Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2002

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
02-04-2020
Zaaknummer
8087391 CV EXPL 19-20550
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verstek. Ambtshalve toetsing. Energiezaak. Uitgebreid vonnis over de verplichting tot (en het doel van) ambtshalve toetsing in consumentenzaken. Nauwkeurig wordt nagegaan welke informatie in deze zaak van belang is en waarom. De vordering afgewezen als zijnde onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8087391 CV EXPL 19-20550

vonnis van: 27 maart 2020

fno.: 991

vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

Intrum Nederland B.V.

gevestigd te Amersfoort

eisende partij

gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso

t e g e n

[gedaagde]

wonende te Amsterdam

gedaagde partij

niet verschenen

Verloop van de procedure

Bij dagvaarding van 27 september 2019 heeft eisende partij gevorderd dat gedaagde partij zal worden veroordeeld tot betaling van € 765,27 aan hoofdsom, met nevenvordering(en), waaronder rente en buitengerechtelijke kosten, één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven.

Gedaagde partij heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend.

Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

  1. Eisende partij stelt - kort weergegeven - dat gedaagde partij in de hoedanigheid van consument een overeenkomst heeft gesloten met Energiedirect B.V. (verder: de handelaar). Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. Op grond van de overeenkomst heeft de handelaar elektriciteit en/of gas geleverd op het adres van gedaagde partij. Gedaagde partij heeft niet alle daarvoor gestuurde facturen betaald. De handelaar heeft haar vordering op gedaagde partij gecedeerd aan eisende partij.

  2. Gedaagde partij is een consument.

  3. De dagvaarding moet onder meer de eis en de gronden daarvan vermelden. De voor de beslissing van belang zijnde feiten moet eisende partij volledig en naar waarheid aanvoeren.1

4. Om de vordering te beoordelen moet de kantonrechter beschikken over de feiten en stukken die voor de beslissing in deze consumentenzaak van belang zijn. Welke feiten en stukken dat zijn, kan onder meer worden afgeleid uit de vragen van het door deze rechtbank op de website beschikbaar gestelde en in de periode van 1 juli 2019 tot 1 oktober 2019 bij tussenvonnis aan repeatplayers verstrekte informatieformulier voor consumentenverstekzaken, maar volgt ook uit de wet. Alle in dat formulier gevraagde informatie moet worden verstrekt en alle daarin aangegeven stukken moeten worden overgelegd, daar waar nodig voorzien van een toelichting.

5. Waarom is verstrekking van al deze informatie nodig?
Op grond van vaste rechtspraak moet de kantonrechter in alle zaken waarbij een consument als gedaagde partij optreedt niet alleen ambtshalve beoordelen of er een beroep wordt gedaan op oneerlijke bedingen, maar ook dat gedaagde partij niet benadeeld wordt in de aan hem of haar toekomende Europeesrechtelijke (en in de wet vastgelegde) rechten. Consumenten moeten als zwakkere partij worden beschermd tegen de veelal sterke positie van handelaren.

6. Voor de beoordeling van deze zaak is, mede gelet op het voorgaande, van belang dat eisende partij over het volgende voldoende stelt en daar waar nodig onderbouwt:

1. De hoedanigheid van gedaagde partij.
 In deze zaak stelt eisende partij dat gedaagde partij een consument is. Eisende partij heeft hierover dus voldoende gesteld.

2. De grondslag van de vordering.
 In deze zaak stelt eisende partij dat sprake is van levering van energie. Eisende partij heeft hierover dus ook voldoende gesteld.

3. Is er een schriftelijke overeenkomst? Zo ja, dan dient deze in het geding te worden gebracht. Zo nee, dan dient een andere vorm van bevestiging aan gedaagde partij te worden overgelegd.
 Eisende partij stelt hierover niets. Bij de producties zit in ieder geval geen schriftelijke overeenkomst. Voor zover geen schriftelijke overeenkomst bestaat, omdat de overeenkomst bijvoorbeeld online is gesloten, dient eisende partij de aan gedaagde partij verstrekte bevestiging van de overeengekomen afspraken te overleggen.2 Ook een dergelijke bevestiging ontbreekt. Eisende partij heeft in dit kader dus onvoldoende gesteld en onderbouwd.

4. Waar de overeenkomst is gesloten. Was dat in een verkoopruimte? Zo ja, vermeld dat. Zo nee, dan dient te worden gesteld hoe de overeenkomst tot stand is gekomen. Dat kan bijvoorbeeld online zijn (overeenkomst op afstand) of in een verkoopruimte waar de handelaar niet op permanente basis of gewoonlijk haar activiteiten uitoefent (overeenkomst buiten verkoopruimte). In die gevallen gelden er aanvullende wettelijke verplichtingen.3
 Eisende partij stelt in de onderhavige zaak niet waar of hoe de overeenkomst is gesloten. Hierdoor kan niet worden beoordeeld of er aanvullende verplichtingen gelden en zo ja, of eisende partij aan deze aanvullende verplichtingen heeft voldaan. Eisende partij dient hierover dus meer te stellen en te onderbouwen.

5. Wanneer is de overeenkomst gesloten?
De datum van sluiting van de overeenkomst zou gevolgen kunnen hebben voor het wel of niet toewijzen van de vordering en het wel of niet toetsen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen. Laatstgenoemde wetgeving is ingevoerd op 13 maart 2014. Voor die periode is toetsing of aan de informatieverplichtingen is voldaan niet aan de orde.
 In deze zaal stelt eisende partij niet wanneer de overeenkomst is gesloten.

6. Indien de overeenkomst buiten verkoopruimte of op afstand (bijvoorbeeld online) is gesloten, dient eisende partij te stellen én onderbouwen dat is voldaan aan de wettelijke precontractuele en contractuele informatieverplichtingen.4 Deze informatieverplichtingen zijn te beschouwen als verbintenissen die uit de wet voortvloeien.
Als sprake is van een overeenkomst op afstand of buiten verkoopruimte, dan moet - kort gezegd - vóór het sluiten van de overeenkomst op passende, duidelijke en begrijpelijke wijze de in artikel 6:230m lid 1 BW opgesomde informatie aan de consument worden verstrekt.5 Dat aan deze verplichting is voldaan dient gemotiveerd te worden gesteld en kan worden onderbouwd door bijvoorbeeld schermafdrukken van het daadwerkelijke bestelproces over te leggen. Het doel van deze wetgeving is de consument de mogelijkheid geven een weloverwogen besluit te nemen over de verplichting die wordt aangegaan. Een verwijzing achteraf 6 naar waar de informatie als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 BW op de website dan wel in de algemene voorwaarden kan worden gevonden is, gelet op voornoemd doel, niet afdoende.
Kortom: eisende partij dient de informatie van artikel 6:230m lid 1 BW op haar website op zodanige wijze te verstrekken dat de consument deze tijdens het bestel- of aanmeldproces niet kan missen. Daarnaast moet binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst een bevestiging van de overeenkomst worden verstrekt met daarin wederom alle toepasselijke contractuele informatieverplichtingen op een duurzame gegevensdrager, zoals een e-mail of brief.
 In deze zaak kan niet worden beoordeeld of eisende partij had moeten voldoen aan de informatieverplichtingen, en zo ja, of daaraan is voldaan, omdat niet is gesteld hoe en wanneer de overeenkomst tot stand is gekomen en er niets is vermeld over de daadwerkelijke informatie die in deze zaak is verstrekt.

7. Als algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn moeten deze integraal worden overgelegd.
Duidelijk moet worden welke (versie van de) algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn.
 In deze zaak overlegt eisende partij geen volledige versie van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden, maar slechts delen. Dat volstaat niet.

8. Gesteld moet worden of de vordering (mede) is gebaseerd op bepalingen in de algemene voorwaarden. Als dat het geval is moet worden gesteld welke bepalingen dat zijn en worden toegelicht waarom geen sprake is van een oneerlijk beding in de zin van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen.
 In deze zaak noemt eisende partij in het lichaam van de dagvaarding enkele bedingen uit de algemene voorwaarden waarop zij zich beroept. Eisende partij geeft geen antwoord op de vraag waarom de bedingen niet oneerlijk zijn.

9. Alle facturen waarvan in de procedure betaling wordt gevorderd moeten worden overgelegd. Ook moet een factuuroverzicht worden bijgevoegd.
 Eisende partij vordert in deze zaak diverse facturen van de handelaar, maar heeft deze niet overgelegd. De vordering is dus onvoldoende onderbouwd. Wel geeft eisende partij een (uiterst summiere) door haarzelf opgestelde facturenspecificatie. Niet kan worden geverifieerd waar deze facturen op zien, of er bijvoorbeeld kosten of boetes in rekening zijn gebracht en of er al dan geen betalingen zijn gedaan.

