Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2118

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
13/303864-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak (medeplegen) voorhanden hebben harddrugs. Geen beschikkingsmacht t.a.v. de verdovende middelen in de woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/303864-19.

Datum uitspraak: 7 april 2020.

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1976,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [plaats detentie] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. Hoogerheide en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. van Weers, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 20 december 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer

- 318 gram heroïne en/of cocaïne + 490 gram cocaïne + 232 gram heroïne + 780 gram cocaïne, zoals aangetroffen in de slaapkamer van het pand [adres] en/of

- 133.29 gram cocaïne + 11,88 gram heroïne + 34 gram heroïne en/of cocaïne + 19,76 gram cocaïne +18,46 gram cocaïne, zoals aangetroffen in de woonkamer van het pand [adres] en/of

- 1165 gram heroïne + 236 gram cocaïne, zoals aangetroffen in de keuken van het pand [adres] en/of

- 3750 gram cocaïne, zoals aangetroffen in de badkamer van het pand [adres] en/of

- 19 gram cocaïne, zoals aangetroffen in zijn, verdachtes, tas, in elk geval een of meerdere hoeveelheden van een of meerdere materialen bevattende cocaïne en/of heroïne, in elk geval (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. hij op of omstreeks 20 december 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne en/of heroïne en/of een (ander) middel als bedoeld in de bij Opiumwet behorende lijst I, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te

bereiden en/of te bevorderen,

- meerdere telefoons en/of

- 2349 gram van een materiaal bevattende coffeïne en/of paracetamol

en/of

- een koel/vriescombinatie en/of een of meerdere (opvang)netten en/of een of meerdere plastic zakken en/of een of meerdere plastic tassen en/of een of meerdere weegschalen en/of een of meerdere (soorten) verpakkingsmaterialen en/of een of meerdere blenders en/of een of meerdere scharen en/of plakband en/of tape voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feiten;

- meerdere telefoons en/of

- een of meerdere vooralsnog onbekende hoeveelheden van een of meerdere (vooralsnog onbekende) versnijdingsmiddelen van cocaïne als fenacetine en/of levamisol en/of insitol en/of lactose en/of codaïne en/of paracetamol en/of

- een koel/vriescombinatie en/of een of meerdere (opvang)netten en/of een of meerdere plastic zakken en/of een of meerdere plastic tassen en/of een of meerdere weegschalen en/of een of meerdere (soorten) verpakkingsmaterialen en/of een of meerdere blenders en/of een of meerdere scharen en/of plakband en/of tape voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feiten.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Bij het Team Criminele Inlichtingen van de politie Eenheid Amsterdam is in december 2019 via een informant de volgende informatie binnengekomen: “In de woning aan het [adres] te Amsterdam wordt vermoedelijk een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne bewaard. De woning wordt gebruikt door een groep Afrikaans uitziende mannen.” Deze informatie is als betrouwbaar aangemerkt. Naar aanleiding hiervan is de woning aan het [adres] op 19 december 2019 onder observatie genomen. Op 20 december 2019 is de politie de woning binnengetreden. In de woning werden zeven Nigeriaanse mannen aangetroffen, waaronder verdachte. In de woonkamer en keuken werden onder andere slikkersbollen, verpakkingsmateriaal en een blender aangetroffen. Ook in de badkamer en slaapkamer zijn slikkersbollen aangetroffen. Verder is in de woonkamer een schoudertas aangetroffen, waarin een transparant zakje met 9,82 gram wit poeder zat. Verdachte heeft verklaard dat die schoudertas van hem was. Uit een rapport van het laboratorium Forensische Opsporing blijkt dat in dit zakje cocaïne zat.

4.2.

Standpunten van de officier van justitie en de raadsman

De officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de harddrugs die in de woonkamer en keuken in het zicht lagen, opzettelijk aanwezig heeft gehad. Dit geldt niet voor de harddrugs die in zich in de badkamer, slaapkamer en in de diepvries bevonden. Deze lagen niet in het zicht.


Feit 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 2 eveneens kan worden bewezen. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte de versnijdingsmiddelen, weegschaal, blender, plankband en tape die in de woonkamer en keuken in het zicht lagen, voorhanden heeft gehad. De woning werd op de dag en het moment van de doorzoeking gebruikt als locatie om slikkersbollen te wassen en te verpakken voor afnemers en gereed te maken voor handel en vervoer.

