Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2126

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
AMS 20/1925
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Demonstreren en Corona maatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/1925

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker

en

de voorzitter van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, verweerder

(gemachtigde: H. Krans).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker een verbod opgelegd om op 1 april 2020 te gaan demonstreren.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft tegelijkertijd de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Vanwege de uitbraak van het corona-virus is het houden van zittingen tot het noodzakelijke beperkt. Een reguliere zitting voor de behandeling van het verzoek was niet op korte termijn beschikbaar. Gelet hierop heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden via skype (met verzoeker) en telefoon (met verweerder). Daaraan voorafgaand heeft over en weer een uitwisseling van standpunten plaatsgevonden via e-mail. Aan de zijde van verweerder heeft aan de zitting ook deelgenomen [de persoon] .

Overwegingen

1. Verzoeker heeft gevraagd om te worden vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Hij heeft zijn verzoek onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet in deze onderbouwing aanleiding om verzoeker vrij te stellen van betaling van het griffierecht.

2. Verzoeker heeft op 29 maart 2020 de gemeente kennis gegeven van het voornemen om op 1 april 2020 om 12:00 uur te gaan demonstreren voor de ingang van de Stopera . Verzoeker heeft vervolgens een –kennelijk automatisch gegenereerde- ontvangstbevestiging van deze kennisgeving gekregen. Verweerder heeft naar aanleiding van deze kennisgeving het bestreden besluit genomen en de demonstratie verboden.

3. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek, het volgende naar voren gebracht. Verzoeker meent dat verweerder volstrekt onverantwoord omgaat met daklozen. Met de demonstratie wil hij hiervoor aandacht vragen. Ook wil hij druk uitoefenen op het college om geen levens van daklozen te riskeren en om hen een veilig onderdak te geven. Het gaat om een demonstratie met 20 personen en deze zullen de door de corona-maatregelen voorgeschreven gepaste afstand van 1,5 meter houden.

4. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit de demonstratie verboden omdat daarmee de gezondheid van verzoeker (verzoeker zelf heeft gezegd dat hij symptomen heeft die er op kunnen duiden dat hij drager is (geweest) van het coronavirus), zijn medestanders en de directe omgeving in ernstig gevaar worden gebracht. Verweerder wijst daarbij op de ernst van de corona-pandemie. De Minister van Volksgezondheid heeft opgedragen om alle samenkomsten in Nederland te verbieden, waarbij geen uitzondering is gemaakt voor demonstraties. Het dodental loopt nog steeds op en verweerder meent, mede gebaseerd op de raadpleging van GGD en politie, dat het onverantwoord is om te gaan demonstreren. Verweerder voegt daar aan toe dat de gedragingen van verzoeker van de afgelopen periode niet hebben bijgedragen aan het vertrouwen dat verzoeker de veilige afstand bij de demonstratie voortdurend zal kunnen handhaven. Daarbij komt dat indien de politie deze afstand zal moeten handhaven, daarmee ook de gezondheid van politieambtenaren in gevaar wordt gebracht. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties verbiedt verweerder de demonstratie.

5.1

de voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Is er spoedeisend belang?

5.2

De eerste vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden is of verzoeker spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Verzoeker heeft in zijn verzoek meegedeeld dat hij wil demonstreren op woensdag 1 april 2019. Op 1 april in de ochtend heeft hij de rechtbank meegedeeld dat hij niet eerder dan ‘volgende week’ wil gaan demonstreren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het verzoek, ook nu verzoeker niet eerder dan de komende week wil gaan demonstreren, voldoende spoedeisend. Voor de beoordeling van het procesbelang kan in het midden blijven of verzoeker de volgende week alsnog uitvoering geeft aan de aanvankelijk voor 1 april 2020 geplande demonstratie dan wel of dan van een nieuwe demonstratie sprake zal zijn waarvoor verzoeker mogelijk weer een nieuwe kennisgeving zou moeten doen. De voorzieningenrechter gaat er daarbij voorshands van uit dat verweerder bij een eventuele nieuwe kennisgeving, het thans ingenomen standpunt zal handhaven.

