Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2138

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
7742871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vorderingen werkgever en werknemer over en weer (boete schending geheimhouding, loon, beooreling kwaliteit werk) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0443
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 7742871 CV EXPL 19-10090

vonnis van: 7 april 2020

fno.: 34906

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiseres] B.V.

gevestigd te Amsterdam

eiseres in conventie, verweerster in reconventie

nader te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. E.J.M. Haans

t e g e n

[gedaagde]

wonende te Amsterdam

gedaagde in conventie, eiser in reconventie

nader te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. H. Loonstein

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- dagvaarding van 11 april 2019, met producties

- antwoord/eis in reconventie en incidentele vordering, met producties;
- instructievonnis;
- dagbepaling mondelinge behandeling.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2019. Voor [eiseres] is verschenen de heer [naam 1] , vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen, vergezeld door mrs. A.A. en H. Loonstein. [eiseres] heeft een conclusie van antwoord in reconventie ingediend. [gedaagde] heeft een akte vermeerdering eis genomen. Partijen hebben voorafgaand aan de comparitie nadere producties in het geding gebracht. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.

De verdere behandeling is in overleg met partijen enige tijd aangehouden. [gedaagde] heeft vervolgens een akte genomen en daarop is door [eiseres] gereageerd. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.

1.1.

[gedaagde] is op basis van een arbeidsovereenkomst bij [eiseres] in dienst geweest als assistent-bedrijfsleider. Volgens de begin april 2016 door beide partijen getekende schriftelijke arbeidsovereenkomst ging de arbeidsovereenkomst in op 1 juli 2016.

1.2.

Dezelfde arbeidsovereenkomst is vervolgens, met parafen van beide partijen aangepast, in die zin dat als datum van ingang staat vermeld: 1 augustus 2016.

1.3.

Het overeengekomen salaris per maand bedroeg € 2.500,00.

1.4.

In artikel 12.1 van de arbeidsovereenkomst is een geheimhoudingsbeding opgenomen:

“De werknemer verplicht zich zowel tijdens als na beëindiging van de arbeidsovereenkomst absolute geheimhouding jegens een ieder te zullen betrachten over de bijzonderheden omtrent bedrijfsaangelegenheden, in de ruimste zin des woords, van de werkgever of van in welke rechtsvorm dan ook tot het bedrijf van de werkgever behorende ondernemingen (zoals bijzonderheden betreffende recepten, contracten, leveranciers, afnemers, bereidingsmethoden enzovoorts, één en ander uiteraard afhankelijk van de functie). Bovendien dient de werknemer alle redelijk te achten maatregelen te treffen om te voorkomen dat personen, die geen kennis behoren te dragen van bedrijfsgeheimen, de gelegenheid wordt geboden van deze bedrijfsgeheimen kennis te nemen.”

1.5.

In artikel 12.2 van de arbeidsovereenkomst is, voor zover hier van belang, bepaald dat bij overtreding van het in artikel 12.1 omschreven verbod de werkgever een direct opeisbare boete van € 2000,00 per overtreding aan de werknemer kan opleggen.

1.6.

[eiseres] heeft de bedrijfsruimte waarin zij haar bedrijfsactiviteiten uitvoert met ingang van 8 augustus 2016 gehuurd. Door een aannemer zijn vervolgens verbouwingswerkzaamheden in het gehuurde uitgevoerd.

1.7.

Volgens een allonge arbeidsovereenkomst van 26 augustus 2016 treedt [gedaagde] met ingang van 15 september 2016 in dienst van [eiseres] en eindigt deze arbeidsovereenkomst van rechtswege op 15 september 2017.

1.8.

Blijkens tussen partijen gevoerd e-mailverkeer is gecorrespondeerd over de juiste datum van aanmelding van de arbeidsovereenkomst bij de belastingdienst. [eiseres] schrijft op 28 augustus 2016 aan [gedaagde] : “Je contract gaat 15 september 2016 in dus ik heb de datum op het formulier loonheffingen veranderd in 15-09-2016.”

1.9.

De arbeidsovereenkomst is na 15 september 2017 stilzwijgend voortgezet.

1.10.

De admissie-overeenkomst tussen [eiseres] en het NIHS is ingegaan per 30 oktober 2016. Per die datum kon [eiseres] het predicaat “Onder Rabbinaal Toezicht” (ORT) voeren.

1.11.

Op 10 oktober 2017 hebben partijen bij allonge op de arbeidsovereenkomst vastgelegd dat [eiseres] de intentie heeft dat zij [gedaagde] per 15 september 2018 de mogelijkheid geeft aandelen/certificaten in [eiseres] te kopen, met als voorwaarde dat [gedaagde] naar volle tevredenheid bij haar functioneert. De prijs van de aandelen zal door [eiseres] naar redelijkheid op het moment van aankoop worden bepaald.