De raadsman

Feit 1 en feit 2

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat slechts een bewezenverklaring kan volgen ten aanzien van de 10 gram cocaïne die verdachte bij zich had. Voor het overige moet verdachte van feit 1 en feit 2 worden vrijgesproken. De enkele aanwezigheid van verdachte in de woning is onvoldoende om enige vorm van betrokkenheid bij de verdovende middelen aan te kunnen nemen.

4.3.

De beoordeling door de rechtbank

4.3.1.

Feit 1

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat verdachte het zakje cocaïne dat in zijn tas is aangetroffen, voorhanden heeft gehad. De rechtbank stelt vast dat het een hoeveelheid van 9,82 gram van een materiaal bevattende cocaïne betreft.

Voor het overige acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste heeft gepleegd of medegepleegd. Zij overweegt hiertoe het volgende.

Voor het bewijs van ‘aanwezig hebben’ in de zin van de Opiumwet, is nodig dat verdachte wist van de aanwezigheid van de drugs en dat deze zich binnen zijn machtssfeer bevonden. Met dat laatste wordt bedoeld dat verdachte in enige mate kon bepalen wat er met die drugs zou gebeuren, oftewel: dat hij er enige zeggenschap over had. Niet is vereist dat de drugs zijn eigendom waren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte is aangehouden in een woning waarin slikkersbollen zijn aangetroffen. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte wetenschap had van de verdovende middelen die in de slaapkamer en badkamer lagen. Ten aanzien van de slikkersbollen in de woonkamer en de keuken heeft verdachte heeft bij de politie en op de terechtzitting verklaard dat hij de slikkersbollen op de tafel in de woonkamer en in de keuken heeft gezien. Dit betekent dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van die verdovende middelen. Vervolgens rijst de vraag of verdachte hier ook de beschikkingsmacht over had. Anders dan de officier van justitie, beantwoordt de rechtbank die vraag ontkennend. De enkele aanwezigheid van verdachte in de woning kort voor de inval door de politie, is onvoldoende om aan te nemen dat hij beschikkingsmacht over de verdovende middelen had. Verdachte zal in zoverre van feit 1 worden vrijgesproken.

4.3.2.

Feit 2

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste heeft gepleegd of medegepleegd. Voor zover verdachte al wetenschap had van de aanwezigheid van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen in de woning, had hij hier in geval geen beschikkingsmacht over. Aangezien verdachte deze voorwerpen niet voorhanden heeft gehad, kan niet worden bewezen dat hij zich aan voorbereidingshandelingen schuldig heeft gemaakt. Verdachte wordt daarom van feit 2 vrijgesproken.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

feit 1:

op 20 december 2019 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 9,82 gram, zoals aangetroffen in zijn tas, van een materiaal bevattende cocaïne.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Standpunten van de officier van justitie en de raadsman

De officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De raadsman

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.2.

De beoordeling door de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft 9,82 gram cocaïne in zijn tas aanwezig gehad. Dit is een ernstig strafbaar feit omdat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid.

De rechtbank heeft gekeken naar de afspraken die rechters in Nederland hebben gemaakt over de straftoemeting. Voor het aanwezig hebben van 0 tot 10 gram harddrugs geldt als oriëntatiepunt een geldboete van € 750,-.

De rechtbank heeft verder gekeken naar het strafblad van verdachte van 12 februari 2020, waaruit blijkt dat verdachte nog niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. De rechtbank ziet in het strafblad van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden geen reden om in het voor- of nadeel van verdachte af te wijken van voorgenoemd oriëntatiepunt. De rechtbank zal daarom een geldboete van € 750,- opleggen en zal bepalen dat de duur van het voorarrest hiervan wordt afgetrokken. Deze straf wijkt sterk af van de eis van de officier van justitie omdat de officier van justitie bij het bepalen van haar eis van een andere bewezenverklaring is uitgegaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart hetgeen bewezen is verklaard strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 15 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, op de geldboete in mindering gebracht zal worden naar de maatstaf van € 50,- per dag.

Gelast de teruggave van: een geldbedrag van € 1.157,45 (goednummer 5855372), telefoon (goednummer 5855358), telefoon (goednummer 5855359) en telefoon (goednummmer 5855361) aan [verdachte] .

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en G.M. van Dijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2020.