Relevante regelgeving

5.3

Artikel 2 van de WOM luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“De bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot (…) vergadering en betoging, kunnen slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.”

Artikel 5, eerste en tweede lid, van de WOM, luiden, voor zover hier relevant, als volgt:

“1 De burgemeester kan naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.

2 Een verbod kan slechts worden gegeven indien: (…)

c. een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.

In artikel 39 eerste lid, aanhef en onder d van de Wet veiligheidsregio’s, is –voor zover hier van belang- bepaald dat in geval van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis de voorzitter van de veiligheidsregio ten behoeve van de rampenbestrijding en crisisbeheersing in de betrokken gemeenten bij uitsluiting bevoegd is toepassing te geven aan de artikelen 5 tot en met 9 van de Wet openbare manifestaties. Deze bepaling is relevant omdat het bestreden besluit is genomen door de voorzitter van de veiligheidsregio, in plaats van door de burgemeester zoals in de Wet openbare manifestaties (de Wom) is voorgeschreven.

Beoordeling van het verzoek

5.4

De voorzieningenrechter oordeelt dat de demonstratie waar het verzoek op ziet gelijk kan worden gesteld met de “betoging” zoals bedoeld in de Wom.

5.5

Het recht op betoging en het recht op vrijheid van meningsuiting zijn grondwettelijk en (wat betreft de betoging geformuleerd als recht op vrijheid van vergadering) verdragsrechtelijk beschermde mensenrechten en vrijheden. Dat betekent dat als uitgangspunt geldt dat iedereen vrij is om te betogen en zijn mening te uiten, ongeacht de locatie, tijd(sduur) en ongeacht het onderwerp daarvan. Voorafgaande toestemming is niet vereist. Wel mag de overheid deze rechten en vrijheden beperken. De overheid mag dit alleen maar als dit bij wet is voorzien en als daartoe een noodzaak bestaat. Het tweede lid van artikel 9 van de Grondwet schrijft voor dat de wet regels kan stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Regels als hier bedoeld zijn met name opgenomen in de Wom.

5.6

In dat verband is van belang dat de Wom onderscheid maakt tussen het verbieden en het beperken van een betoging. Voor een verbod geldt ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wom een noodzakelijkheidsvereiste. Dat is een strenger criterium dan de maatstaf die geldt voor beperkingen die niet op een verbod neerkomen.

5.7

De vraag die voorligt, is dus of verweerder de demonstratie heeft mogen verbieden op de grond dat de bescherming van de gezondheid dit verbod vordert.

5.8

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in de uitbraak van het corona-virus voldoende reden mogen zien om de door verzoeker aangekondigde demonstratie in zijn geheel te verbieden. De voorzieningenrechter acht daarbij het volgende van belang.

5.9

De maatregelen die van overheidswege zijn afgekondigd om verspreiding van het corona-virus in te dammen zijn te vinden op de website van het RIVM. In de kern komen deze maatregelen er op neer dat niemand zonder noodzaak naar buiten mag en dat, als men toch naar buiten gaat, er een minimale afstand van 1,5 meter tussen twee personen moet worden gehandhaafd. Vergunningplichtige evenementen mogen hoe dan ook geen doorgang vinden. De ernst van de corona-crisis is tussen partijen niet in geschil. Evenmin betwisten partijen de noodzaak of juistheid van de getroffen maatregelen.

5.10

Verzoeker meent echter dat hij met die maatregelen voldoende rekening heeft gehouden, door bij de demonstratie zelf de vereiste afstand te houden en het aantal deelnemers tot 20 personen te beperken. Hij heeft daar ter zitting aan toegevoegd dat het ook tot 10 à 15 personen kan worden beperkt.

5.11

Een demonstratie is niet een vergunningplichtig evenement. Wel is het naar zijn aard een bijeenkomst in de buitenlucht met meerdere deelnemers. In zoverre valt de beoogde demonstratie dus onder de maatregelen.

