Chevaliers recht op schadevergoeding als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] bij de uitvoering van de tussen partijen (kennelijk) gesloten overeenkomst met betrekking tot het gebruik van bij [gedaagde] gestalde RAW-chocolade. Deze schade wordt gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen begroot op: € 64.070,05 (= € 7.384,68 + € 19.388,16 + € 15.593,91 + € 21.703,30).

De vorderingen onder I ii en II

4.23.

Les Chevaliers heeft gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van haar (eventuele) schade als gevolg van margeverlies van Rewe nader op te maken bij staat. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is vereist dat de mogelijkheid dat Les Chevaliers schade lijdt en/of heeft geleden aannemelijk is. [gedaagde] heeft erop gewezen dat Les Chevaliers de door haar gestelde schade op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Op de zitting heeft Les Chevaliers desgevraagd verklaard dat Rewe nog geen claim bij Les Chevaliers heeft ingediend naar aanleiding van de annulering van de bestelling van de kerstchocolade.

4.24.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat Les Chevaliers de mogelijkheid van door haar op dit punt te lijden schade niet aannemelijk heeft weten te maken. Dit geldt temeer waar het gaat om de annulering van een bestelling voor het najaar van 2018. Voor een verwijzing naar een schadestaatprocedure bestaat dan ook geen aanleiding. De daarop betrekking hebbende vordering, zoals weergegeven onder II, zal dan ook worden afgewezen.

4.25.

Bij gebrek aan belang zal daarom eveneens de onder I ii gevorderde verklaring voor recht worden afgewezen.

h. boetebeding

4.26.

Les Chevaliers heeft onder verwijzing naar haar toepasselijke algemene voorwaarden een contractuele boete van 10% van haar totale bestelling gevorderd, wat neerkomt op een bedrag van € 9.417,75. [gedaagde] heeft de rechtbank gevraagd de contractuele boete, bij toewijzing, tot nihil te matigen omdat een contractuele boete van 10% van de totale waarde van de overeenkomst buitenproportioneel is en het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om naast volledige schadevergoeding ook de contractuele boete te vorderen.

4.27.

Uitgangspunt bij de beoordeling van een boetebeding is de in artikel 6:94 lid 1 BW neergelegde maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dit uitgangspunt brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.

4.28.

De rechtbank is van oordeel dat een contractuele boete van € 9.417,75 over de gehele bestelling een aanzienlijk bedrag betreft en dat toewijzing ervan in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig resultaat leidt. Nu Les Chevaliers ook volledige schadevergoeding heeft gevorderd, die zal worden toegewezen, zou de toewijzing van de contractuele boete tot een situatie leiden waarin Les Chevaliers door de ontbinding in een betere positie komt dan waarin zij bij correcte nakoming van de overeenkomst zou hebben verkeerd. De rechtbank ziet in een en ander aanleiding om, in het licht van de hiervoor aangehaalde maatstaf, de gevorderde contractuele boete tot nihil te matigen.

g. kosten van juridische bijstand en buitengerechtelijke incassokosten

4.29.

Les Chevaliers heeft onder verwijzing naar artikel 15.1 van haar algemene voorwaarden aanspraak gemaakt op vergoeding van kosten van juridische bijstand en buitengerechtelijke incassokosten. Les Chevaliers heeft evenwel niet gesteld dat zij buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht en bij betwisting door [gedaagde] , de kosten van de juridische bijstand in het geheel niet onderbouwd. De vordering is dan ook niet toewijsbaar.

Wettelijke rente

4.30.

Nu Les Chevaliers niet (concreet) heeft toegelicht met ingang van welke datum zij aanspraak maakt op de wettelijke rente over de hoofdsom, zal de rente over het in hoofdsom gevorderde bedrag worden toegewezen vanaf de datum van de inleidende dagvaarding.

conclusie

4.31.

Voorgaande betekent dat in hoofdsom aan Les Chevaliers zal worden toegewezen een bedrag van € 64.070,05.

4.32.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Les Chevaliers worden begroot op een totaal van € 4.230,97, bestaande uit:

griffierecht € 1.992,00

explootkosten € 90,97

salaris advocaat € 2.148,00 (twee punten à € 1.074,00).

4.33.

Daarnaast zal [gedaagde] worden veroordeeld in de nakosten, op de wijze als hierna vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst met Les Chevaliers, door de overeenkomst niet na te komen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan Les Chevaliers te betalen een bedrag van € 64.070,05, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 29 januari 2019 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Les Chevaliers tot op heden begroot op € 4.230,97, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Farahani en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2020.1

1 type: coll: