Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2038

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
C/13/678286 / KG ZA 20-29
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

KG bewijsbeslag gelegd ten laste van 2 ex-werknemers die worden beschuldigd van onrechtmatige concurrentie. Vordering tot inzage in bewijsmateriaal toegewezen o.g.v. artikel 843a RV. Overige vorderingen afgewezen omdat die te prematuur zijn ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

Vonnis in kort geding van 26 maart 2020

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/678286 / KG ZA 20-29 MDvH/MV (hierna zaak 1) van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf] ,

gevestigd te Amsterdam,

2. [naam 1],

wonende te Diemen,

3. [naam 2],

wonende te Utrecht,

eisers bij conceptdagvaarding van 21 februari 2020,

advocaten mr. J. Smael en mr. S.A.H.J. Warringa te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VERIZON CONNECT NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam ,

gedaagde, vrijwillig verschenen,

advocaten mr. C.S.M. van Triest, mr. N.W. Mulder en mr. S. Zwartenkot te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/678789 / KG ZA 20-63 MDvH/MV (hierna zaak 2) van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VERIZON CONNECT NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap naar vreemd recht

VERIZON CONNECT GERMANY GMBH,

gevestigd te Berlijn (Duitsland) ,

eiseressen in conventie bij dagvaarding van 27 januari 2020,

verweersters in reconventie,

advocaten mr. C.S.M. van Triest, mr. N.W. Mulder en mr. S. Zwartenkot te Amsterdam,

tegen

1 [naam 1] ,

wonende te Diemen,

2. [naam 2],

wonende te Utrecht,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf] ,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. N. de Jongh-Ruyters en mr. A.L.W. Schalekamp te Breda.

Partijen zullen hierna ook [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] , Verizon NL en Verizon DE worden genoemd. Verizon NL en Verizon DE zullen samen ook Verizon worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 2 maart 2020 zijn beide zaken gelijktijdig behandeld. In zaak 1 hebben [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] de dagvaarding toegelicht en heeft Verizon NL verweer gevoerd. In zaak 2 hebben Verizon NL en Verizon DE de dagvaarding toegelicht en hebben [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] verweer gevoerd. In zaak 2 hebben [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] een vordering in reconventie ingesteld, waartegen Verizon verweer heeft gevoerd.
Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
- [naam 1] en [naam 2] met mr. Smael, mr. Warringa, mr. De Jongh-Ruyters en mr. Schalekamp;

-K. Ozeeralley (legal director bij Verizon) met mr. Van Triest, mr. Mulder en mr. Zwartenkot.

1.2.

Na verder debat is vonnis bepaald op 16 maart 2020, waarbij partijen tot 4 maart 2020 de gelegenheid is gegeven hun geschillen in onderling overleg op te lossen. Nadien hebben partijen verzocht deze termijn te verlengen. De voorzieningenrechter is bij e-mail van 9 maart 2020 van mr. Zwartenkot verzocht in beide zaken vonnis te wijzen. In die e-mail is tevens opgenomen dat Verizon NL de ten laste van [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] gelegde verhaalsbeslagen zal opheffen. Bij e-mail van 11 maart 2020 heeft de griffier de raadslieden van partijen ervan in kennis gesteld dat op 26 maart 2020 vonnis wordt gewezen. Nadien heeft mr. Warringa in zaak 1 de primaire vorderingen I., II. en III ingetrokken, alsmede de subsidiaire vorderingen I., II. en III. (zoals opgenomen in de dagvaarding). Ook heeft hij de ter zitting ingediende (handgeschreven) akte vermeerdering van eis (die betrekking had op opheffing van het beslag op het woonhuis van [naam 1] ) ingetrokken.

1.3.

Omdat de producties 15b en 23b volgens Verizon bedrijfsgeheime informatie bevatten, heeft zij deze producties niet aan [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] betekend. Verizon heeft de desbetreffende producties ter griffe gedeponeerd, alwaar zij voorafgaand aan de mondelinge behandeling van dit kort geding zijn ingezien door [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] .

2 De feiten in beide zaken

2.1.

Verizon NL en Verizon DE zijn dochtervennootschappen van Verizon Communications Inc., een Amerikaans telecommunicatieconcern. Verizon NL en Verizon DE houden zich bezig met het ontwikkelen, produceren en uitgeven van GPS tracking software, die tot doel heeft de productiviteit in onder meer de vervoerssector te verbeteren. Verizon NL bedient de markt in de Benelux. Verizon DE bedient de Duitse markt.

2.2.

Op 7 april 2014 is [naam 1] in dienst getreden bij Fleetmatics UK Limited. Vanaf februari 2016 was hij werkzaam voor Fleetmatics Nederland B.V., het huidige Verizon NL (sinds 6 maart 2018). In zijn arbeidsovereenkomst zijn bepalingen opgenomen over vertrouwelijkheid (‘confidentiality’) alsmede een aantal Post Termination Obligations (artikel 21) en bepalingen over Other Business Interests (artikel 22).

2.3.

Op 13 oktober 2014 is [naam 2] in dienst getreden bij Fleetmatics Nederland B.V. Op 1 maart 2017 is hij in dienst getreden bij TrackEasy GmbH, het huidige Verizon DE. In zijn arbeidsovereenkomst zijn bepalingen opgenomen over vertrouwelijkheid (‘confidentiality’). Blijkens de brief van TrackEasy GmbH van 13 december 2017 is het dienstverband met [naam 2] geëindigd op 31 december 2017.

2.4.

Op 11 april 2018 hebben [naam 1] en Verizon NL een beëindigings-overeenkomst gesloten. Hierin is opgenomen dat het dienstverband eindigt per 30 juni 2018. Tevens is hierin finale kwijting overeengekomen (“Neither party is aware of any further claims which needs to be addressed, after the Termination Date both parties don’t have any further obligations to each other”).

2.5.

[naam 1] is met ingang van 12 april 2018 vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden (‘Garden Leave’).

2.6.

Op 12 april 2018 is [bedrijf] opgericht. [naam 1] en [naam 2] zijn beiden bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf] . [bedrijf] verricht dezelfde activiteiten als Verizon.

2.7.

Bij brief van 30 mei 2018 van Verizon NL met als onderwerp “(potential) breach of contractual obligations” is [naam 1] onder meer meegedeeld dat hij door het hebben van een leidende positie binnen [bedrijf] de artikelen 21 en 22 van zijn arbeidsovereenkomst schendt. [naam 1] is – kort gezegd – gesommeerd schending van die artikelen te staken. [naam 1] heeft niet gereageerd op de brief van 30 mei 2018.

2.8.

Bij brief van 29 juni 2018 heeft de (toenmalige) advocaat van Verizon NL de sommatie aan het adres van [naam 1] herhaald.

2.9.

Bij brief van 2 juli 2018 heeft [naam 1] zich beroepen op de overeengekomen finale kwijting en Verizon NL gewezen op de onder 2.4 geciteerde bepaling in de beëindigingsovereenkomst van 11 april 2018. Volgens [naam 1] kan Verizon NL zich gezien die bepaling niet beroepen op schending van de artikelen 21 en 22 van de arbeidsovereenkomst. Tevens heeft [naam 1] Verizon NL verzocht een bedrag van € 24.587,73 te betalen. Dit bedrag bestond onder meer uit commissies, vakantiegeld en een kostenvergoeding.

2.10.

Bij brief van 12 juli 2018 heeft de advocaat van Verizon NL bestreden dat [naam 1] een beroep kan doen op de onder 2.4 geciteerde bepaling en geconstateerd dat [naam 1] nog immer in strijd handelt met de bepalingen in de arbeidsovereenkomst. Volgens de brief wordt uitbetaling van het bedrag dat [naam 1] tegoed heeft opgeschort en wordt van dat bedrag hoe dan ook een boete van € 5.000,- afgetrokken vanwege schending van de postcontractuele verplichtingen.

2.11.

Bij brief van 15 november 2018 heeft de advocaat van Verizon NL aan [naam 1] het aanbod gedaan € 7.294,- te betalen “as a final settlement”, “Although, in the last couple of months my client has received various signals that again you have acted in breach of your contractual restrictions”.

2.12.

Nadien is verder tussen [naam 1] en Verizon NL gecorrespondeerd. Dit heeft geleid tot een e-mail van 6 maart 2019 van [naam 1] waarin hij heeft becijferd welk bedrag hij volgens hem nog tegoed heeft van Verizon NL. In deze e-mail is opgenomen: “So the total amount payable from Verizon Connect Netherlands towards [naam 1] is €30,256.56. According to the termination agreement signed on 11-04-2018 the competition clauses are not valid anymore, so the € 5.000 withold towards me is not valid either”.
In een e-mail van de advocaat van Verizon NL van 11 maart 2019 is vervolgens opgenomen “my client is willing to pay you a gross amount of EUR 30,256.56, provided that any and all claims are discharged and no further costs will be compensated.” Een en ander is vastgelegd in een op 12 maart 2019 ondertekende vaststellingsovereenkomst. In artikel 5.1 van deze overeenkomst is onder meer opgenomen:
With due observance of the above, the Parties grant each other full and final discharge with regard to the employment contract and/or its termination, the Termination Agreement and anything directly or indirectly arising therefrom. (…)”.

2.13.

In april 2019 is Verizon een intern onderzoek gestart naar [bedrijf] en naar het e-mailverkeer van [naam 1] en [naam 2] gedurende hun dienstverband bij Verizon. Verizon heeft dit gedaan omdat zij – naar eigen zeggen – verschillende verontrustende berichten ontving van haar klanten die zouden zijn benaderd door en overgestapt naar [bedrijf] . Uit dit onderzoek is gebleken dat zowel [naam 1] als [naam 2] tal van documenten van Verizon naar hun privé e-mailadres hebben gezonden.

2.14.

