Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2018

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
RK 19/5270
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 96/137118-19

RK: 19/5270

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende op het adres [adres 1] , [plaats] ,

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,

mr. M.L. L’Ghdas,

[adres 2] , [plaats] ,

klager, tevens beslagene.

1 Procesgang

Het klaagschrift is op 16 september 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op 6 oktober 2019 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 28 februari 2020 klager, zijn raadsman en de officier van justitie, mr. J. van der Meij, in openbare raadkamer gehoord.

2 Inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van de in beslag genomen Kymco scooter, type Agility50, met kenteken [kenteken] (goednummer: 5633916). De scooter is niet door enig strafbaar feit verkregen en behoort toe aan klager. Klager wordt bezwaard door de inbeslagneming en het voortduren daarvan. Hij is een lening aangegaan ter financiering van deze scooter en dient deze lening af te lossen, zonder dat hij gebruik kan maken van de scooter. Klager heeft verder aangevoerd dat hij werkt als machine operator en dat hij zijn werk niet kan bereiken zonder scooter en dat hij niet voldoende inkomsten heeft om vervangend vervoer te financieren. Klager heeft verder in openbare raadkamer verklaard dat hij nog steeds geen rijbewijs heeft, omdat hij door een verhuizing er niet aan toe kwam om dit te halen. Hij heeft verder verklaard dat hij het vreemd vindt dat de scooter al is verkocht, omdat de scooter op 7 april 2019 in beslag is genomen en klager gedurende vier à vijf maanden contact heeft gehad met het beslagbureau. Daarbij is de indruk gewekt dat de scooter daar nog stond. Hij voelt zich aan het lijntje gehouden.

De raadsman van klager heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd. De scooter is in beslag genomen in de zaak met het parketnummer 96/192810-18. De maatregel verbeurdverklaring heeft primair als doel het treffen van de veroordeelde in zijn vermogen. In deze zaak is dat niet passend, omdat klager al boetes heeft ontvangen voor het rijden zonder rijbewijs en deze heeft betaald en sprake is van een situatie waarin klager slechts de scooter voor woon- en werkverkeer gebruikt. Er is ook sprake van een vreemde gang van zaken, omdat de scooter al verkocht is en er niet gemotiveerd uiteengezet is waarom de kosten voor het opslaan hoger waren dan de waarde van de scooter. De raadsman heeft verzocht om het klaagschrift, gelet op het voorgaande, gegrond te verklaren.

3 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen teruggave van de in beslag genomen scooter aan klager en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op 7 april 2019 is tegen klager een proces-verbaal opgemaakt wegens het rijden zonder rijbewijs. Er is sprake van recidive, hij is driemaal eerder onherroepelijk veroordeeld voor dit feit, en daarom is de scooter in beslag genomen. De scooter is niet in de zaak met parketnummer 96/192810-18 in beslag genomen. In die zaak is op 8 mei 2019 een vonnis gewezen.

Inmiddels is er door de beslagafdeling gekeken naar de waarde van de scooter en naar de kosten voor de bewaring. Ook is rekening gehouden met hoe groot de kans is dat de scooter door de zittingsrechter verbeurd zal worden verklaard. Er is vervolgens een beheersbeslissing genomen en de scooter is intussen middels een machtiging vervreemden ex. artikel 117 Sv verkocht. Het beslag blijft rusten op de verkregen opbrengst ex. art. 116 Sv. De zitting is op 24 april 2020 bij de kantonrechter. Klager leert kennelijk niet van eerdere straffen en eerdere straffen weerhouden hem er niet van om te gaan rijden zonder rijbewijs. Het is, gelet op het voorgaande, niet hoogst onwaarschijnlijk dat een zittingsrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de scooter zal bevelen.

4 De beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 7 april 2019 is op de voet van artikel 94 Sv voornoemde scooter in de zaak met parketnummer 96/137118-19 in beslag genomen.

Klager wordt – kort gezegd – verdacht van het overtreden van artikel 107 Wegenverkeerswet 1994 ( rijden zonder rijbewijs).

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot het voorwerp de verbeurdverklaring zal uitspreken of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.

In het onderhavig geval is sprake van een scooter die volgens het Openbaar Ministerie vatbaar is voor verbeurdverklaring.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de scooter zal uitspreken.

Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen scooter zal verbeurd verklaren. Immers, is er sprake van recidivegevaar, nu klager in september 2018 twee keer eerder was aangehouden voor het rijden zonder rijbewijs en klager op dit moment nog steeds niet in het bezit van een rijbewijs is.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

Het beklag dient daarom ongegrond te worden verklaard.

5 De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. R.C.J. Hamming, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose griffier

en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank,

binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.