1.12.

[gedaagde] heeft op 27 april 2017 de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een maand opzegtermijn opgezegd.

1.13.

Enkele dagen na de opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft [eiseres] [gedaagde] per e-mail laten weten dat haar uit camerabeelden is gebleken dat [gedaagde] meerdere malen het geheimhoudingsbeding heeft geschonden. In een latere e-mail wordt hieraan toegevoegd dat het gaat om het regelmatig en langdurig toelaten van niet- [eiseres] personeel in de keuken, onder toezicht van [gedaagde] . Bij brief van haar gemachtigde van 16 juli 2018 legt [eiseres] uit dat hiervan in de periode van 5 februari tot en met 24 mei 2018 acht maal sprake is geweest en dat zij uit dien hoofde een bedrag van € 16.000,00 van [gedaagde] vordert.

Vordering

In conventie

2. [eiseres] vordert dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat [gedaagde] zeven maal, dan wel op een naar de beoordeling van de kantonrechter aanwezig geacht aantal momenten, heeft gehandeld in strijd met de geheimhoudingsverplichting. [eiseres] vordert verder dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van € 14.000,00 dan wel een door de kantonrechter redelijk geacht bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juli 2018, dan wel vanaf de dag van dagvaarding. [eiseres] vordert tenslotte € 915,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en een veroordeling tot betaling van proceskosten en eventuele nakosten.

3. Aan zijn vordering legt [eiseres] , kort samengevat, ten grondslag dat [gedaagde] in strijd met zijn verplichting tot geheimhouding heeft gehandeld door meermalen de heer [naam 2] , zijnde de eigenaar van [naam 3] , en daarmee een concurrent van [eiseres] en ook andere personen in de productieruimte van [eiseres] toe te laten; een ander zoals op camerabeelden is te zien.

4. [gedaagde] voert verweer op gronden die, voor zover van belang voor de te nemen beslissing, hierna aan de orde zullen komen.

In reconventie

5. [gedaagde] vordert in reconventie een verklaring voor recht dat hij gedurende de arbeidsovereenkomst met [eiseres] naar volle tevredenheid heeft gefunctioneerd. [gedaagde] vordert daarnaast loon, te weten een bedrag van € 6.250,00, welk bedrag ziet op loon dat verschuldigd is over de periode van 1 juli 2016 tot 15 september 2016, op basis van een maandsalaris van € 2.500,00. [gedaagde] vordert verder de wettelijke verhoging ter grootte van 50%, een bedrag van € 3.125,00. In totaal vordert [gedaagde] een bedrag van € 9.375,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de diverse vervaldata.

6. [gedaagde] heeft bij akte zijn vordering in reconventie vermeerderd. Hij vordert tevens te weinig betaald salaris over september en oktober 2016 ter grootte van in totaal € 450,00, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf de vervaldata.

7. [gedaagde] baseert zijn vordering op nakoming van de arbeidsovereenkomst. Deze bestond volgens hem vanaf 1 juli 2016 en vanaf deze datum heeft hij ook werkzaamheden voor [eiseres] verricht. Het gevorderde salaris over september 2016 en oktober 2016 is gebaseerd op de stelling dat [eiseres] over deze maanden ten onrechte bedragen heeft ingehouden.

8. [eiseres] heeft tegen deze vorderingen verweer gevoerd op gronden die, voor zover van belang voor de te nemen beslissing, hierna aan de orde zullen komen. [eiseres] maakt verder bezwaar tegen de vermeerdering van eis, gelet op het late tijdstip van indiening daarvan.

Incidentele vordering

9. [gedaagde] vordert bij wege van incidentele vordering afgifte dan wel deugdelijke inzage van alle camerabeelden die zijn gemaakt vanaf het moment dat de camera’s bij [eiseres] zijn geïnstalleerd, althans alle beelden in de periode van 5 februari 2018 tot en met mei 2018, althans in ieder geval de beelden met betrekking tot 7 april 2018; een en ander binnen vijf dagen na betekening van het te wijzen vonnis en op straffe van een dwangsom.

10. [eiseres] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering.

Beoordeling

In conventie

11. De te beantwoorden vraag is of [gedaagde] het geheimhoudingsbeding heeft overtreden. Volgens [eiseres] is dat het geval, nu op camerabeelden is te zien dat onder meer de heer [naam 2] en ook anderen in de productieruimte van [eiseres] aanwezig zijn terwijl [gedaagde] daar aan het werk is. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat hiermee in strijd is gehandeld met artikel 12.1 van de arbeidsovereenkomst. Dat externen in de productieruimte aanwezig zijn geweest staat wel vast. [eiseres] heeft ook niet betwist dat daarvan meerdere malen, bijvoorbeeld wanneer het leveranciers betreft, sprake is geweest en dat zij daarvan ook op de hoogte was, hetgeen ook bevestigd wordt door de beelden waarop is te zien dat mevrouw [naam 4] in de productieruimte aanwezig was, terwijl er ook derden waren.