Op 29 november 2019 hebben Verizon NL en Verizon DE verlof gevraagd bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank om ten laste van [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] conservatoir bewijsbeslag te leggen en een gerechtelijk bewaarder aan te stellen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat [naam 1] en [naam 2] hun geheimhoudings- en non-concurrentiebedingen hebben geschonden, dat sprake is van onrechtmatige werknemersconcurrentie en van auteursrechtinbreuk, en dat op onrechtmatige wijze bedrijfsgeheimen zijn verkregen en gebruikt. Op 2 december 2019 is het verlof verleend. DigiJuris B.V. is als gerechtelijk bewaarder aangewezen. Bepaald is dat de eis in de hoofdzaak binnen 28 dagen na de eerste beslaglegging moet worden ingesteld.

2.15.

Op 12 december 2019 heeft Verizon NL verlof gevraagd bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank om ten laste van [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] conservatoir beslag te leggen tot afgifte ter vernietiging van roerende zaken en een gerechtelijk bewaarder aan te stellen. Op 13 december 2019 is het verlof verleend. DigiJuris B.V. is als gerechtelijk bewaarder aangewezen. Bepaald is dat de eis in de hoofdzaak binnen 28 dagen na de eerste beslaglegging moet worden ingesteld.

2.16.

Eveneens op 12 december 2019 heeft Verizon NL verlof gevraagd bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank om ten laste van [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] conservatoir verhaalsbeslag te leggen op onroerende zaken (de woonhuizen van [naam 1] en [naam 2] ), onder derden (banken en klanten van [bedrijf] ) en op de aandelen van [naam 1] en [naam 2] in [bedrijf] . Op 13 december 2019 is het verlof verleend. De vordering is hierbij, inclusief rente en kosten, begroot op € 200.000,-. Bepaald is dat de eis in de hoofdzaak binnen 28 dagen na de eerste beslaglegging moet worden ingesteld.

2.17.

Op 16 en 23 december 2019 en op 7 januari 2020 heeft de deurwaarder de onder 2.14 en 2.15 genoemde beslagen gelegd. Deze beslagen hebben doel getroffen. De deurwaarder heeft de in beslag genomen bestanden in bewaring gegeven aan de gerechtelijk bewaarder.

2.18.

Bij brief van 8 januari 2020 van de advocaten van Verizon zijn [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] onder meer gesommeerd elk onrechtmatig handelen te staken en te gedogen dat (de advocaat van) Verizon per direct onbeperkt inzage krijgt in en gebruik kan laten maken van de in beslag genomen informatie. Aan de sommatie tot het verlenen van inzage is niet voldaan.

2.19.

Bij beschikking van 9 januari 2020 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is de termijn voor het instellen van de hoofdzaak, als bedoeld in 2.14, 2.15 en 2.16 van dit vonnis, met veertien dagen verlengd.

3 Het geschil


In zaak 1:

3.1.

[bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] vorderen – kort gezegd – het volgende:
1. opheffing van de conservatoire verhaalsbeslagen (de beslagen onder derden, op de woonhuizen van [naam 1] en [naam 2] en op hun aandelen in [bedrijf] );
2. Verizon NL op straffe van dwangsommen te verbieden opnieuw beslag te leggen; en
3. Verizon NL te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
Uit de na de mondelinge behandeling gevoerde e-mailcorrespondentie tussen (onder meer) mr. Warringa en de griffier volgt dat vordering 1 (in de dagvaarding onderverdeeld in vordering I., II., en III.) is ingetrokken.

3.2.

Verizon NL heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In zaak 2:

In conventie

3.4.

Verizon NL en Verizon DE vorderen – kort gezegd – het volgende:
I. [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] te bevelen iedere schending van de bedrijfsgeheimen van Verizon te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder het openbaar maken en het verspreiden daarvan;
II. [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] te bevelen iedere inbreuk op de auteursrechten van Verizon te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder het verveelvoudigen en openbaar maken van auteursrechtelijk beschermde documenten;
III. aan de onder I. en II. genoemde bevelen een dwangsom te verbinden;
IV. [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] en/of de gerechtelijk bewaarder te bevelen Verizon inzage te geven in de in beslag genomen bewijsmiddelen en Verizon toe te staan daarvan afschriften te maken, een en ander op straffe van dwangsommen;
V. [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] te gebieden om alle documenten die zijn genoemd in het overzicht van beslagen documenten (producties 15a en 23a) aan Verizon ter vernietiging af te geven;
VI. [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] te gebieden om alle auteursrechtelijk beschermde werken van Verizon NL (zowel fysiek als digitaal) te vernietigen, onder toezicht van een deurwaarder, die een proces-verbaal van vernietiging dient op te maken;
VII. voor recht te verklaren dat [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle kosten die gemoeid zijn met de onder V. en VI. genoemde geboden;
VIII. aan de onder V. en VI. genoemde geboden een dwangsom te verbinden;
IX. [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] te bevelen een door een (register)accountant opgestelde opgave te doen van (a) het totaal aantal in de administratie van [bedrijf] aanwezige auteursrechtelijk beschermde werken van Verizon NL, (b) de namen van de (rechts)personen van wie [bedrijf] de onder (a) genoemde documenten heeft verkregen, en (c) de namen van de (rechts)personen aan wie [bedrijf] de onder (a) genoemde documenten openbaar heeft gemaakt, een en ander op straffe van dwangsommen;
X. [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] hoofdelijk te veroordelen in (a) de proceskosten als bedoeld in de artikelen 1019h en 1019ie van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), waaronder begrepen de advocaatkosten, de kosten ter zake van de conservatoire bewijs- en afgiftebeslagen en de kosten voor de inbewaringgeving, te vermeerderen met de wettelijke rente, en (b) de nakosten;
XI. de termijn voor het instellen van de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv te bepalen op zes maanden vanaf de betekening van dit vonnis.