10. Ingebrekestellingen en eventuele reacties daarop van gedaagde partij moeten worden overgelegd. Als het versturen van ingebrekestellingen achterwege is gelaten, moet worden toegelicht waarom dat is gebeurd. Voor zover dat op grond van een beding in de algemene voorwaarden is gebeurd, moet worden toegelicht waarom dat beding niet oneerlijk is.
 Eisende partij stelt dat de handelaar gedaagde partij diverse malen heeft aangeschreven, maar dit niet tot betaling heeft geleid. Deze aanschrijvingen zijn niet overgelegd. Bij de dagvaarding zitten alleen brieven van Lindorff en van eisende partij na de overdracht van de vordering van de handelaar, waarbij de vordering - op de veertiendagenbrief na - al is verhoogd met rente en kosten.

11. Als schadevergoeding wordt gevorderd moet worden uiteengezet wat voor schade dat is, op welke toerekenbare tekortkoming de schade gebaseerd is. Specificeer de schade ook.
 In deze zaak is niet gesteld dat schade wordt gevorderd. Dit kan ook niet worden geverifieerd door het ontbreken van de facturen.

12. Als voor de vordering al eerder een dagvaarding is uitgebracht en vonnis is verkregen, moet dat worden vermeld.
 In deze zaak is niet gesteld dat al eerder een dagvaarding is uitgebracht en vonnis is verkregen.

13. In het geval van dienstverlening, zoals in deze zaak, moet duidelijk zijn welke diensten zijn geleverd.
 Eisende partij stelt dat een overeenkomst is gesloten en energie is geleverd aan gedaagde partij. Hierover is dus voldoende gesteld.

14. Als beëindiging van de dienstverlening heeft plaatsgevonden door de handelaar vanwege wanbetaling, dan moet de grondslag van die beëindiging nader worden toegelicht en de brief waarin de beëindiging aan gedaagde partij wordt aangekondigd worden overgelegd.
 In deze zaak stelt eisende partij dat de handelaar vanwege de wanbetaling de dienstverlening heeft beëindigd door de overeenkomst eenzijdig te ontbinden. Dit is gedaan op grond van artikel 7.1 van de algemene voorwaarden en artikel 6:265 BW. Per wanneer is beëindigd is niet gesteld. De brief waarin de beëindiging wordt aangekondigd is niet overgelegd.

15. Als opschorting van de dienstverlening heeft plaatsgevonden op grond van een beding of de wet, moet worden vermeld vanaf welke datum is opgeschort en of de overeenkomst na opschorting is ontbonden. Als dat laatste het geval is moet ook worden vermeld per wanneer de overeenkomst is ontbonden.
 In deze zaak is niet gesteld dat de dienstverlening is opgeschort. Wel stelt eisende partij dat de overeenkomst is ontbonden, maar niet per wanneer.

16. De veertiendagenbrief moet worden overgelegd als buitengerechtelijke kosten worden gevorderd.
 Eisende partij heeft voldoende gesteld en onderbouwd aangaande de veertiendagenbrief.

7. Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat eisende partij de vordering onvoldoende heeft onderbouwd met alle voor de beslissing van belang zijnde feiten en stukken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft eisende partij niet voldaan aan de voorschriften van artikelen 21 en 111 Rv.

8. De vordering wordt daarom als zijnde onvoldoende onderbouwd afgewezen.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt eisende partij in de proceskosten gevallen aan de zijde van gedaagde partij, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Artikel 111 lid 2 onder d jo. 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

2 Deze verplichting volgt uit artikel 6:230v lid 7 jo. 6:230m lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3 Deze aanvullende wettelijke verplichtingen volgen uit Afdeling 2B van Titel 5 van Boek 6 BW.

4 Welke verplichtingen dat zijn staat in artikel 6:230m lid 1 e.v. BW (kijk bijvoorbeeld ook of artikel 6:230v BW van toepassing is).

5 Artikel 6:230m lid 1 jo 6:230v lid 7 BW.

6 Bijvoorbeeld in de bevestiging op een duurzame drager, zoals een e-mail