12. Voor zover [gedaagde] als assistent-bedrijfsleider als verantwoordelijk voor deze gang van zaken kan worden gehouden, is daarmee echter niet gegeven dat [gedaagde] bijzonderheden omtrent bedrijfsaangelegenheden heeft onthuld noch dat hij aan externen zoals aan de heer [naam 2] gelegenheid heeft geboden van bedrijfsgeheimen kennis te nemen. Nadere bijzonderheden hierover zijn niet door [eiseres] aangevoerd en zijn ook overigens niet gebleken. De beelden die in het geding zijn gebracht geven wat dit betreft geen enkel aanknopingspunt. Voor zover [eiseres] heeft willen aanvoeren dat specifiek aan de heer [naam 2] bedrijfsgeheimen zijn onthuld, wordt dit tegengesproken door een gedetailleerde verklaring van de heer [naam 2] , waarin deze onder meer zegt dat hij wel bij [eiseres] kwam voor leveranties, een broodje of een praatje. Hij merkt verder op bevriend te zijn met [gedaagde] en veel mensen kent die bij [eiseres] wat kwamen eten.

13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering in conventie zal worden afgewezen nu [eiseres] haar stelling dat in strijd is gehandeld met het beding inzake geheimhouding onvoldoende heeft onderbouwd. Voor verdere bewijslevering is daarom geen plaats.

Incidentele vordering

14. [gedaagde] heeft, teneinde zich (beter) te kunnen verweren, bij wijze van exhibitievordering ex artikel 843 a Rv gevraagd om overlegging van méér camerabeelden. Gelet op de uitkomst van de beoordeling van de vordering van [eiseres] in conventie, heeft [gedaagde] geen belang meer bij deze vordering en kan deze verder buiten bespreking blijven.

In reconventie

15. [gedaagde] vordert loon over de periode van 1 juli 2016 tot en met 14 september 2016, omdat hij toen wel in dienst van [eiseres] zou zijn geweest, maar niet is betaald voor zijn werkzaamheden. [eiseres] betwist dat de arbeidsovereenkomst eerder dan op 15 september 2016 is ingegaan.

16. Uit de overgelegde stukken is af te leiden dat [gedaagde] op 1 april 2016 een concept arbeidscontract ter ondertekening kreeg toegezonden, met als ingangsdatum 1 juli 2016. In artikel 14.1 van dit arbeidscontract staat vermeld dat deze een ontbindende voorwaarde kent, te weten dat [eiseres] vóór 1 mei 2016 een huurovereenkomst zal sluiten. De betreffende huurovereenkomst is eerst per 8 augustus 2016 tot stand gekomen en dat betekent dat de ontbindende voorwaarde van kracht is geworden. Partijen zijn kennelijk bij elkaar te rade gegaan en zijn, na eerst de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst te hebben veranderd in 1 augustus 2016, vervolgens uitgekomen op 15 september 2016. Die datum in vastgelegd in de allonge van 26 augustus 2016, welke allonge terugverwijst naar de in begin april 2016 aangegane arbeidsovereenkomst. In de tussentijd hebben partijen blijkens overgelegde stukken contact met elkaar gehouden, onder andere over de voortgang van de verbouwing en opleidingen die in oktober 2016 door [gedaagde] zouden moeten worden gevolgd. Aanknopingspunten dat [gedaagde] reeds op 1 juli 2016 daadwerkelijk met zijn werkzaamheden voor [eiseres] is begonnen zijn in het voorgaande niet te vinden.

17. [gedaagde] heeft ter zitting doen aanvoeren dat hij vanaf 1 juli 2016 voorbereidende werkzaamheden heeft verricht zoals kasherwerkzaamheden en kasjroetadvies. [eiseres] heeft dat gemotiveerd betwist en aangevoerd dat de voorbereidende werkzaamheden van [gedaagde] eerst vanaf 15 september 2016 zijn gestart. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] zijn stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting van [eiseres] niet heeft onderbouwd aan de hand van enig bescheid of bewijsstuk. Evenmin heeft hij een verklaring gegeven voor het feit dat hij eerst na ongeveer drie jaar na dato deze loonvordering kenbaar maakt. Onder deze omstandigheden heeft [gedaagde] onvoldoende invulling gegeven aan zijn stelplicht en daarom gaat de kantonrechter voorbij aan zijn aanbod bewijs te leveren aan de hand van getuigen. De vordering van [gedaagde] ter zake van het loon over deze periode zal daarom worden afgewezen.