In reconventie

3.5.

[bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] vorderen – kort gezegd – het volgende:
1. de door Verizon gelegde bewijsbeslagen onmiddellijk en volledig op te heffen;
2. Verizon te bevelen alle voor opheffing benodigde maatregelen te treffen en te bewerkstelligen dat hetgeen in bewaring is gegeven onmiddellijk aan de advocaten van [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] wordt geretourneerd, een en ander op straffe van dwangsommen;
3. Verizon te veroordelen in de kosten van dit geding (te begroten conform de artikelen 1019h en 1019ie Rv en het liquidatietarief) en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.6.

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. Op hun stellingen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In zaak 1

4.1.

Na de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft Verizon NL alle conservatoire verhaalsbeslagen die zij had gelegd ten laste van [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] opgeheven. Als gevolg daarvan zijn de vorderingen die zagen op opheffing van die beslagen ingetrokken.

4.2.

Omdat Verizon NL na het uitbrengen van de dagvaarding en na de mondelinge behandeling in dit kort geding de verhaalsbeslagen heeft opgeheven, zoals in de dagvaarding gevorderd, wordt zij in de proceskosten van dit kort geding veroordeeld. Van belang hierbij is dat op grond van een zeer globale beoordeling van vordering 1 niet is uitgesloten dat die vordering zou zijn toegewezen. Met name het beroep van [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] op mogelijke schending van de in artikel 21 Rv opgenomen waarheidsplicht is hiertoe redengevend. Overwogen wordt als volgt.

4.3.

Het verweer van [naam 1] dat in de op 11 april 2018 en 12 maart 2019 met Verizon NL gesloten overeenkomsten (zie 2.4 en 2.12) finale kwijting is overeengekomen, is onvoldoende duidelijk in het beslagrekest van Verizon NL opgenomen, waardoor de voorzieningenrechter ten tijde van het verlenen van het verlof niet over alle van belang zijnde informatie beschikte. De beëindigings-overeenkomst van 11 april 2018 is slechts kort genoemd in het beslagrekest en is hierbij niet als productie in het geding gebracht. De vaststellingsovereenkomst van 12 maart 2019 is in het geheel niet genoemd, dit terwijl het argument van [naam 1] dat in beide overeenkomsten finale kwijting is verleend niet onbelangrijk is. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van die laatste overeenkomst (zie 2.11 en 2.12) volgt immers dat niet is uitgesloten dat het standpunt van [naam 1] dat die finale kwijting tevens zag op zijn postcontractuele (non-concurrentie)verplichtingen moet worden gevolgd. Verizon NL was ten tijde van het sluiten van die overeenkomst op de hoogte van de concurrerende activiteiten van [naam 1] voor [bedrijf] en is desondanks overgegaan tot het uitkeren van het bedrag aan [naam 1] dat hij naar eigen zeggen nog tegoed had. Ook heeft Verizon NL de eerder in verband met de beweerde schending van zijn postcontractuele verplichtingen aangezegde boete van € 5.000,- niet langer gehandhaafd. Minst genomen begrijpelijk is dat [naam 1] – die destijds niet werd bijgestaan door een advocaat – het zo heeft begrepen en ook redelijkerwijs heeft mogen begrijpen.

4.4.

Ten aanzien van [naam 2] geldt verder dat het verhaalsbeslag is gelegd door Verizon NL terwijl hij laatstelijk niet bij die vennootschap, maar bij Verizon DE, in dienst was. Ten aanzien van [naam 2] en [bedrijf] geldt voorts dat in het geheel geen verweer van hen is opgenomen in het beslagrekest.

4.5.

De vordering om Verizon NL – op straffe van dwangsommen – te verbieden opnieuw conservatoir beslag te leggen is niet door [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] ingetrokken. Een dergelijke vordering is in zijn algemeenheid niet toewijsbaar. De voorzieningenrechter kan niet voorzien welke feiten en omstandigheden een toekomstig conservatoir beslag mogelijk rechtvaardigen. In deze zaak is geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. In plaats van het gevorderde verbod is wel toewijsbaar een gebod aan Verizon NL om, mocht zij opnieuw ten laste van [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] verlof vragen om conservatoir beslag te mogen leggen, een kopie van dit vonnis over te leggen. Mede gezien hetgeen onder 4.2 e.v. is overwogen is er aanleiding Verizon NL hiertoe op grond van artikel 21 Rv te verplichten. Aan deze veroordeling zal een dwangsom worden verbonden, die zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.

