Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2075

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
13/669055-19
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft meer dan 2 kilo cocaïne aanwezig gehad en geprobeerd twee politieagenten om te kopen. In plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf krijgt hij een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669055-19 (Promis)

Datum uitspraak: 25 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.M. van den Berg, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B. Hartman, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij zich op 21 mei 2019 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:

1. het opzettelijk aanwezig hebben van 2.033,75 gram cocaïne;

2. een poging tot omkoping van agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte, gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht beide feiten bewezen. Gezien de standpunten van de officier van justitie en de raadsman behoeft dit oordeel geen verdere motivering.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1. op 21 mei 2019 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 2.033,75 gram cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2. op 21 mei 2019 te Amsterdam de ambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , hoofdagenten van politie, een belofte heeft gedaan met het oogmerk om die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , in hun bediening, te bewegen iets na te laten, opzettelijk, nadat die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hem, verdachte, hadden gevraagd of zij in zijn auto mochten kijken meermalen tegen die [verbalisant 1] heeft gezegd “ik geef je 50.000 euro als je nu weggaat” en tegen die [verbalisant 2] heeft gezegd “ik geef jou ook 50.000 als jullie weggaan”.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om verdachte een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden op te leggen, met de eerder door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Ter terechtzitting heeft de raadsman een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2020 overhandigd, waaruit blijkt dat voornoemde straffen opgelegd zijn aan iemand die 2.380 gram cocaïne aanwezig had en - anders dan verdachte - eerder wegens de Opiumwet veroordeeld was.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft meer dan 2 kilogram cocaïne aanwezig gehad en hij heeft geprobeerd twee politieagenten om te kopen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs grote gevaren voor de gezondheid van gebruikers ervan kunnen opleveren en dat de handel in harddrugs gepaard gaat met overlast in de samenleving en andere vormen van ernstige criminaliteit. Verdachte heeft zich laten verleiden door het aanbod om snel geld te verdienen en zich kennelijk niet bekommerd om de gevolgen voor de gezondheid van gebruikers en de samenleving.

Ook de poging tot omkoping van politieagenten is een ernstig feit. Daarmee wordt een behoorlijke uitvoering van overheidstaken belemmerd en bovendien levert dit een bedreiging op voor de integriteit van het ambtenarenapparaat. Wel vindt de rechtbank het aannemelijk dat verdachte in paniek de geldbedragen van € 50.000,- of € 100.000,- aan de politieagenten heeft aangeboden en hij deze bedragen niet daadwerkelijk tot zijn beschikking had.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 februari 2020. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld is.

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de zogenoemde oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) van de hoven en de rechtbanken. Deze oriëntatiepunten dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Voor het aanwezig hebben van 2 tot 3 kilogram harddrugs geldt, indien de verdachte een zogeheten first offender is, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden als uitgangspunt.

Daar komt de poging tot omkoping nog bij, dus een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou zonder meer op zijn plaats zijn. De rechtbank is echter - gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte - van oordeel dat de maatschappelijke winst groter is als verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgt. De rechtbank zal daarom afwijken van de eis van de officier van justitie. Wel vindt de rechtbank het van groot belang dat verdachte een forse stok achter de deur heeft, om hem ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan.


De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op het voortgangsverslag van de reclassering van 28 februari 2020. Op 9 december 2019 was verdachte, zonder tegenbericht, niet op de afspraak verschenen. Dit was opvallend, omdat verdachte afsprakentrouw was. De reclassering heeft geprobeerd verdachte telefonisch te bereiken, maar hij was onbereikbaar. De vader van verdachte gaf aan dat verdachte ondergedoken zat nadat hij slachtoffer was geworden van een steekpartij. Op 16 december 2019 heeft de toezichthouder contact gehad met verdachte. Verdachte bevestigde hetgeen zijn vader vertelde en zei tweemaal in zijn rug gestoken te zijn, wegens een schuld van € 60.000,- in het criminele milieu. Een dag later nam verdachte in paniek contact op met de reclassering. Hij vertelde dat in de nacht van 16 op 17 december 2019 zijn woning was beschoten. Hoewel er niemand in de woning aanwezig was, sloeg de paniek toe bij verdachte. Hij was zeer angstig en durfde zich, totdat de schuld afbetaald was, niet te vertonen in Amsterdam. In het kader van de meldplicht heeft de reclassering verdachte op 13 januari en 13 februari 2020 telefonisch gesproken. Verdachte gaf aan dat de schuld inmiddels betaald was, waardoor hij geen dreiging meer ervaart. De politie heeft aangegeven geen inschatting te kunnen maken van het dreigingsniveau, omdat zij verdachte niet gesproken hebben. Als gevolg van de actuele dreiging en het waarborgen van de veiligheid van alle betrokkenen, is de reclassering van mening dat het reclasseringstoezicht niet uitvoerbaar is. Om deze reden adviseert de reclassering een geheel (on)voorwaardelijke straf op te leggen.

Gelet op het advies van de reclassering kan de rechtbank niet anders dan het verzoek van de raadsman, om alsnog bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen, afwijzen.

Op grond van de informatie van de reclassering en hetgeen door verdachte en zijn raadsman is toegelicht ter terechtzitting vindt de rechtbank het aannemelijk dat het handelen van verdachte een eenmalige actie is geweest waar hij nadrukkelijk afstand van heeft genomen. Ook vindt de rechtbank het aannemelijk dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen, door met behulp van zijn vader zijn criminele schuld af te lossen en hard te werken om de schuld bij zijn vader in te lossen. Alles afwegend vindt de rechtbank daarom, in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf van 240 uren met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren passend.

8 Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:

1.00

STK Zaktelefoon Kl:Zwart

BQ

5754090

De telefoon zal worden onttrokken aan het verkeer. Uit het dossier blijkt dat een strafbaar feit is gepleegd, namelijk het aanwezig hebben van cocaïne. Encryptietelefoons kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met het algemeen belang, nu dit type telefoon veelal gebruikt wordt in het criminele circuit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d, 57, 63 en 177 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren, met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Veroordeelt verdachte daarnaast tot een gevangenisstraf van 4 maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beslag

Het volgende inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp wordt onttrokken aan het verkeer:

1.00

STK Zaktelefoon Kl:Zwart

BQ

5754090

Voorlopige hechtenis

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.G.C. Groenendaal, voorzitter,

mrs. B. Vogel en C. van Eck, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.J.M. van der Hooft, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 maart 2020.

[...]