18. Dat is ook het geval ten aanzien van de vordering van volgens [gedaagde] te weinig betaald loon over de tweede helft van september en oktober 2016. Anders dan [eiseres] aanvoert stond het [gedaagde] vrij zijn vordering op dit punt te vermeerderen. [eiseres] heeft immers nog gelegenheid gehad zich hierover uit te laten en de procedure is hierdoor niet onnodig vertraagd. [gedaagde] heeft met verwijzing naar loonspecificaties en bankafschriften uiteengezet dat in september en oktober 2016 een bedrag van in totaal € 450,00 door [eiseres] ten onrechte is ingehouden. [eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagde] geen juiste voorstelling van zaken geeft.

19. [eiseres] heeft, met verwijzing naar een WhatsAppbericht van 16 augustus 2016 en een overgelegd bankafschrift van 15 augustus 2016 ( “voorschot salaris”) uitgelegd dat aan [gedaagde] een voorschot van € 500,00 is betaald. In de salarisbetaling aan [gedaagde] voor september 2016 is in eerste instantie € 200,00 ingehouden, maar dit is met de betaling van 30 september 2016 ongedaan gemaakt. [eiseres] heeft toen een bedrag van € 200,00 aan [gedaagde] overgemaakt. De kantonrechter stelt vast dat hiermee over september 2016 is betaald waarop [gedaagde] recht had. De vordering van achterstallig salaris voor wat betreft september 2016 stuit reeds hierop af.

20. Uit de overgelegde loonspecificaties en bankafschriften is af te leiden dat in de maand oktober 2016 en december 2016 vervolgens tweemaal de helft van het voorgeschoten bedrag door [eiseres] is ingehouden. Het verbod van verrekening (artikel 7:632 BW) staat hieraan niet in de weg nu het om de verrekening met een voorschot ging. De vordering van [gedaagde] komt daarom ook op dit punt voor afwijzing in aanmerking.

21. Ten aanzien van de in reconventie gevraagde verklaring voor recht dat [gedaagde] naar volle tevredenheid heeft gefunctioneerd overweegt de kantonrechter het volgende. [gedaagde] heeft doen uiteenzetten dat hij hierbij belang heeft, gelet op het tussen partijen bestaande geschil over de uitleg van de allonge op de arbeidsovereenkomst van 10 oktober 2017 met betrekking tot zijn aanspraak op een deel van de aandelen/certificaten.

22. In de allonge is vastgelegd dat [eiseres] de intentie heeft dat zij [gedaagde] per 15 september 2018 de mogelijkheid geeft aandelen/certificaten in [eiseres] te kopen, met als voorwaarde dat [gedaagde] naar volle tevredenheid bij haar functioneert. De prijs van de aandelen zal door [eiseres] naar redelijkheid op het moment van aankoop worden bepaald.

23. Met [eiseres] is de kantonrechter van oordeel dat bedoelde afspraak zo moet worden uitgelegd dat bedoelde aanspraak bestaat in geval [gedaagde] op 15 september 2018 nog steeds bij [eiseres] werkt, aan welke voorwaarde niet wordt voldaan. Zowel de aard van de afspraak, een in het vooruitzicht gestelde “beloning”, als het feit dat wordt gesproken over “functioneert” in de tegenwoordige tijd, wijst in die richting. Nu aan die voorwaarde niet is voldaan, heeft [gedaagde] geen belang bij hetgeen hij op dit punt vordert.

24. Los van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de gevraagde verklaring voor recht niet kan worden gegeven omdat het begrip “naar volle tevredenheid” subjectief van aard is en kennelijk is opgehangen aan de mate van tevredenheid van [eiseres] als werkgever. Zoals [eiseres] in deze procedure heeft laten blijken, is zij niet (geheel) tevreden over het functioneren van [gedaagde] , laat staan dat zij “ten volle” tevreden is. De gevraagde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.

In conventie en reconventie

25. Nu beide partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van deze procedure worden gecompenseerd.

BESLISSING

De kantonrechter:

In conventie:

I. wijst de vorderingen af, de incidentele vordering daaronder begrepen;

In reconventie:

II. wijst de vorderingen af;

In conventie en in reconventie:

III compenseert de proceskosten en bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van der Molen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

Op verzoek van Van Dijk en na Sal Meijer in de gelegenheid te hebben gesteld op het verzoek van Van Dijk te reageren, verbetert de kantonrechter het vonnis als volgt:

  • Onder ‘Verloop van de procedure’ dient in plaats van mrs. A.A. en H. Loonstein te worden gelezen A.A. Loonstein en mr. H. Loonstein.

Deze verbetering is op 26 mei 2020 openbaar uitgesproken door mr. E.J. van der Molen, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.