4.6.

Op grond van hetgeen onder 4.2 – 4.5 is overwogen, wordt Verizon NL in de proceskosten veroordeeld, gevallen aan de zijde van [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] .

In zaak 2

4.7.

Verizon heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat er meer dan gerechtvaardigde vermoedens zijn dat [naam 1] en [naam 2] , twee oud-werknemers, met de bedrijfsinformatie van hun oude werkgever een eigen onderneming zijn gestart. De schade wordt voorzichtig begroot op € 155.000,- per jaar. Verizon heeft dan ook naar eigen zeggen een spoedeisend belang bij inzage in het beslagen bewijsmateriaal en bij een verbod om van die informatie nog langer gebruik te maken.

4.8.

Ter verdere toelichting voert Verizon aan dat dit kort geding ten aanzien van het bewijsbeslag en ten aanzien van het beslag tot afgifte ter vernietiging als de eis in de hoofdzaak heeft te gelden (artikel 700 lid 3 Rv). Uit het proces-verbaal van het bewijsbeslag blijkt dat de deurwaarder bij [naam 1] en [bedrijf] meer dan 19.147 bestanden heeft aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met Verizon, en bij [naam 2] 6.117. Onderzoek heeft uitgewezen dat [naam 1] en [naam 2] ten tijde van hun dienstverband bij Verizon een groot aantal e-mails (met bijlagen) naar hun privé e-mailadressen hebben gestuurd. Verizon heeft deze informatie als productie 15b ter griffie gedeponeerd. Opvallend is dat het versturen van e-mails kort voor het sluiten van de beëindigingsovereenkomst van 11 april 2018 een vlucht heeft genomen, terwijl [bedrijf] op 12 april 2018 is opgericht. Uit het proces-verbaal van het afgiftebeslag blijkt dat 107 auteursrechtelijk beschermde presentaties en brochures in beslag zijn genomen. Verizon heeft deze documenten als productie 23b ter griffie gedeponeerd.

4.9.

Verder is, aldus Verizon NL, gebleken dat [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] proberen om klanten van Verizon NL over te halen om klant te worden bij [bedrijf] . Verizon NL heeft hierover e-mails van klanten ontvangen, maar die klanten vormen vermoedelijk slechts een fractie van alle klanten van Verizon NL die door [naam 1] en [naam 2] zijn benaderd. Ook is Verizon in het bezit gekomen van een door [naam 1] aan klanten van Verizon verzonden e-mail.

4.10.

Grondslag voor de vorderingen van Verizon is primair dat [naam 1] en [naam 2] de Wet Bescherming Bedrijfsgeheimen (Wbb) hebben geschonden. Het is aannemelijk, althans er bestaat een redelijk vermoeden, dat [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] de bedrijfsgeheimen van Verizon ook op onrechtmatige wijze hebben gebruikt. Ook stelt Verizon dat [naam 1] en [naam 2] met hun handelwijze het auteursrecht van Verizon, dat rust op brochures en dergelijke, hebben geschonden. Tot slot hebben [naam 1] en [naam 2] onrechtmatig geconcurreerd met Verizon en gehandeld in strijd met verschillende geheimhoudings- en/of non-concurrentie-bedingen zoals opgenomen in hun arbeidsovereenkomsten. De vordering tot inzage in de bestanden die in bewijsbeslag zijn genomen is onder meer gebaseerd op artikel 843a Rv, dit alles aldus steeds Verizon.

4.11.

De centrale vraag in dit kort geding is of Verizon op dit moment inzage in en afschrift van de beslagen bewijsmiddelen moet worden verleend (vordering IV van Verizon in conventie). Tegenover deze vordering staan de vorderingen 1 en 2 in reconventie, te weten onmiddellijke opheffing van alle bewijsbeslagen en hiervoor alle benodigde maatregelen te treffen. Deze vorderingen zullen gezamenlijk worden besproken.

4.12.

[naam 1] en [naam 2] hebben alle schijn tegen. Zij zijn beiden voormalig werknemers van Verizon en thans bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf] , een onderneming die zich met dezelfde activiteiten bezighoudt als Verizon. [naam 1] en [naam 2] hebben op zich niet bestreden dat zij een groot aantal e-mails (met bijlagen), met daarin informatie van of over Verizon, naar hun eigen privé e-mailadressen hebben gezonden. Opvallend hierbij is de toename hiervan in de dagen net voor het sluiten van de beëindigingsovereenkomst van 11 april 2018 en net voor de oprichting van [bedrijf] op 12 april 2018. Eveneens opvallend is het zeer grote aantal bestanden dat de deurwaarder, na hantering van de in het beslagrekest genoemde zoektermen, heeft aangetroffen.

