Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2185

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
13/024665-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

tussentijdse toetsing ISD

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/024665-19 (tussentijdse toetsing)

BESLISSING

De rechtbank Amsterdam heeft op 22 mei 2019 de maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren opgelegd aan:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

verblijvende in het [detentieplaats] ,

hierna te noemen: veroordeelde.

Procesgang

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

  • -

    het vonnis van deze rechtbank van 22 mei 2019, waarin is bepaald dat uiterlijk negen maanden na aanvang van tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel de noodzaak van de voortzetting van de maatregel dient te worden getoetst;

  • -

    een reclasseringsadvies van Inforsa van 14 april 2019;

  • -

    een verslag tussentijdse toetsing ISD van 19 februari 2020;

  • -

    de door de verdediging op de zitting overgelegde stukken, te weten een overzicht van urinecontroles en een informatieboekje voor (ex-)gedetineerden van de organisatie Exodus.

De rechtbank heeft op 3 maart 2020 de officier van justitie mr. G.M. Kolman, veroordeelde, zijn raadsvrouw mr. N. EL Farougui, advocaat te Amsterdam, alsmede de deskundige A.E. Mosterd, verbonden aan het [detentieplaats] , op de openbare terechtzitting gehoord.

Beoordeling

Verloop van het ISD-traject

Uit het voornoemde verslag tussentijdse toetsing ISD van 19 februari 2020 blijkt onder meer het volgende.

Veroordeelde heeft de ISD-maatregel voor de vierde keer opgelegd gekregen. Veroordeelde geeft zelf aan dat er buiten invloeden zijn waardoor hij het niet gaat redden. Veroordeelde werkt niet mee aan zijn traject, maar wil zelf huisvesting regelen via Exodus. Hij wil niet naar de vervolgafdeling van de ISD en wil zijn maatregel “uitzitten”. Omdat hij niet open staat voor zijn traject en hierdoor ook nog niet op de trajectbepaling is geweest om een tot een goede uitvoering van de ISD maatregel te komen is de kans op recidive onverminderd hoog. De criminogene factoren zijn nog steeds aanwezig. Ondanks dat de maatregel zich nu ook richt op bescherming van de maatschappij dient de resterende tijd van de maatregel optimaal te worden benut om:

  • -

    veroordeelde te motiveren mee te werken;

  • -

    hem de juiste zorg te (kunnen) bieden;

  • -

    aandacht te besteden aan een zinvolle dagbesteding;

  • -

    zijn financiën op orde te krijgen;

  • -

    een positief ondersteunend netwerk op te bouwen en geschikte huisvesting, dit alles om terugval in middelengebruik en delictgedrag te voorkomen.

Op de zitting van 3 maart 2020 heeft de deskundige A.E. Mosterd in aanvulling op het hiervoor genoemde rapport, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

Het is positief dat veroordeelde open is over wat hij wel en niet wil. Wij zullen proberen om hem te helpen, maar er gaat nog een stap aan vooraf. Hij moet namelijk leren buiten nee te zeggen. Daarnaast is het lastig om iemand ergens te plaatsen, als die tijdens de behandeling weigerachtig is.

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de ISD-maatregel moet worden voortgezet. Hoewel het verslag tussentijdse toetsing ISD positieve punten bevat, zal opheffing van de ISD-maatregel leiden tot onveiligheid, overlast en bijdragen aan verloedering van het publieke domein. Behandeling en uitplaatsing hebben namelijk nog niet plaatsgevonden en het recidiverisico is daarom hoog.

Volgens de raadsvrouw moet de ISD-maatregel na twaalf maanden worden opgeheven. Zij voert daartoe het volgende aan. Voortzetting van de ISD-maatregel is zinloos. Veroordeelde wenst niet aan het aangeboden traject mee te werken, omdat hij dan tussen andere verslaafden terecht komt. Dit helpt hem eerder achteruit dan vooruit. Omdat hij weet dat hij zonder begeleiding niet redt, heeft veroordeelde zelf een alternatief gezocht waarmee hij meent de beste kans te hebben om een drugs- en delictvrij leven op te bouwen. Dit is de instantie Exodus. Omdat veroordeelde niet meewerkt met het aangeboden ISD-traject levert voortzetting van de maatregel een kale afstraffing op waarbij veroordeelde, noch de maatschappij is gebaat. Nu veroordeelde zeer gemotiveerd is om met Exodus aan de slag te gaan, dient hem deze kans te worden geboden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank dient in het kader van de onderhavige procedure te beoordelen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is. In artikel 38m lid 2 Wetboek van strafrecht is bepaald dat de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte.

Op grond van de hierboven genoemde stukken en het verhandelde op de zitting stelt de rechtbank vast dat het noodzakelijk is om de ISD-maatregel voort te zetten, omdat op dit moment het recidiverisico onverminderd groot is en beëindiging van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, (drugs)overlast en bijdragen aan de verloedering van het publieke domein. Niet is gebleken van een omstandigheid die buiten de macht van de veroordeelde ligt, waardoor voortzetting van de ISD-maatregel niet zinvol meer is. Het ligt allereerst op de weg van veroordeelde om mee te werken aan het behandeltraject om uiteindelijk en zo mogelijk in de door hem gewenste instelling te kunnen worden geplaatst.

Daarom wordt als volgt beslist.

Gezien artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering.

Beslissing

De rechtbank bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt voortgezet.

Deze beslissing is gegeven door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. J. Thomas en Ch.A. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 maart 2020.