Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2093

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
C/13/679915 / KG ZA 20-150
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming afgewezen. De zoon dient de kans te krijgen om verzoek medehuurderschap op grond van artikel 7:267 lid 1 BW na beëindiging samenleving vader en zoon aan bodemrechter voor te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/679915 / KG ZA 20-150 MDvH/MvG

Vonnis in kort geding van 27 maart 2020

in de zaak van

1. de stichting

[eiseres 1] ,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van

[vader] ,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen in conventie bij dagvaarding van 21 februari 2020,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. H.C. Bollekamp te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.F.M. Kappé te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres 1] , de bewindvoerder, en [gedaagde] . worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Op de mondelinge behandeling van 13 maart 2020 hebben [eiseres 1] en de bewindvoerder de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] . heeft verweer gevoerd en een tegenvordering ingediend. [eiseres 1] en de bewindvoerder hebben de tegenvordering bestreden. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en hun standpunten tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht. Vonnis is bepaald op heden.
Ter zitting waren aanwezig:

Aan de kant van [eiseres 1] en de bewindvoerder: [medewerker bewindvoerder] en [medewerker bewindvoerder] , beiden werkzaam voor de bewindvoerder, met mr. Bollekamp;

[gedaagde] . met mr. Kappé.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] . is 52 jaar oud en de zoon van [vader] (hierna: [vader] ). Bij beschikking van 14 oktober 2011 van deze rechtbank zijn de goederen van [vader] onder bewind gesteld, met benoeming van E. Goedhart tot bewindvoerder. Bij beschikking van 2 april 2014 van deze rechtbank is [bewindvoerder] (de bewindvoerder) als opvolgend bewindvoerder van [vader] benoemd.

2.2.

[eiseres 1] is de eigenaar van de woning aan [adres] te Amsterdam (hierna: de woning), waar [vader] op basis van een huurovereenkomst met [eiseres 1] tot 15 december 2019 heeft gewoond. Die dag is hij verhuisd naar verzorgingstehuis [verzorgingstehuis] in Amsterdam. [gedaagde] ., die (in ieder geval) sinds 2004 bij [vader] inwoonde, is in de woning achtergebleven.

2.3.

In verband met de opname van [vader] in [verzorgingstehuis] heeft de bewindvoerder met een e-mail van 30 december 2019 de huurovereenkomst van de woning opgezegd per 1 februari 2020. Zij heeft dit gedaan op verzoek van de zus van [gedaagde] ., maar zonder overleg met of bericht daarover aan [gedaagde] .

2.4.

Bij brief van 18 januari 2020 heeft [gedaagde] . [eiseres 1] verzocht om de huurovereenkomst met hem als hoofdhuurder voort te zetten, omdat hij lange tijd met [vader] in de woning heeft gewoond en zij een duurzame relatie hadden.

2.5.

Bij bief van 29 januari 2020 van haar advocaat heeft [eiseres 1] [gedaagde] . meegedeeld niet in te gaan op zijn verzoek, omdat de huurovereenkomst reeds was opgezegd en [gedaagde] . en [vader] geen gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. [gedaagde] . is aangezegd de woning uiterlijk 1 februari 2020 te ontruimen. [gedaagde] . heeft hieraan geen gehoor gegeven.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres 1] en de bewindvoerder vorderen samengevat - [gedaagde] . te veroordelen:

I. om de woning binnen twee dagen na betekening van dit vonnis met de daarin aanwezige personen en goederen te verlaten en ontruimen, met machtiging de ontruiming op zijn kosten te bewerkstelligen en met behulp van politie en justitie;

II. tot betaling van een bedrag van € 490,70 per maand na 1 februari 2020 tot aan de dag van de ontruiming;

III. in de proceskosten.

3.2.

[eiseres 1] heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Het verzoek tot medehuurderschap is niet mede door of namens de bewindvoerder (lees: [vader] ) gedaan. [gedaagde] . en [vader] hebben bovendien geen duurzame gemeenschappelijke huishouding gevoerd. De huurovereenkomst is door de bewindvoerder per 1 februari 2020 opgezegd, zodat [gedaagde] . zonder recht of titel in de woning verblijft.

3.3.

[gedaagde] . heeft – kort weergegeven – het volgende verweer gevoerd. Hij en [vader] hebben een duurzame gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Hij zorgde voor zijn vader. Hij deed voor zijn vader de boodschappen en kookte voor hem. Verder werd gekort op zijn bijstandsuitkering, omdat hij door de gemeente als kostendelende medebewoner werd beschouwd. Hem moet daarom de gelegenheid worden gegeven om in een bodemprocedure een verzoek te doen op grond van artikel 7:267 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] . vordert – in lijn met zijn verweer in conventie, samengevat – op straffe van verbeurte van een dwangsom de bewindvoerder te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis aan de verhuurder van de woning namens [gedaagde] . te verzoeken om hem als medehuurder van de woning te aanvaarden, met veroordeling van eiseressen in de proces- en nakosten.