4.13.

Hiertegenover staat dat [naam 1] en [naam 2] gemotiveerd en onderbouwd met stukken hebben bestreden dat zij met de aan henzelf toegezonden informatie hebben beoogd klanten van Verizon af te pakken of Verizon anderszins onrechtmatige concurrentie aan te doen. Zij hebben hiertoe – samengevat – het volgende aangevoerd:
(1) De cultuur bij Verizon was dat er hard werd gewerkt en dat ’s avonds en in het weekend regelmatig thuis werd gewerkt. [naam 1] maakte werkweken van soms 80 uur. Verizon stelde hiervoor geen laptop ter beschikking en ook geen thuiswerk-verbinding. Om thuis te kunnen werken waren [naam 1] en [naam 2] dan ook gedwongen hun privé laptop en hun privé e-mailadres te gebruiken. Ook andere medewerkers van Verizon gebruikten hun privé e-mailadressen om zakelijk te corresponderen. Overigens is aantoonbaar dat veel e-mails en documenten, nadat die thuis waren bewerkt, ook weer retour zijn gestuurd naar het zakelijke e-mailadres.
(2) Medewerkers van Verizon dienden hun eigen bonusadministratie bij te houden. Ook om die reden waren [naam 1] en [naam 2] gedwongen informatie over klanten etc. naar hun privé e-mailadres te zenden.
(3) [naam 1] heeft pas na het tekenen van de beëindigingsovereenkomst op 11 april 2018 van zijn leidinggevende te horen gekregen dat hij op Garden Leave moest. Tot die tijd was hem opgedragen dat hij tot het einde van zijn dienstverband (30 juni 2018) thuis moest werken. Om die reden heeft hij kort voor 11 april 2018 nog een groot aantal documenten naar zichzelf gemaild.
(4) [naam 1] heeft van zijn leidinggevende toestemming gekregen om na zijn uitdiensttreding zijn mobiele telefoon en telefoonnummer mee te nemen. Hij werd om die reden nog regelmatig door klanten van Verizon gebeld. Toen dit uit de hand liep, heeft hij die klanten een e-mail gestuurd om te zeggen dat hij niet meer bij Verizon werkzaam was. In die e-mail is op geen enkele wijze gepoogd die klanten voor zich te winnen. In die e-mail is de naam van [bedrijf] niet genoemd en is niet vermeld dat [naam 1] nu voor [bedrijf] werkt.
(5) Klanten die door [naam 1] werden bediend, hebben ook zelf met hem contact opgenomen omdat zij prijs stelden op voortzetting van zijn dienstverlening (telefonisch of bijvoorbeeld via Linkedin).
(6) Verizon was in april 2018 op de hoogte van de activiteiten van [naam 1] en [naam 2] voor [bedrijf] . In maart 2019 heeft zij met [naam 1] bovendien nog een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin finale kwijting is opgenomen. Die finale kwijting had tevens betrekking op de postcontractuele verplichtingen van [naam 1] omdat daar in de aanloop naar het sluiten van die overeenkomst uitdrukkelijk over is onderhandeld.

(7) Veel van de documenten waarover nu discussie bestaat, zijn geen geheime documenten. Het zijn niet-vertrouwelijke documenten die bijvoorbeeld via de website van Verizon voor eenieder toegankelijk zijn.
(8) De hoogte van de schade is door Verizon op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Dat kan ook niet want [bedrijf] heeft geen klanten van Verizon op onrechtmatige wijze overgenomen. Het staat klanten overigens vrij om aan het einde van de overeengekomen contractperiode over te stappen naar een andere aanbieder, aldus steeds [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] .

4.14.

Kort gezegd komen de verweren van [naam 1] en [naam 2] erop neer dat zij niets fout hebben gedaan en dus niets te verbergen hebben. Desalniettemin is er voldoende aanleiding, gezien het gegeven dat zij wel alle schijn tegen hebben, om de inzage- en afschriftvordering op grond van artikel 843a Rv toe te wijzen (en dus de opheffingsvorderingen in reconventie af te wijzen). Verizon heeft een spoedeisend belang bij toewijzing van deze vordering. Pas wanneer Verizon inzage krijgt in de in beslag genomen bewijsmiddelen, kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld of [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] de van toepassing zijnde regels hebben overtreden en/of Verizon als gevolg hiervan schade heeft geleden. Tot op heden kan hierover slechts worden geoordeeld dat thans nog niet is bewezen dat klanten van Verizon op onrechtmatige wijze zijn overgehaald om klant bij [bedrijf] te worden. Uit de hiervoor onder 4.13 onder (4) genoemde e-mail van [naam 1] aan de klanten van Verizon (die door Verizon in het geding is gebracht), volgt voorshands niet dat [naam 1] onrechtmatig handelen kan worden verweten. Het betreft niet meer dan een zakelijke mededeling dat hij niet langer voor Verizon NL werkzaam is. Ook overigens is het maar de vraag – als al kan worden uitgegaan van onrechtmatig handelen – of Verizon schade heeft geleden ten gevolge van het door [naam 1] en [naam 2] aan zichzelf en/of [bedrijf] toezenden van informatie van Verizon. Op grond van al hetgeen [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] – onderbouwd met stukken – naar voren hebben gebracht is geenszins uitgesloten dat (voormalige) klanten van Verizon hen zelf hebben benaderd en/of [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] hen ook hebben mogen benaderen met informatie waarover zij rechtmatig beschikten.

