Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2019

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
RK 19/6504
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/222665-18

RK: 19/6504

Beschikking op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet) van:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),

wonende op het adres [adres 1],

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. S.J. Jansen,

[adres 2],

veroordeelde.

1 Het procesverloop

Het bezwaarschrift is op 18 november 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De rechtbank heeft op 28 februari 2020 de gemachtigde raadsman en de officier van justitie, mr. J. van der Meij, in besloten raadkamer gehoord.

Veroordeelde is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

2 Inhoud van het bezwaarschrift

Het bezwaarschrift is gericht tegen het bepalen van het DNA-profiel van veroordeelde en de opname daarvan in de DNA-databank.

Het bezwaarschrift houdt, kort samengevat, het volgende in:

Veroordeelde is op 16 september 2019 door de politierechter in deze rechtbank veroordeeld voor diefstal tot een geldboete van € 200,- en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een week. Veroordeelde heeft geen hoger beroep ingesteld.

Veroordeelde meent dat er een beroep gedaan kan worden op de in artikel 2, eerste lid, onder b van de Wet, genoemde uitzondering. Volgens veroordeelde valt niet in te zien waarom er ten aanzien van hem een vermoeden zou bestaan dat hij zich nogmaals schuldig zal maken aan het plegen van een strafbaar feit. Hij heeft levensmiddelen gestolen, omdat hij geld naar familie in [geboorteland] had opgestuurd en hij handelde uit nood. Hij is 62 jaar, schaamt zich kapot en zal het nooit meer doen.

Een nadere belangenafweging dient dan te leiden tot de slotsom dat het belang van veroordeelde dient te prevaleren boven het algemeen maatschappelijk belang. Het is redelijkerwijs aannemelijk dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing en berechting van strafbare feiten. De raadsman verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 februari 2016, waarin een dergelijke toets werd aangelegd.1

Veroordeelde is bovendien van mening dat met de DNA-afname en het bepalen en verwerken van zijn profiel een ongeoorloofde inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven ex. art. 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en art. 17 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.

Tot slot vreest veroordeelde dat zijn DNA-materiaal zal kunnen worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor de Wet de bevoegdheid tot afname geeft.

3 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard omdat de uitzonderingen voor afname DNA zoals in de Wet beschreven niet op veroordeelde van toepassing zijn en er sprake is van recidivegevaar.

4 De beoordeling

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Bij bevel van 3 oktober 2019 heeft de officier van justitie bepaald dat van veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ter bepaling en verwerking van zijn DNA-profiel.

Op 6 november 2019 is het celmateriaal van veroordeelde afgenomen.

Het bezwaarschrift is op 18 november 2019 ter griffie van deze rechtbank ingediend, derhalve binnen de in artikel 7 van de Wet genoemde termijn van veertien dagen. Veroordeelde kan in zoverre worden ontvangen in zijn bezwaar.

Als grondslag van het bevel heeft gediend het vonnis van 16 september 2019 van de politierechter van deze rechtbank, waarbij veroordeelde ter zake van diefstal (artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) is veroordeeld tot een geldboete € 200,- en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een week.

De Wet heeft als uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. Artikel 2 lid 1 van de Wet heeft betrekking op misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De rechtbank stelt vast dat art. 310 Sr, waarvoor veroordeelde tot geldboete en voorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld, valt onder de categorie misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 Sv.

Aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 juncto artikel 1, onder c van de Wet is derhalve voldaan.

De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 13 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC8231 en ECLI:NL:HR:2008:BC8234) voorop gesteld dat tekst, doel en strekking van de Wet blijkens de wetsgeschiedenis als uitgangspunt hebben dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet, celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet.

Aan de uitzonderingen genoemd in artikel 2 lid 1, aanhef en onder b van de Wet geeft de Hoge Raad een beperkte uitleg. De officier van justitie beveelt de afname ‘tenzij redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde’.

De Hoge Raad overweegt dat de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ blijkens de wetsgeschiedenis ziet op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt volgens de Hoge Raad samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat dan om de situatie dat een DNA-onderzoek, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden niet kan worden gerechtvaardigd.

Andere dan bovengenoemde maatstaven doen volgens de Hoge Raad afbreuk aan het door de wetgever beoogde systeem van ruime afname van DNA-materiaal, waarin slechts plaats is voor de twee bovengenoemde beperkt uit te leggen uitzonderingen. Voor een verdere belangenafweging is in het systeem van de Wet geen plaats.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavig geval de hiervoor genoemde uitzonderingen zich niet voordoen.

Veroordeelde is veroordeeld voor diefstal. Bij diefstallen kan DNA een rol spelen bij de opsporing. Van een uitzondering die gelegen is in de aard van het feit is reeds daarmee dus geen sprake.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de kans op herhaling niet volledig is uitgesloten. Uit een uittreksel Justitiële Documentatie van 13 februari 2020 van veroordeelde is gebleken dat veroordeelde eerder justitiecontact heeft gehad wegens strafbare feiten. Hij heeft twee transacties en een strafbeschikking voldaan voor diefstallen. Van bijzondere omstandigheden die dat in onderhavige zaak anders zouden maken is, naar het oordeel van de rechtbank, niet gebleken.

Het bezwaar van veroordeelde wordt verder niet gevolgd, aangezien de Wet, overeenkomstig artikel 8, tweede lid EVRM, er is ter bescherming van een groot strafvorderlijk belang en de beperking van dit recht noodzakelijk is in een democratische samenleving. De verdragen bieden immers geen absoluut recht op onschendbaarheid van privacy en lichamelijke integriteit. Het belang van veroordeelden kan ondergeschikt zijn aan het algemeen belang van voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Dit standpunt is ook reeds bij de totstandkoming van de Wet door de wetgever ingenomen (TK 2002-2003, 28 685, nr.5, p. 22-23, 32).

Na de totstandkoming van de Wet heeft ook het EHRM – meermalen – geoordeeld dat zowel het afnemen als het opslaan van celmateriaal een inbreuk maakt op het privéleven van betrokkenen, doch dat deze maatregel is voorzien bij wet en het gerechtvaardigde doel dient van de voorkoming van strafbare feiten. Tevens oordeelde het EHRM dat de maatregel noodzakelijk is in een democratische samenleving (EHRM 7 december 2006, Appl. 29514/05).

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat afname van het celmateriaal een inbreuk op de privacy van veroordeelde maakt, doch deze inbreuk is geoorloofd omdat aan alle wettelijke criteria voor het maken van een inbreuk op dit recht is voldaan.

In zijn bezwaarschrift stelt veroordeelde dat hij niet het vertrouwen heeft dat zijn DNA gegevens veilig zijn en/of dat er misbruik van die gegeven zal worden gemaakt. De rechtbank wijst op artikel 2 lid 6 van de Wet. Ingevolge dit artikel wordt het DNA-profiel slechts verwerkt voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Deze wettelijke bepaling biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende waarborgen. Het verweer treft dan ook geen doel.

Nu het bevel tot DNA-afname bij veroordeelde voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen en de uitzonderingen als bedoeld in artikel 2 van de Wet zich hier niet voordoen, zal de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaren.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. R.C.J. Hamming, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier

en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2020.

Tegen deze beslissing staat voor veroordeelde geen rechtsmiddel open.

1 Rb. Noord-Holland 29 februari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:3094.