Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2112

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
23-09-2020
Zaaknummer
c/13/673085 / HA ZA 19-340
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van een verzoek op grond van artikel 17 AVG tot verwijdering van een geanonimiseerde utspraak van www.rechtspraak.nl

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/386
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/673085 / HA RK 19-340

Beschikking van 2 april 2020

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

verschenen in persoon,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te Den Haag,

verweerster,

advocaat mr. M.M.C. van Graafeiland te Den Haag.

Partijen worden hierna [verzoekster] en de Staat genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 19 augustus 2019 bij de rechtbank Den Haag,

  • -

    de beschikking van 30 september 2019 van de rechtbank Den Haag waarbij de zaak is verwezen naar deze rechtbank,

  • -

    de tussenbeschikking van 21 november 2019, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het verweerschrift, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 27 december 2019,

  • -

    het aanvullend verzoekschrift, tevens vermindering/aanpassing verzoek, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 30 december 2019,

  • -

    het bericht nadere stukken van [verzoekster] , ingekomen ter griffie op 6 januari 2020,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 januari 2020 en de daarin genoemde (proces)stukken,

  • -

    de brief van 29 januari 2020 van de Staat met opmerkingen over het proces-verbaal,

  • -

    de (fax)brief van 30 januari 2020 van [verzoekster] met een reactie op de brief van 29 januari 2020 van de Staat,

  • -

    de e-mailberichten van 13 februari 2020 van partijen aan de griffie.

1.2.

Na het sluiten van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de zaak naar (de interne rekestenrol van) 13 februari 2020 verwezen voor het nemen van een gelijktijdige akte door partijen waarin zij de rechtbank zullen informeren of het gerechtshof Amsterdam een beschikking heeft gewezen in het door [verzoekster] ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 14 maart 2019. In de onder 1.1. genoemde e-mailberichten van 13 februari 2020 hebben partijen de rechtbank bericht dat [verzoekster] het hoger beroep heeft ingetrokken, zodat het gerechtshof geen uitspraak zal doen. Vervolgens is een datum voor het wijzen van beschikking bepaald. Partijen zijn van de uitgestelde datum op de hoogte gebracht.

1.3.

Deze beschikking wordt gewezen met in achtneming van de door de Staat gemaakte opmerkingen over het proces-verbaal en de reactie van [verzoekster] daarop.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank Den Haag heeft op 28 juni 2019 een beschikking (hierna: de beschikking) gegeven in een geschil tussen [verzoekster] en Google LLC over de verwijdering van zoekresultaten uit de zoekmachine van Google. In deze beschikking heeft de rechtbank [verzoekster] , nadat zij haar verzoekschriften na de mondelinge behandeling had ingetrokken, op verzoek van Google in de proceskosten veroordeeld en het geschil alsnog inhoudelijk beoordeeld. [verzoekster] heeft tegen de beschikking hoger beroep ingesteld.

2.2.

De beschikking is onder nummer ECLI:NL:RBDHA:2019:6302 gepubliceerd op www.rechtspraak.nl en geanonimiseerd met inachtneming van de anonimiseringsrichtlijnen voor de publicatie van een rechterlijke beslissing op rechtspraak.nl.

2.3.

In een brief van 11 juli 2019 heeft [verzoekster] het gerechtsbestuur van de rechtbank Den Haag verzocht om de beschikking onmiddellijk (binnen 24 uur) te verwijderen van www.rechtspraak.nl op grond van artikel 17 van de Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (Pb. EU L 119/1 van 27 april 2016) (hierna: AVG).

2.4.

Op 12 juli 2019 heeft de bestuurssecretaris tevens coördinator informatieverzoeken privacy van de rechtbank Den Haag de ontvangst van het verwijderingsverzoek aan [verzoekster] bevestigd en haar bericht niet binnen de gestelde termijn van 24 uur te kunnen reageren. Op diezelfde dag heeft [verzoekster] gereageerd met de mededeling dat artikel 17 lid 1 AVG voorschrijft dat de betrokkene het recht heeft zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen.

2.5.