4.2.

De bewindvoerder voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

Vanwege de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.

5.2.

In een kort geding is een vordering tot ontruiming slechts toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering tot ontruiming eveneens zal toewijzen en indien van de eisende partij niet kan worden gevergd dat deze de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

5.3.

Op grond van artikel 7:267 lid 1 BW kan een persoon die in een woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, medehuurder van die woonruimte worden door met de huurder een gezamenlijk verzoek daartoe te doen bij de verhuurder. Een verzoek tot medehuurderschap kan ook nog na het eindigen van de samenwoning worden gedaan, mits het zo spoedig na die beëindiging is gedaan als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden gevergd (zie HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2193). Als de verhuurder niet binnen drie maanden schriftelijk instemt met het verzoek, kunnen de huurder en die andere persoon gezamenlijk verzoeken dat de rechter zal bepalen dat deze persoon medehuurder zal zijn. De ratio van artikel 7:267 BW is om aan de medebewoner bescherming te verlenen voor het geval de huurovereenkomst ten aanzien van de huurder eindigt.

5.4.

Artikel 7:267 BW vereist dus een gezamenlijk verzoek aan de verhuurder/kantonrechter van de huurder en de samenwoner die als medehuurder wenst te worden erkend. Hoewel dit artikel een bepaling van dwingend recht is, heeft de Hoge Raad bepaald dat de eisen van de goede trouw eraan in de weg kunnen staan dat de huurder wiens huisgenote zonder zijn medewerking een erkenning als medehuurster van de verhuurder heeft verkregen, zich jegens die huisgenote op het ontbreken van die medewerking kan beroepen (HR 13 november 1987, NJ 1988, 254). De Hoge Raad heeft opgemerkt dat aan aanvaarding van een zodanige strijd met de goede trouw zware eisen moeten worden gesteld.

5.5.

[vader] en [gedaagde] . hebben van 2004 tot halverwege december 2019 samen in de woning gewoond. Zij hebben in deze periode geen verzoek op grond van 7:267 BW ingediend, hetgeen op zich begrijpelijk is, omdat ‘gewone mensen’ waarschijnlijk niet van deze mogelijkheid op de hoogte zijn en pas juridisch advies zullen inwinnen als de samenwoning (op korte termijn) eindigt of al is geëindigd (zie de noot van mr. J.L.R.A. Huydecoper in NJ 2016/27 bij het onder 5.3. genoemde arrest). In verband met zijn opname in de [verzorgingstehuis] heeft [vader] de woning in december 2019 definitief verlaten. De bewindvoerder, die ervan op de hoogte was dat [gedaagde] . in de woning woonde maar geen contact met hem had, heeft op verzoek van de zus van [gedaagde] ., die – zo heeft [gedaagde] . verklaard – met hem in onmin leeft, de huurovereenkomst met [eiseres 1] opgezegd. Zij heeft dit niet met [gedaagde] . overlegd noch aan hem meegedeeld. Het is aannemelijk dat, zoals [gedaagde] . stelt, [vader] had gewild, als hij daarvan op de hoogte was geweest, dat eerst een gezamenlijk verzoek bij [eiseres 1] was ingediend om [gedaagde] . als medehuurder aan te merken.

5.6.

[gedaagde] . heeft het verzoek tot medehuurderschap weliswaar gedaan na de opzegging van de huurovereenkomst door de bewindvoerder, maar voordat de huurovereenkomst als gevolg van de opzegging was geëindigd. Anders dan in bovengemeld arrest van de Hoge Raad, beroept in deze kwestie de verhuurder zich erop dat het verzoek alleen door [gedaagde] . is gedaan en niet mede door of namens de bewindvoerder (lees ook: [vader] ). Gelet op de ratio van artikel 7:267 BW is het niet uitgesloten dat de bodemrechter – na een nader onderzoek naar de feiten en in het bijzonder ook de wens van [vader] – naar analogie van het onder 5.4. genoemde arrest zal oordelen dat de eisen van de goede trouw in de onder 5.5. genoemde omstandigheden eraan in de weg staan dat door [eiseres 1] aan [gedaagde] . het ontbreken van een gezamenlijk verzoek wordt tegengeworpen. Bijvoorbeeld indien verder aan alle vereisten voor het verkrijgen van het medehuurderschap is voldaan en komt vast te staan dat, wanneer [gedaagde] . in een eerder stadium wel een gezamenlijk verzoek had ingediend, hem dat medehuurderschap niet had kunnen worden ontzegd (vgl. ktr. Utrecht 7 september 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BS1410).