4.15.

Toewijzing van vordering IV in conventie, zoals hiervoor overwogen, voldoet aan de in artikel 843a Rv gestelde eisen (rechtmatig belang, bepaalde bescheiden en rechtsbetrekking).

Rechtmatig belang
4.16. Verizon heeft hierbij een rechtmatig belang omdat zij een redelijk vermoeden heeft dat sprake kan zijn van onrechtmatig handelen en dit in een bodemprocedure moet kunnen aantonen, evenals de mogelijk als gevolg hiervan geleden schade. [naam 1] en [naam 2] hebben nu eenmaal de schijn tegen, zodat niet kan worden gesproken van louter suggestie aan de zijde van Verizon.

Bepaalde bescheiden
4.17. De bescheiden waarin inzage moet worden gegeven zijn voldoende bepaald. Uit het proces-verbaal van de deurwaarder en uit de door Verizon gegeven toelichting kan immers worden afgeleid dat het gaat om documenten die door Verizon zijn opgesteld, om documenten die betrekking hebben op het benaderen van, althans contacten met klanten van Verizon en om tussen [naam 1] en [naam 2] gevoerde correspondentie over Verizon. De zoektermen zoals opgenomen in het beslagrekest die door de deurwaarder zijn gehanteerd bij de beslaglegging zijn niet te ruim, althans moeilijk valt in te zien hoe die zoektermen beperkt hadden kunnen worden zonder aan de bedoeling van het bewijsbeslag afbreuk te doen. Dat geen beperking in de tijd is opgenomen is evenmin van belang. [naam 1] en [naam 2] kunnen zich immers ook nadat zij bij Verizon uit dienst waren getreden schuldig hebben gemaakt aan de hun verweten gedragingen. Verder is in dit verband door [naam 1] aangevoerd dat ook de laptop van zijn vriendin in beslag is genomen, maar ook dit vormt voorshands geen reden om toewijzing van de vordering in te perken. Inzage in de bestanden die zich op die laptop bevinden blijft immers beperkt tot die bestanden die zijn aangetroffen aan de hand van de bewuste zoektermen.

Rechtsbetrekking
4.18. Ook is sprake van een rechtsbetrekking, te weten een rechtsbetrekking uit dreigende onrechtmatige daad. Hierbij geldt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op een (dreigende) inbreuk gebaseerde vordering. Uit de door Verizon gestelde feiten en omstandigheden kan een redelijk vermoeden van een (dreigende) inbreuk worden afgeleid (Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304).

4.19.

Al met al wordt geoordeeld dat de proportionaliteit en subsidiariteit is gewaarborgd en dat geen sprake is van een fishing expedition.

4.20.

Aan de veroordeling inzage te geven in de in beslag genomen bewijsmiddelen en daarvan afschrift te geven zal geen dwangsom worden verbonden. Sinds de zitting op 2 maart 2020 is het openbare leven in Nederland ten gevolge van de coronamaatregelen vrijwel stil komen te liggen. Het is op dit moment zeer de vraag wanneer het mogelijk zal zijn met de inzage te beginnen. De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat partijen (met de gerechtelijk bewaarder) ter zake afspraken zullen maken, zodra dit mogelijk is. Indien dit niet lukt, zal Verizon dit opnieuw aan de voorzieningenrechter kunnen voorleggen.

4.21.

Vordering V ziet op afgifte ter vernietiging van alle beslagen documenten. Deze vordering is prematuur en daarom niet toewijsbaar. Thans wordt voldoende aan de belangen van Verizon tegemoetgekomen door toewijzing van vordering IV. Pas nadat inzage en afgifte heeft plaatsgevonden, kan worden beoordeeld of de desbetreffende documenten moeten worden vernietigd.

4.22.

Vordering VI ziet op afgifte ter vernietiging van alle auteursrechtelijk beschermde werken van Verizon. [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] hebben toegezegd vrijwillig aan deze vordering te voldoen. De voorzieningenrechter heeft geen reden eraan te twijfelen dat [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] zich aan hun toezegging zullen houden. Zij worden geacht hierover in overleg te treden met Verizon. Ook deze vordering zal dus niet worden toegewezen.

4.23.

Het bevel de auteursrechtinbreuk te staken (vordering II) en de opgavevordering (vordering IX) met betrekking tot de auteursrechtelijk beschermde documenten zijn evenmin toewijsbaar. Aan de belangen die Verizon in dit verband kan hebben is voorshands voldoende tegemoetgekomen door de onder 4.22 bedoelde toezegging van [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] . Overigens is op dit moment onvoldoende aannemelijk, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat [naam 1] en [naam 2] auteursrechtelijk beschermde werken naar hun privé e-mailadres hebben verzonden, dat zij deze werken hebben verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt op een door de Auteurswet niet toegestane wijze.