In een brief van 1 augustus 2019 heeft de president van de rechtbank Den Haag aan [verzoekster] geschreven dat het verwijderingsverzoek is afgewezen, omdat de zakelijke inhoud van een rechterlijke beslissing als onderdeel van de juridische analyse buiten het bereik van de AVG en aldus buiten de daarin geboden mogelijkheden tot verwijdering van persoonsgegevens valt.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking –samengevat – de Staat te bevelen en te veroordelen:

  1. om binnen een dag na het afgeven van deze beschikking, althans een door de rechtbank te bepalen redelijke termijn, de Staat te gelasten tot het verwijderen en verwijderd houden van de beschikking op www.rechtspraak.nl;

  2. om binnen een dag na het afgeven van deze beschikking, althans een door de rechtbank te bepalen redelijke termijn, de Staat te gelasten tot het verwijderen en verwijderd houden van de passages uit de beschikking op www.rechtspraak.nl, conform productie 1 e bij het herziene verzoekschrift;

  3. tot betaling van een dwangsom van € 50.000, althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom, voor iedere overtreding van het onder a verzochte, of, naar keuze van [verzoekster] , van € 500 voor iedere dag of deel daarvan dat de Staat met de gehele of gedeeltelijke nakoming van dit bevel in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000;

  4. in de proceskosten.

3.2.

Aan haar verzoeken legt [verzoekster] artikel 17 AVG ten grondslag. Samengevat stelt zij dat in de gepubliceerde beschikking naar haar herleidbare persoonsgegevens staan vermeld die zich voor verwijdering lenen. De Staat kan zich volgens [verzoekster] niet op de uitzonderingsgrond van artikel 6 lid 1 aanhef onder c AVG beroepen, omdat er geen (wettelijke) publicatieplicht van uitspraken op internet bestaat, niet op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 121 van de Grondwet (Gw). Het Besluit Selectiecriteria uitsprakendatabank rechtspraak.nl is geen wet. Het besluit is onbevoegd vastgesteld en onverbindend. Ook bestaat er geen noodzaak tot publicatie in het uitsprakenregister. Verder is publicatie geen rechterlijke taak in de zin van artikel 23 lid 1 aanhef en onder f AVG.

Weliswaar voldoet de publicatie van de beschikking aan de anonimiseringsrichtlijnen van de rechtspraak, maar deze richtlijnen voldoen niet aan de AVG, omdat de definitie van persoonsgegevens afwijkt van artikel 4 AVG. [verzoekster] vreest dat de geanonimiseerde beschikking op www.rechtspraak.nl zal worden gevonden en tegen haar zal worden ingezet om haar zwart te maken. Ook als zij in de hoger beroepsprocedure in het gelijk zal worden gesteld zal de beschikking op internet gepubliceerd blijven staan. Daarnaast dient de publicatie geen enkel redelijk doel, aldus steeds [verzoekster] .

3.3.

De Staat voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, althans afwijzing ten aanzien van het verzoek onder 3.2. a en tot afwijzing van de overige verzoeken, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

Samengevat voert de Staat primair aan dat volgens vaste rechtspraak juridische analyses als zodanig geen persoonsgegevens vormen, zodat ook niet om verwijdering daarvan kan worden verzocht met een beroep op de AVG. In dit kader wijst de Staat erop dat de rechtbank Noord-Holland bij beschikking van 14 maart 2019 in een geschil tussen [verzoekster] en de rechtbank Den Haag over de verwijdering van een vonnis van 3 juni 2015 van www.rechtspraak.nl, het verwijderingsverzoek van [verzoekster] heeft afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de weergave van de hoedanigheid van de procespartijen, de feiten en de beoordeling de zakelijke inhoud van een rechterlijke beslissing betreft, die wordt bepaald door regels van procesrecht in samenspel met materieel recht en daarmee onderdeel van de juridische analyse zelf is.

Subsidiair voert de Staat aan dat gelet op het bepaalde in artikel 17 lid 3 aanhef en onder b AVG er geen aanleiding is om tot verwijdering over te gaan. Voor zover de gepubliceerde beschikking al tot [verzoekster] herleidbare persoonsgegevens zou bevatten, bestaat daarvoor een grondslag in de zin van artikel 6 AVG. Met de publicatie op www.rechtspraak.nl voldoet de rechtbank Den Haag aan haar openbaarmakingsverplichting die voortvloeit uit het beginsel van openbaarheid van rechterlijke vonnissen zoals voorgeschreven in artikel 6 EVRM en artikel 121 Gw. Dit algemene belang van openbaarheid staat tegenover het belang en grondrecht van [verzoekster] op bescherming van haar privacy. Ter bescherming van dat laatste recht voorziet de richtlijn voor anonimisering van te publiceren uitspraken in een afdoende en proportionele maatregel.