5.7.

Een duurzame gemeenschappelijke huishouding is een van de vereisten om op grond van 7:267 BW medehuurder te kunnen worden. Voor de beantwoording van de vraag of een duurzame gemeenschappelijke huishouding bestaat, zijn volgens vaste jurisprudentie zowel objectieve en subjectieve factoren, zoals de bedoeling van betrokkenen, van belang. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van een kind en een ouder na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding, ook indien het gaat om een volwassen kind dat, na te zijn uitgevlogen, terugkeert naar de ouderlijke woning. Daarbij kan mede betekenis toekomen aan het ontbreken van wederkerigheid in de relatie tussen ouder en kind. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten verder alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd zoals het feitelijk gebruik van het gehuurde door de huurder en de medebewoner, alsmede de omstandigheid dat zij al dan niet (i) gezamenlijk voorzien in de kosten van huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, (ii) gezamenlijk (of op grond van een afgesproken verdeling) huishoudelijke taken verrichten, (iii) gezamenlijk de maaltijden bereiden of gebruiken, (iv) gezamenlijk invulling geven aan vrije tijd en (v) gezamenlijk deelnemen aan het sociaal verkeer (vgl. Gerechtshof Amsterdam 10 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4413, r.o. 3.5.) .

5.8.

In het kader van dit kort geding kan niet worden vooruitgelopen op de vraag of tussen [gedaagde] . en [vader] sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Een en ander vergt een nader onderzoek naar de feiten waarvoor dit kort geding zich niet leent.

5.9.

Op grond van bovenstaande kan niet worden uitgesloten dat [gedaagde] . in een bodemprocedure, die hij op korte termijn aanhangig dient te maken, nog met succes een verzoek tot medehuurderschap kan doen. Het is dan ook niet voldoende aannemelijk dat de bodemrechter de vordering tot ontruiming zal toewijzen.

5.10.

Tevens kan van [eiseres 1] worden gevergd dat zij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht. Het woonbelang van [gedaagde] . legt meer gewicht in de schaal, zeker gelet op de huidige omstandigheden, dan het financiële belang van [eiseres 1] om de woning na ontruiming tegen een hogere huurprijs te kunnen verhuren.

5.11.

De conclusie van bovenstaande is dat de vordering tot ontruiming wordt afgewezen.

5.12.

[eiseres 1] vordert ook betaling van een bedrag van € 490,70 per maand tot aan de datum van de daadwerkelijke ontruiming. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] . niet tijdig heeft betaald of dat tijdige betaling in de toekomst een probleem zal zijn. Deze vordering zal daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen.

5.13.

De vordering van [gedaagde] . de bewindvoerder te veroordelen om aan [eiseres 1] te verzoeken hem als medehuurder van de woning te aanvaarden, wordt afgewezen. Een dergelijk verzoek zal immers toch door [eiseres 1] worden afgewezen. Haar standpunt is bekend; zij wil [gedaagde] . uit de woning, zodat zij die na ontruiming door [gedaagde] . tegen een hogere huurprijs kan verhuren.

5.14.

Bovendien, zoals hierboven is geoordeeld, is het aan de bodemrechter om op grond van de feitelijke gang van zaken te beoordelen of [gedaagde] . nog (mede)huurder van de woning kan worden.

5.15.

[eiseres 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie in de proces- en nakosten van [gedaagde] . worden veroordeeld. Het komt de voorzieningenrechter niet geraden voor om ook de bewindvoerder in de proceskosten van [gedaagde] . te veroordelen, omdat die feitelijk dan (deels) door [vader] moeten worden betaald.

5.16.

De vordering van [gedaagde] . in reconventie is alleen ingesteld tegen de bewindvoerder. Zoals hierboven vermeld is een proceskostenveroordeling tussen hen niet wenselijk. De proceskosten in reconventie zullen daarom worden verrekend, in die zin dat [gedaagde] . en de bewindvoerder ieder de eigen kosten dragen.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

In conventie

6.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

6.2.

veroordeelt [eiseres 1] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] ., tot op heden begroot op € 83,00 aan griffierecht en € 980,00 aan advocaatkosten,

6.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

6.4.

weigert de gevraagde voorziening,

6.5.

verrekent de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2020.1

1 type: MvG coll: JE