4.24.

Resteert het stakingsbevel onder I ten aanzien van schending van de bedrijfsgeheimen als bedoeld in de Wbb. Deze vordering is slechts toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] zich hieraan schuldig maken. De lat hierbij ligt hoger dan bij toewijzing van vordering IV. Verizon kan weliswaar een redelijk vermoeden hebben dat bedrijfsgeheimen zijn geschonden, maar in dit geval wil dat niet zeggen dat zij reeds voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hiervan sprake is. Zo hebben [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] gemotiveerd bestreden dat het hier gaat om bedrijfsgeheime informatie als bedoeld in de Wbb. Niet kan worden uitgesloten dat de informatie, althans deels, reeds algemeen bekend is of gemakkelijk toegankelijk en/of geen handelswaarde bezit omdat zij niet geheim is. Evenmin kan op voorhand worden uitgesloten dat Verizon onvoldoende redelijke maatregelen heeft getroffen om de desbetreffende informatie geheim te houden. Tot slot geldt dat, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat [naam 1] en [naam 2] bedrijfsgeheime informatie naar zichzelf hebben gemaild, nog niet vaststaat dat zij deze informatie ook daadwerkelijk op onrechtmatige wijze hebben gebruikt. Pas als inzage en afgifte heeft plaatsgevonden, kan worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat de Wbb is geschonden. Vordering I zal daarom ook worden afgewezen.

4.25.

Over de proceskosten (vordering X) wordt het volgende geoordeeld. Omdat in dit geval de volledige proceskosten worden gevorderd op basis van de artikelen 1019h en 1019ie Rv en de vordering zich ook uitstrekt tot de beslagkosten en de kosten van inbewaringgeving, gaat het in totaal om niet onaanzienlijke bedragen. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rv is thans geen aanleiding omdat vooralsnog geen sprake is van auteursrechtinbreuk. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019ie Rv is evenmin aanleiding omdat schending van de Wbb op dit moment niet kan worden vastgesteld. In beide gevallen geldt dat een en ander pas met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld nadat aan de veroordeling tot inzage in en afschrift van de beslagen bewijsmiddelen uitvoering is gegeven. Overigens blijkt uit de parlementaire geschiedenis van artikel 1019ie Rv dat een volledige proceskostenveroordeling pas in beeld komt bij een flagrante inbreuk die volstrekt te kwader trouw is gepleegd. Uitganspunt is voorts dat inzage op grond van artikel 843a Rv geschiedt op kosten van de partij die inzage verlangt (in dit geval Verizon). Of de beslagkosten en de kosten van inbewaringgeving die samenhangen met de op artikel 843a Rv gegronde vordering in dit geval ook voor rekening van Verizon dienen te komen, kan wederom pas worden vastgesteld nadat aan de veroordeling tot inzage in en afschrift van de beslagen bewijsmiddelen uitvoering is gegeven. Pas dan kan worden vastgesteld welke partij materieel gelijk krijgt en of de beschuldigingen aan het adres van [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] terecht zijn. In dit kort geding zal dan ook geen proceskostenveroordeling worden uitgesproken, ook niet in reconventie. Indien partijen geen overeenstemming bereiken over de kosten, is het aan de meest gerede partij om dit opnieuw aan de (voorzieningen)rechter voor te leggen.

4.26.

In het licht van hetgeen hiervoor onder 4.20 is overwogen, wordt de termijn voor het instellen van de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv, voor zover nodig, bepaald op zes maanden vanaf de datum waarop een aanvang is gemaakt met de inzage. Ook hier geldt dat indien dit tot onenigheid leidt, het aan de meest gerede partij is om dit opnieuw aan de voorzieningenrechter voor te leggen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

In zaak 1

5.1.

gebiedt Verizon NL om, mocht zij opnieuw conservatoir beslagverlof vragen ten laste van [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] , aan de voorzieningenrechter een kopie van dit vonnis over te leggen, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per keer, met een maximum van € 50.000,-,

5.2.

veroordeelt Verizon NL in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] begroot op € 656,- aan griffierecht en € 1.470,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening,

5.3.

veroordeelt Verizon NL in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op
€ 157,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

In zaak 2

In conventie

5.6.

beveelt [bedrijf] , [naam 1] en [naam 2] en/of de gerechtelijk bewaarder om Verizon inzage te geven in de in beslag genomen bewijsmiddelen en Verizon toe te staan daarvan afschriften te maken, met inachtneming van hetgeen onder 4.20 is overwogen,

5.7.

bepaalt de termijn voor het instellen van de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden vanaf de datum waarop een aanvang is gemaakt met de inzage als bedoeld onder 5.6,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af,

In reconventie
5.10. weigert de gevraagde voorzieningen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2020.1

1 type: MV coll: MAH