5.12

Voor zover verzoeker met zijn mededeling dat hij de omvang van de demonstratie beperkt houdt, impliciet verwijst naar bijeenkomsten die, binnen de door de overheid getroffen maatregelen, toch nog mogelijk zijn, zoals uitvaarten, huwelijken en religieuze bijeenkomsten, overweegt de voorzieningenrechter dat deze niet met een demonstratie vergelijkbaar zijn. De genoemde bijeenkomsten vinden immers binnen plaats en er komt geen ordehandhaving, en dus politie, aan te pas.

5.13

De voorzieningenrechter gaat niet mee met het betoog van verzoeker dat de deelnemers aan de demonstratie een onderlinge afstand van 1,5 meter zullen aanhouden en dat daarom de corona-maatregelen aan de demonstratie niet in de weg hoeven staan.

5.14

In de eerste plaats is hierbij van belang dat verzoeker niet aannemelijk heeft weten te maken dat hij kan garanderen dat bij de demonstratie de deelnemers voortdurend voldoende afstand tot elkaar zullen houden. Verzoeker kan geen garanties geven dat de deelnemers zelf zich aan die afstandsregel zullen houden en heeft al helemaal niet de gevolgen in de hand in het geval andere mensen op straat zich bij de demonstratie zullen gaan aansluiten of zich daartegen zullen gaan verzetten. Verzoeker heeft weliswaar ter zitting geschetst hoe in zijn ogen de aanvangssituatie bij de demonstratie zal zijn (met deelnemers die in vooraf aangegeven kringen staan), maar heeft niet kunnen schetsen hoe hij die situatie wil handhaven als die aanvangssituatie wijzigt. Evenmin lijkt verzoeker er rekening mee te hebben gehouden dat omstanders zich met de demonstratie kunnen bemoeien en hoe hij dan nog de vereiste afstand handhaaft. Als de demonstratie op welke manier ook, niet loopt zoals gepland –en dat is al gauw het geval gezien de strenge regels waar in dit geval aan moet worden voldaan- is handhavend optreden van de politie nodig. Handhaving vergt in een geval als dit, vaak fysiek contact. Verweerder heeft op goede gronden gesteld dat van de politie niet kan worden gevergd dat zij zich aan het risico van de gevolgen van dat fysieke contact blootstellen.

5.15

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder ook aan het besluit ten grondslag mogen leggen dat er gezien de eerdere ervaringen die verweerder met verzoeker heeft gehad, onvoldoende vertrouwen bestaat bij verweerder dat verzoeker de veilige afstand bij de demonstratie zal kunnen handhaven. Verweerder heeft deze eerdere ervaringen onderbouwd met een politierapportage en met een aan verzoeker gestuurde brief van 2 april 2020. De voorzieningenrechter leest hierin, onder meer en voor zover in dit geval relevant, dat verzoeker herhaaldelijk, zonder duidelijke reden, geen (direct) gevolg geeft aan de vorderingen van de politie of van de beveiliging bij een vergadering van de gemeenteraad. In dit verband is nog van belang dat verweerder in een aantal voor deze beoordeling relevante procedures (in de zaak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2019, kenmerk AMS 19/4410 en in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 april 2020, met nummer 201904652/1/A3) door de rechter in het gelijk is gesteld. Daartegenover heeft de enkele stelling van verzoeker ter zitting dat hij zich wel aan afspraken zal houden, te weinig gewicht.

5.16

De zorgen die verzoeker zich als gevolg van het bestreden besluit maakt over het functioneren van de rechtstaat, zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter ongegrond. Zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd, zijn demonstraties in Amsterdam nog steeds mogelijk. Het aantal deelnemers is daarbij weliswaar zeer beperkt, maar in goed overleg met de organisatoren, kunnen zij wel doorgang vinden. In de afgelopen weken hebben demonstraties ook daadwerkelijk plaatsgevonden. Van een algeheel demonstratieverbod is geen sprake en elk besluit om een demonstratie te verbieden of te beperken, kan aan de rechter kan worden voorgelegd.

5.17

De voorzieningenrechter acht voorts nog van belang dat er voor verzoeker desgewenst, binnen de regelgevende kaders van de gemeente Amsterdam, andere mogelijkheden bestaan om zijn doel, druk zetten op het college om meer te regelen voor daklozen, te bereiken.

6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het bezwaar van verzoeker tegen het bestreden besluit geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2020.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.