Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2014

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
RK 19/6883
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering toegewezen, gronden voor billijkheid aanwezig om vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2020/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 96/210772-18

RK: 19/6883

Beschikking op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende op het adres [adres 1] ,

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsvrouw,

mr. H.S.J. Pleiter,

[adres 2] ,

verzoeker.

1 De procesgang

Het verzoekschrift is op 5 december 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Op 17 december 2019 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 28 februari 2020 de gemachtigde raadsvrouw en de officier van justitie, mr. J. van der Meij, in openbare raadkamer gehoord.

Verzoeker is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

2 De inhoud van het verzoekschrift

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van:

  • -

    € 1.600,- vanwege de kosten van de raadsman; en

  • -

    een vergoeding van € 550,- voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

In het verzoekschrift is opgenomen dat aan verzoeker op 30 juni 2018 door de waterpolitie te Amsterdam een proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van het varen zonder geldig vaarbewijs. De advocaat van verzoeker, mr. B.C.J. Pleiter, heeft de zaak toen opgepakt. De werkzaamheden van mr. B.C.J. Pleiter bestonden onder meer uit het ophelderen van de geldigheid van het ICC (vaarbewijs) in Nederland, het opstellen van een verzetschrift tegen de strafbeschikking, het verrichten van jurisprudentieonderzoek en het indienen van een sepotverzoek, nadat verzoeker een dagvaarding had gekregen.

In raadkamer heeft de raadsvrouw ter aanvulling op het verzoekschrift en naar aanleiding van het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De facturen van de advocaatkosten zijn naar [naam bedrijf BV] verstuurd, maar wel ten aanzien van verzoeker. De enige aandeelhouder van [naam bedrijf BV] waarvan verzoeker bestuurder is. Dat het dossier op naam van bedrijf is opgemaakt komt omdat ons kantoor verzoeker ook in een ander kader bijstond en het dossier is aangemaakt op basis van de bij ons bekende gegevens. Uit de toelichting van de accountant van verzoeker blijkt dat de advocaatkosten zijn gemaakt en voor rekening van klager komen. De administratie van 2019 is nog niet gereed, maar klager zal de kosten dragen. Er zijn voldoende gronden van billijkheid aanwezig om de advocaatkosten te vergoeden.

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – met verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen toekenning van de verzochte advocaatkosten, nu niet is gebleken dat deze kosten ten laste van verzoeker zijn gekomen. Blijkens de verklaring van de accountant heeft verzoeker nu een schuld bij het bedrijf [naam bedrijf BV] , maar verder is het niet duidelijk geworden dat verzoeker de kosten al heeft moeten dragen. Bij deze stand van zaken heeft de officier van justitie gevorderd het verzoekschrift af te wijzen. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat er wel gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen, stelt het Openbaar Ministerie zich subsidiair op het standpunt dat het bedrag kan worden toegewezen.

4 De beoordeling

Verzoeker is op 30 juni 2018 aangehouden op verdenking van art. 25 lid 4 Binnenvaartwet (varen zonder geldig vaarbewijs).

De officier van justitie heeft de strafzaak tegen verzoeker onvoorwaardelijk geseponeerd en dat bij brief van 8 november 2019 aan hem meegedeeld.

Indien de zaak van een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen verdachte op zijn verzoek op grond van artikel 530 lid 1 Sv een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde en kan aan de gewezen verdachte op zijn verzoek op grond van artikel 530 lid 2 Sv uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, in de kosten van een raadsman.

Op grond van artikel 534 lid 1 Sv heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. De strafzaak tegen verzoeker is op 8 november 2019 onvoorwaardelijk geseponeerd. Een onvoorwaardelijk sepot dient te worden aangemerkt als een ‘einde zaak’ in de zin van artikel 530 Sv. Het verzoek is tijdig ingediend.

De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman. De kosten zijn gemaakt in het kader van de verdenking tegen verzoeker dat hij heeft gevaren zonder vaarbewijs. De opgegeven kosten worden gestaafd door de overgelegde urenspecificaties en declaraties. Uit de toelichting van de accountant blijkt verder voldoende dat verzoeker de kosten zal dragen. De gevraagde vergoeding komt de rechtbank niet onredelijk voor en zal dan ook worden toegekend.

De rechtbank zal voor het opmaken, indienen en behandelen van het verzoekschrift de standaardvergoeding toekennen. De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 1.600,- (duizend zeshonderd euro) voor de kosten van de raadsman.

De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Deze beslissing is gegeven door

mr. R.C.J. Hamming, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier

en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2020.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker en de officier van justitie hoger beroep open,

in te stellen ter griffie van deze rechtbank,

binnen een maand na betekening van deze beschikking.

De rechtbank Amsterdam, enkelvoudige kamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.600,- (duizend zeshonderd euro) op IBAN-nummer [rekeningnummer 1] ten name van [verzoeker] en € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) op IBAN-nummer [rekeningnummer 2] ten name van Pleiter Advocatuur, onder vermelding van vergoeding [naam] inzake: [verzoeker] .

Aldus gedaan op 13 maart 2020

door mr. R.C.J. Hamming, rechter.