Ten slotte, voert de Staat aan dat niet is gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die maken dat tot verwijdering van de beschikking moet worden overgegaan. [verzoekster] heeft niet onderbouwd zij door de publicatie schade ondervindt, terwijl de uitspraak voor een buitenstaander niet (goed) naar haar is te herleiden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Deze zaak gaat om de vraag of de Staat gehouden is om de met inachtneming van de anonimiseringsrichtlijnen gepubliceerde beschikking van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2019 geheel of gedeeltelijk te verwijderen van www.rechtspraak.nl.

4.2.

Het verzoek van [verzoekster] is na 25 mei 2018 aanhangig gemaakt, zodat op het verzoek de AVG moet worden toegepast. Als EU-verordening is de AVG rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat (vgl. artikel 99 AVG). De AVG is de opvolger van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (hierna: de Richtlijn persoonsgegevens), zoals geïmplementeerd in de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp). De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) en de Hoge Raad die zijn gewezen ten tijde van de Richtlijn persoonsgegevens en Wbp ook gelding hebben nu de AVG van kracht is.

4.3.

Op grond van artikel 17 lid 1 aanhef en onder c AVG heeft [verzoekster] het recht wissing van haar persoonsgegevens te verkrijgen als zij overeenkomstig artikel 21 lid 1 AVG bezwaar heeft gemaakt tegen de verwerking van haar betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 onder e of f AVG en er geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking zijn. In artikel 17 lid 3, aanhef en onder b AVG is bepaald dat lid 1 niet van toepassing is voor zover verwerking nodig is voor het vervullen van een taak van algemeen belang.

4.4.

Uit artikel 17 van de AVG blijkt dat het recht op wissing is beperkt tot persoonsgegevens. De uitleg van het begrip ‘persoonsgegevens’ is dus bepalend voor de reikwijdte van het recht op wissing.

4.5.

Op grond van artikel 4 lid 1 van de AVG is een persoonsgegeven ‘alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon’. Door het HvJEU wordt een ruime uitleg aan het begrip ‘persoonsgegeven’ gegeven. Het HvJEU heeft overwogen dat het begrip persoonsgegeven niet beperkt is tot gevoelige of persoonlijke informatie maar zich potentieel uitstrekt tot elke soort informatie, zowel objectieve als subjectieve informatie onder de vorm van meningen of beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie de betrokkene betreft. Deze laatste voorwaarde is vervuld wanneer de informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een bepaalde persoon en waarmee die persoon redelijkerwijs identificeerbaar is voor een andere persoon (HvJEU 20 december 2017,
C-434/16, ECLI:EU:C:2017:994).

4.6.

Verder is relevant voor de beoordeling van het verzoek het arrest van het HvJEU van 17 juli 2014 (ECLI:EU:C:2014:2081). In deze zaak heeft het HvJEU – kort samengevat – overwogen dat een juridische analyse weliswaar persoonsgegevens kan bevatten, maar op zich niet een dergelijk gegeven vormt in de zin van artikel 2, sub a, van de Richtlijn bescherming persoonsgegevens. Anders dan de gegevens die de feitelijke basis kunnen vormen voor de juridische analyse, kan een dergelijke analyse zelf niet door de betrokkene worden gecontroleerd op de juistheid ervan en worden gerectificeerd. Daarop ziet de Richtlijn bescherming persoonsgegevens niet. In zijn arrest van 16 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:365) heeft de Hoge Raad – onder verwijzing naar de overwegingen van het HvJEU in dit arrest – overwogen dat de Richtlijn bescherming persoonsgegevens die door de Wbp is geïmplementeerd, de betrokkene in staat stelt te controleren of zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt, ter bescherming van het recht van betrokkene op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Die controle kan dan leiden tot rectificatie, uitwissing of afscherming van de gegevens. De vordering in die procedure was gericht op verkrijging van informatie ten behoeve van een gerechtelijke procedure en niet op het doel waartoe de Richtlijn bescherming persoonsgegevens strekt, zodat volgens de Hoge Raad geen sprake was van persoonsgegevens in de zin van de Richtlijn bescherming persoonsgegevens.

4.7.

