Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2060

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
13/751016-20
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Ardicverweer. Detentieomstandigheden. Overlevering aan Polen toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751016-20

RK nummer: 20/194

Datum uitspraak: 17 maart 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 januari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 17 december 2019 door the District Court of Lublin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboortelplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [plaats detentie],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 3 maart 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon heeft op 18 februari 2020 afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn en is vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. E.B. Jobse, advocaat te Rotterdam.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een judgement of the Provincial Court of Chelm van 14 maart 2012, referentienummer VII K 27/10. De opgeëiste persoon is bij dit vonnis veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar en negen maanden. Bij beslissing van 21 januari 2015 van de Provincial Court of Chelm is de tenuitvoerlegging van deze straf bevolen.

In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en negen maanden door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, zes maanden en 25 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de zaak aan te houden om aanvullende vragen te stellen aan de Poolse justitiële autoriteiten over de beslissing tot tenuitvoerlegging van 21 januari 2015. Het is niet duidelijk waarom de tenuitvoerlegging is gelast. De opgeëiste persoon is bij die zitting niet aanwezig geweest.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Blijkens het EAB is de opgeëiste persoon verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis van 14 maart 2012 heeft geleid. Mede gelet op het vertrouwensbeginsel heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze mededeling.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing kan zijn ten aanzien van de beslissing waarbij de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf is gelast, volgt de rechtbank hem daarin niet. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) heeft in een uitspraak van 22 december 2017 C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026, Ardic) bepaald dat beslissingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf niet onder de reikwijdte van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ vallen, voor zover noch de aard noch de maat van de aanvankelijk uitgesproken straf is gewijzigd. Van een dergelijke wijziging van de aanvankelijk uitgesproken straf is in deze zaak niet gebleken. De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding af.

4 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Ten aanzien van feit I

medeplegen van mishandeling;

Ten aanzien van feit II

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5 Detentieomstandigheden

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in Polen aan de overlevering in de weg staan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de raadsman niet aannemelijk heeft gemaakt dat er reden is voor zorg over de detentieomstandigheden in Poolse gevangenissen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de raadsman zijn standpunt niet heeft onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie strijdige situatie. De detentieomstandigheden vormen dan ook geen beletsel voor overlevering.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47, 285 en 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Lublin (Polen).


Aldus gedaan door

mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en J.G. Vegter, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 17 maart 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.