Met toepassing van de hiervoor genoemde regels en rechtspraak oordeelt de rechtbank als volgt. Uit het hiervoor onder 4.6. genoemde arrest van het HvJEU volgt dat de juridische analyse naar aanleiding van persoonsgegevens niet kan worden gekwalificeerd als persoonsgegeven. Hoewel kan worden aangenomen dat de gepubliceerde beschikking persoonsgegevens van [verzoekster] kan bevatten (zie hierna onder 4.8.), kan de beschikking als zodanig gelet op de hiervoor onder 4.6. genoemde overwegingen van het HvJEU en de Hoge Raad niet als persoonsgegeven in de zin van artikel 4 lid 1 AVG worden gekwalificeerd. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de inhoud van de rechterlijke beslissing zich niet voor controle op de juistheid daarvan en voor correctie leent. De beschikking valt dus niet onder het toepassingsbereik van de AVG. Het verzoek tot verwijdering van de gehele beschikking van www.rechtspraak.nl zal reeds daarom worden afgewezen.

4.8.

Ook het verzoek van [verzoekster] om de gedeelten uit de gepubliceerde beschikking die zijn genoemd in productie 1e bij het herziene verzoekschrift, te verwijderen zal worden afgewezen. Daarvoor is het volgende redengevend. Voorop wordt gesteld dat in een rechterlijke beslissing persoonsgegevens in de zin van artikel 4 lid 1 AVG kunnen staan. In het hiervoor onder 4.6. genoemde arrest heeft het HvJEU immers overwogen dat de gegevens die de feitelijke basis vormen voor de juridische analyse persoonsgegevens in de zin van de Richtlijn persoonsgegevens kunnen zijn. De omstandigheid dat die feitelijke gegevens in een rechterlijke beslissing door de rechter worden vastgesteld conform de regels van het procesrecht maakt niet dat van persoonsgegevens geen sprake meer is.

4.9.

Het overgrote deel van de door [verzoekster] in productie 1e bij het herziene verzoekschrift genoemde gedeelten van de beschikking heeft geen betrekking op naar haar herleidbare gegevens, maar op overwegingen die de inhoud van de rechterlijke beslissing betreffen en waarmee [verzoekster] het kennelijk oneens is. Het verzoek om deze gedeelten van de beschikking te wissen strookt niet met het doel en de strekking van de AVG dat erin bestaat de bescherming van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer te waarborgen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (vgl. artikel 1 AVG). De AVG en het daarin geboden recht om onder bepaalde voorwaarden wissing van persoonsgegevens te verkrijgen is niet bedoeld om controle, rectificatie, wissing of afscherming van rechterlijke beslissingen mogelijk te maken. Het staat [verzoekster] vrij haar bezwaren tegen de betreffende overwegingen in de door haar ingestelde hoger beroepsprocedure naar voren te brengen.

4.10.

Op de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] gesteld dat de in de gepubliceerde beschikking onder de feiten opgenomen beschrijving van haar persoon naar haar herleidbaar is, omdat maar weinig AVG-juristen de daarin genoemde functies combineren. Deze omschrijving luidt:

“Verzoekster is een gepromoveerd jurist en sociaal-wetenschappelijk onderzoeker. Zij is als zelfstandig ondernemer werkzaam als docent, auteur en adviseur, met als specialisme het staats- en bestuursrecht, waaronder ook privacyrecht en openbaarheid van bestuur.”

De Staat heeft betwist dat een buitenstaander met deze beschrijving kan vaststellen dat de beschikking over [verzoekster] gaat. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de genoemde overweging in de beschikking relevant is voor de beoordeling of [verzoekster] een publiek figuur is en daarmee een essentieel onderdeel van de beschikking vormt.

4.11.

Voor zover [verzoekster] met de hiervoor genoemde overweging redelijkerwijs identificeerbaar is voor enig ander persoon, dan geldt dat [verzoekster] met een beroep op artikel 17 AVG geen wissing van de daarin genoemde gegevens kan verkrijgen, omdat het bepaalde in lid 3 onder b AVG van artikel 17 AVG daaraan in de weg staat. De rechtbank Den Haag voldoet namelijk met de publicatie van de beschikking aan haar verdragsrechtelijke en grondwettelijke taak dat rechterlijke uitspraken in het openbaar moeten plaatsvinden (artikel 6 lid 1 EVRM, artikel 14 lid 1 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 21 Gw en artikel 5 lid 1 Wet op de Rechterlijke Organisatie). [verzoekster] heeft hierdoor niet het in artikel 17 lid 1 AVG neergelegde recht op gegevenswissing ter beschikking.

4.12.

Het voorgaande neemt niet weg dat bij elke gegevensverwerking moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. overweging 39 AVG). De inbreuk op de belangen van de betrokkene mag niet onevenredig zijn aan het met de verwerking te dienen doel, en dit doel moet in redelijkheid niet op een ander, voor de betrokkene minder nadelige, wijze kunnen worden verwezenlijkt. Bij deze belangenafweging moeten de omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen (HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097).

4.13.

In dit geval heeft de rechtbank Den Haag na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot publicatie van de betreffende overweging mogen overgaan. De ratio van de verplichting om in het openbaar uitspraak te doen is volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de controle van de rechterlijke macht door het publiek en het waarborgen van het recht op een eerlijk proces. Publicatie van rechterlijke uitspraken via www.rechtspraak.nl is voor de hand liggend, omdat daarmee beslissingen voor een breed publiek worden openbaar gemaakt op een eenvoudige toegankelijke wijze. Het belang van [verzoekster] dat minder eenvoudig kennis van de beschikking wordt verkregen, weegt minder zwaar dan het maatschappelijk belang. Het met de gegevensverwerking en publicatie te dienen doel had niet op een voor [verzoekster] minder nadelige wijze kunnen worden verwezenlijkt. De beschikking is geanonimiseerd en gepubliceerd volgens de anonimiseringsrichtlijnen die gelden voor publicatie op rechtspraak.nl. Dat de rechtbank Den Haag tot verdergaande anonimisering dan deze richtlijn voorschrijft had moeten overgaan kan niet worden gezegd. Zoals de Staat heeft aangevoerd zijn de gegevens die in de overweging zijn opgenomen noodzakelijk voor de beantwoording van de rechtsvraag of [verzoekster] een publiek figuur is en daardoor meer dan de gemiddelde burger te dulden heeft met betrekking tot een inbreuk op haar recht op privacy. Daarbij komt dat [verzoekster] op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat tot nu toe niemand de beschikking naar haar heeft weten te herleiden. De conclusie is dan ook dat aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. De overige standpunten van partijen behoeven geen beoordeling meer.

4.14.

Het voorgaande betekent dat de verzoeken zullen worden afgewezen.

4.15.

[verzoekster] heeft onder verwijzing naar de beschikking van het gerechtshof Den Bosch van 1 februari 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:363) zich op het standpunt gesteld dat een proceskostenveroordeling in strijd is met het Europees recht. In dit arrest heeft het hof (samengevat) afgezien van een proceskostenveroordeling van de verzoeker die gebruik maakte van zijn rechten in het kader van de Wbp (oud) en de Richtlijn bescherming persoonsgegevens, omdat dat mede gelet op de omvang van die kosten als belemmerend en dus in strijd met artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) werd gezien. In artikel 47 van het Handvest is bepaald dat eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel genoemde voorwaarden.

4.16.

Naar het oordeel van de rechtbank vormt de kans op een proceskostenveroordeling in het kader van een verzoek op basis van de AVG op zichzelf niet een belemmering van het in artikel 47 Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Voor zover een dergelijke belemmering al kan worden aangenomen, is het arrest van het HvJEU van 27 september 2017 (C-73/16, ECLI:EU:C:2017:725) van belang waarin onder meer is overwogen dat het lidstaten in beginsel weliswaar vrij staat om een passende vergoeding voor de instelling van beroep voor een bestuurlijke instantie vast te stellen, maar die vergoeding niet op een niveau mag liggen waardoor zij de uitoefening van het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte kan belemmeren. In dit geval is door het stelsel van forfaitaire proceskosten sprake van een passende vergoeding en zijn aan deze rechtsgang geen buitensporige hoge kosten verbonden. Daardoor bestaat geen aanleiding om op grond van artikel 47 Handvest van een proceskostenveroordeling af te zien.

4.17.

Gelet op het voorgaande zal [verzoekster] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden tot op heden begroot op:

- griffierecht € 639

- salaris advocaat € 1.086 (2 punten × tarief € 543)

totaal € 1.725

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de verzoeken af,

5.2.

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.725,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C.H. Broesterhuizen en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2020.